ECLI:NL:GHDHA:2024:2349
GERECHTSHOF DEN HAAG Team familie Zaaknummer : 200.336.589/01 Zaak-/rolnummer rechtbank: C/09/627418 HA ZA 22-308 arrest van 3 december 2024 inzake 1. [erfgenaam 1] in haar hoedanigheid van executeur en erfgenaam in de nalatenschap van [erflater] , wonende te Gouda, 2. [erfgenaam 2] in haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van [erflater] , wonende te Gouda, 3. [wettelijk vertegenwoordiger] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [erfgenaam 3] als erfgenaam in de nalatenschap van [erflater] , wonende te [woonplaats] , appellanten, advocaat mr. F.C. Frederiks te Zwijndrecht, tegen [bewindvoerder] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in de wettelijke schuldsanering van [wettelijk vertegenwoordiger] (hierna: de bewindvoerder), kantoorhoudende te Zwijndrecht, geïntimeerde, advocaat: mr. P.A. Loeff te Zwijndrecht.
Het geding 1. Appellanten zijn bij exploot van 4 januari 2024 in hoger beroep gekomen van het (tussen)vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 november 2023, tussen de bewindvoerder als eiser en appellanten als gedaagden gewezen (hierna: het bestreden vonnis).
Vertegenwoordiging minderjarige 5. [erfgenaam 3] (hierna: [erfgenaam 3] ) is geboren op [geboortedatum] 2007 en dus minderjarig. In eerste aanleg zijn haar beide ouders – [wettelijk vertegenwoordiger] en [ex partner] - als wettelijk vertegenwoordiger gedagvaard. Haar moeder [ex partner] is niet verschenen en tegen haar is verstek verleend. Zij is niet met appellanten in hoger beroep gekomen tegen het bestreden vonnis. In artikel 1:253i lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat bij gezamenlijk gezag ouders gezamenlijk het kind in burgerlijke zaken vertegenwoordigen, met dien verstande dat een ouder alleen, mits niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken, hiertoe ook bevoegd is. Eén ouder – in dit geval de vader – kan dus in rechte als vertegenwoordiger van de minderjarige optreden. De rechter hoeft er zich niet ambtshalve van te vergewissen of de andere ouder toestemming heeft gegeven (HR 21 oktober 1988, NJ 1989/411).
De feiten 6. Het hof gaat uit van de volgende feiten.
III ERFSTELLING Onder de verplichting van de (...) vermelde legaten, benoem ik tot mijn enige erfgenamen, gezamenlijk en voor gelijke delen:
Benoeming bezwaarde en verwachters Eerste trap: bezwaarde.
Mijn zoon en mijn dochter – ieder van hen hierna ook te noemen “de bezwaarde” – is benoemd onder de hierna te vermelden ontbindende voorwaarde.
Tweede trap: verwachters.
Ik benoem de hierna te noemen verwachters tot erfgenamen onder de bij de ontbindende voorwaarde aansluitende opschortende voorwaarde.
Verwachters zijn de kinderen van de desbetreffende bezwaarde, gezamenlijk en voor gelijke delen. (...) 2.
Strekking van de tweetrapsmaking Al wat de bezwaarde bij het einde van zijn recht van zijn verkrijging nalaat, zal, binnen het kader van het hierna bepaalde, toekomen aan de verwachters.
3.
Overgang van de eerste naar de tweede trap Het recht van de bezwaarde op de verkrijging eindigt door:
In gemeld testament heeft erflater tot zijn enige erfgenamen benoemd: zijn genoemde kinderen en wel voor ieder voor de helft van zijn nalatenschap. Aan dit erfgenaamschap is een zogenaamde “tweetrapsmaking” verbonden. Dat betekent dat de erfgenamen zijn benoemd onder een ontbindende voorwaarde. Deze ontbindende voorwaarde treedt in na het overlijden van de bezwaarde, bij faillissement van de bezwaarde, indien aan de bezwaarde surseance van betaling is verleend of op de bezwaarde de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard. Indien één van de voormelde ontbindende voorwaarden intreedt komt hetgeen de desbetreffende erfgenaam van erflater heeft geërfd toe aan de kinderen van de desbetreffende erfgenaam. (...) Tengevolge van hetgeen is bepaald in het testament van erflater, (...) vindt ten aanzien van de heer [wettelijk vertegenwoordiger] voornoemd de overgang van de eerste naar de tweede trap plaats. Op grond van het vorenstaande laat erflater als zijn enige erfgenamen achter:
Het bestreden vonnis 17. De rechtbank heeft – samengevat – het door de bewindvoerder gevorderde voorschot op de betaling van de legitieme portie van [wettelijk vertegenwoordiger] tot een bedrag van € 150.000,- toegewezen. De veroordeling houdt in dat [erfgenaam 1] € 75.000,- moet betalen aan de bewindvoerder en [erfgenaam 2] en (de wettelijk vertegenwoordigers van) [erfgenaam 3] ieder € 37.500,- . De veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Verder heeft de rechtbank instructies gegeven voor de verdere voortgang van de procedure.
De vordering in hoger beroep 19. Appellanten vorderen in hoger beroep dat het hof het bestreden (tussen)vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de bewindvoerder afwijst met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van het geding in beide instanties.
De beoordeling 21. In de eerste grief stellen appellanten dat de rechtbank in het bestreden vonnis een principiële vraag onbeantwoord heeft gelaten. Appellanten betogen dat [wettelijk vertegenwoordiger] geen beroep op de legitieme in de nalatenschap van erflater toekomt, omdat als gevolg van de tweetrapsmaking in het testament het aan de bezwaarde [wettelijk vertegenwoordiger] toekomende erfdeel volledig naar hem is overgegaan op het moment van overlijden van erflater. Dit erfdeel is op grond van het feit dat de in de tweetrapsmaking opgenomen voorwaarde meteen daarna is ingegaan, op hetzelfde moment overgegaan naar de verwachters, de beide kinderen van [wettelijk vertegenwoordiger] .
Met de verkrijging door de bezwaarde van zijn volledig erfdeel, de eerste trap in de tweetrapsmaking, komt aan hem geen aanspraak op de legitieme meer toe, althans wordt zijn verkregen erfdeel in mindering gebracht op zijn legitieme aanspraak. Zijn legitieme aanspraak wordt dan op grond van art. 4:71 BW nihil. Daarmee komt de rechtsgrond onder de vorderingen van de bewindvoerder te vervallen en moeten deze worden afgewezen.
De lezing van de rechtbank dat [wettelijk vertegenwoordiger] feitelijk alsnog onterfd zou zijn is onjuist. De rechtbank gaat ervan uit dat de beide afstammelingen van bezwaarde rechtstreeks van erflater – hun grootvader – hebben verkregen. Dit is in strijd met de wil van de erflater, die zijn beide kinderen voor gelijke delen tot erfgenaam heeft benoemd, en de juridische betekenis van de tweetrapsmaking in het testament van erflater, aldus nog steeds appellanten.
De bewindvoerder betoogt verder – zo begrijpt het hof – dat ook als er vanuit wordt gegaan dat [wettelijk vertegenwoordiger] in de eerste trap zijn erfdeel heeft verkregen, aan hem nog steeds een beroep op zijn legitieme toekomt. In de tweede trap van de tweetrapsmaking wordt alles wat door [wettelijk vertegenwoordiger] is verkregen hem immers weer afgenomen en aan zijn kinderen gegeven. Als artikel 4:71 BW al van toepassing zou zijn, zal de imputatie dus moeten worden gewaardeerd op nihil.
Vast staat dat op grond van de tweetrapsmaking de kinderen van [wettelijk vertegenwoordiger] het gehele erfdeel van [wettelijk vertegenwoordiger] hebben verkregen. De waarde van de verkrijging van [wettelijk vertegenwoordiger] kan in dat licht niet anders dan op nihil worden gewaardeerd: de waarde van de rechten van de bezwaarde en de verwachters kunnen immers niet meer dan 100% bedragen. Hieruit volgt dat de waarde van hetgeen op grond van art. 4:71 BW in mindering moet worden gebracht bij de vaststelling van de omvang van de legitieme ook nihil is. Dit betekent dat de bewindvoerder aanspraak kan maken op de volledige legitieme portie van [wettelijk vertegenwoordiger] . Het hof komt dus tot dezelfde slotsom als de rechtbank in het bestreden vonnis, zij het op andere gronden.
Het bestreden vonnis zal in zoverre dan ook worden bekrachtigd.
Proceskosten 30. In eerste aanleg is nog geen eindvonnis gewezen en nog geen beslissing genomen over de proceskosten. Het hof kan dan ook alleen beslissen over de proceskosten van dit hoger beroep.
Nu het om een erfrechtelijk geschil gaat zal het hof de proceskosten van dit hoger beroep compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
Beslissing Het hof: bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; bepaalt dat elke partij de eigen kosten van dit hoger beroep draagt; wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Warnaar, S.H.M. van der Heiden en A.F. Mollema en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.