ECLI:NL:GHDHA:2024:238
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-23/83 Uitspraak van 8 februari 2024 in het geding tussen: [X] , te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.T.P. Nefkens) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 15 december 2022, nummer SGR 21/1625.
Procesverloop 1.1.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting van € 68.927 opgelegd (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is een vergrijpboete opgelegd van € 17.231 en € 8.133 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag, de vergrijpboete en de beschikking belastingrente gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 181 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt: “De rechtbank:
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 274 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele hoger beroep naar voren gebracht.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 januari 2024. Partijen zijn verschenen. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken van belanghebbende met nummers BK‑23/81 en BK-23/82. Voor zover in die zaken door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaken is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.
Feiten 2.1.
Belanghebbende exploiteerde van 15 mei 2015 tot en met 27 mei 2016 een supermarkt met slagerij onder de naam [naam] in de vorm van een eenmanszaak. Met ingang van 1 januari 2016 exploiteert belanghebbende ook vijf avondwinkels. Deze avondwinkels werden vóór 1 januari 2016 geëxploiteerd door [naam v.o.f.] . Belanghebbende was van 1 januari 2013 tot 1 januari 2016 één van de vennoten van [naam v.o.f.] .
2.2.
Op 11 juli 2017 is de Inspecteur een boekenonderzoek gestart bij de onderneming van belanghebbende. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2015 en 2016 en de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 15 mei 2015 tot en met 31 december 2016.
2.3.
Belanghebbende heeft tijdens het boekenonderzoek desgevraagd verklaard dat hij bedragen heeft geleend. Ter onderbouwing heeft belanghebbende vier onderhandse overeenkomsten overgelegd die hij heeft gesloten met de heer [A] , manager van [naam LLC] , gevestigd te [buitenland] (M). Het betreft de volgende overeenkomsten:
Alle overeenkomsten hebben een looptijd van 10 jaar. In de overeenkomsten is bepaald dat belanghebbende de geleende bedragen terugbetaalt na ommekomst van de tienjaarstermijn of wanneer hij zijn onderneming eerder verkoopt. In de overeenkomsten is voorts bepaald dat de terugbetaling omvat de hoofdsom van de lening alsmede de winst die belanghebbende heeft behaald met zijn ondernemingsactiviteiten tot het moment waarop de leningen worden afgelost.
2.4.
De bevindingen uit het boekenonderzoek zijn neergelegd in een controlerapport met dagtekening 28 oktober 2019, waarvan een kopie tot de gedingstukken behoort (het controlerapport). In het controlerapport is, voor zover van belang, het volgende vermeld: “Gehanteerde BTW-codes in het kassasysteem Niet alle artikelen zijn op de juiste BTW-tariefcodes ingesteld, dan wel in 2016 naar onjuiste BTW- tariefcodes omgezet. Aan de hand van kassadata 2016, gedownload bij de avondwinkel gevestigd te (…), is geconstateerd dat onder andere de verkoop van sigaretten en andere tabaksartikelen voor een langere periode tegen het NUL-tarief heeft plaatsgevonden. (…) 2.3.3 Administratieplicht (…) Belastingplichtige heeft niet voldaan aan zijn administratieplicht, omdat:
2.3.4 Bewaarplicht De belastingplichtige heeft niet voldaan aan de bewaarplicht. De volgende onderdelen van de administratie zijn niet bewaard:
Aan de hand van verschillende inkoopfacturen is de gemiddelde inkoopprijs van een slof sigaretten berekend op € 45,23 (exclusief BTW). Voor het berekenen onderstaande correctie is echter de gemiddelde inkoopprijs van een slof sigaretten gesteld op € 47,50 (exclusief BTW).
Correctie 2016:
Ter verklaring van herkomst van deze contante stortingen (per saldo € 16.270) heeft [belanghebbende] 4 overeenkomsten met de heer [A] , uit hoofde van diens functie als manager van [naam LLC] dat is gevestigd te [buitenland] , overgelegd. (…) Gezien de dagtekeningen van deze overeenkomsten geven deze geen verklaring voor de contante privéstortingen van [belanghebbende] in 2016. In de administratie van de eenmanszaak is ook geen informatie (afschrift van bankoverschrijving, overzicht van een wisselkantoor of aangifte van inbreng contant geld in Nederland) aangetroffen. Ook op mijn verzoek konden genoemde bescheiden niet getoond worden.
In latere gesprekken met de adviseur heeft deze aangegeven, dat de leningsovereenkomsten (in tegenstelling tot wat in de overeenkomsten staat)zien op een doorlopend krediet en dat de gelden indien nodig aan belastingplichtige werden uitbetaald. De uitbetaling zou in 2015 en 2016 hebben plaatsgevonden en door de geldverstrekker naar belastingplichtige zijn gebracht dan wel door belastingplichtige zijn opgehaald.
Ook nu konden desgevraagd, de hier reeds bovengenoemde bescheiden, alsmede een door de geldvestrekker opgemaakt overzicht van de opnames uit het doorlopend krediet niet worden getoond.
Het is niet aannemelijk dat belastingplichtige in 2011 en 2012 nieuwe leningsovereenkomsten aangaat terwijl de gelden van eerdere leningen (2010 en 2011) niet zijn opgenomen. (…) Nu de herkomst van de contante gelden niet is verklaard, zullen de contante privéstortingen (per saldo € 16.270) naar de zakelijke kas en de privérekening van [belanghebbende] als “niet verantwoorde omzet inclusief omzetbelasting” worden aangemerkt.
Correctie 2016:
Correctie 2016:
Correctie 2016:
Correctie 2016:
8.5 Recapitulatie correcties omzetbelasting 2016 4.4 Privéstortingen ( € 1.949 + € 188) € 2.137 4.5 Overige langlopende schulden ( € 10.183 + € 984) € 11.167 4.7 Kortlopende schulden ( € 14.275 + € 1.380) € 15.655 4.8 Liquide middelen negatieve kas ( € 25.074 + € 2.424) € 27.498 6.1 Netto omzet € 22.533 6.2 Inkoopprijs van de verkopen € - 6.808 8.3.1. (…) 8.3.2. Aansluitingsverschil € - 3.255 Na te heffen € 68.927”
Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “Naheffingsaanslag 8. Verweerder heeft de privéstortingen van € 16.270 en de langlopende lening van € 85.000 aangemerkt als niet verantwoorde omzet. Eiser stelt dat verweerder deze bedragen ten onrechte heeft gecorrigeerd, omdat deze niet verklaard zouden worden door de kasadministratie of door opnamen van de bankrekening van eiser. Volgens eiser is er geen sprake van niet verantwoorde omzet, maar zou het gaan om gelden die zijn ontvangen van leningen van M die zijn verwerkt in de rekening-courant. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser de hiervoor onder 3 genoemde leningsovereenkomsten en een verklaring van de geldverstrekker overgelegd.
Dat dit, volgens eiser, (deels) in 2016 is geweest, is niet met stukken onderbouwd. Voor zover eiser ook nog heeft gesteld dat de privéstorting van € 16.270 huurinkomsten zijn van een box 3-pand, heeft hij hiervan geen begin van bewijs geleverd. Nu eiser de herkomst van de gelden niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft verweerder kunnen en mogen aannemen dat het gaat om niet verantwoorde omzet. Dit geldt temeer nu er geen dagelijkse kassa-afslag is geweest, er geen periodieke telling van het kasgeld heeft plaatsgevonden en bovendien is gebleken dat bij ongeveer 45% van de kassa-afslagen een onjuiste betalingswijze is vermeld. Aldus kan niet worden vastgesteld hoe hoog de contante omzet is geweest.
De privéstortingen zijn daarom terecht gecorrigeerd. Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat niet langer in geschil is dat de omzetbelastingcorrectie van deze post onjuist is berekend. De correctie moet zijn € 11.140 (in plaats van € 11.167). Het beroep tegen de naheffingsaanslag is om die reden gegrond.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat de berekening van de controleur onjuist is, omdat geen rekening zou zijn gehouden met de privéstorting van € 16.270 en met de kostencorrectie van € 119.153. Uit het controlerapport volgt dat door verweerder rekening is gehouden met de stortingen die invloed hebben op de kas, waaronder het bedrag van € 12.000 (van de € 16.270, te weten: de contante stortingen in kas onderneming door eiser). De correcties van € 4.270 (van de € 16.270, te weten: contant per saldo gestort door eiser naar zijn privérekening) en de kostencorrectie (€ 119.153) zijn niet meegenomen, omdat deze geen invloed hebben op de kas. In het controlerapport is dan ook terecht uitgegaan van een negatieve kas van € 209.292. Verweerder heeft dus mogen aannemen dat er meer omzet is geweest en dat er dus ook meer omzetbelasting verschuldigd is.
Vergrijpboete 13. Aan eiser is op de voet van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd van 25% van de nageheven belasting. Ingevolge dit artikel kan aan een belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan diens opzet of grove schuld is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald.
Ook staat vast dat sprake is van een zeer gebrekkige kasadministratie en dat op de kassa-afslagen in veel gevallen een onjuiste betalingswijze is vermeld. Eiser had moeten en kunnen begrijpen dat hierdoor de kans groot is dat er aanzienlijk te weinig belasting wordt aangegeven en betaald. Eiser is overigens ook bij een eerder boekenonderzoek gewezen op het belang van een goede kasadministratie. De stelling van eiser dat dit slechts slordigheid is, volgt de rechtbank niet. Door de handelwijze van eiser is immers niet vast te stellen wat de contante omzet is geweest. Dat eiser, naar hij stelt, sindsdien een andere adviseur heeft genomen, doet daaraan niets af. Eiser is zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van de kasadministratie en voor het invoeren van de juiste betalingswijze op de kassa, althans om zijn personeel daarover te goed te instrueren.
Belastingrente 20. De belastingrente is berekend conform de wettelijke bepalingen. De bewijslast dat de belastingrente moet worden berekend op een lager bedrag dan volgt uit de wettelijke bepalingen, rust op eiser. Eiser heeft gesteld dat de belastingrente dient te worden gematigd, omdat verweerder niet voortvarend genoeg heeft gehandeld bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Wat de rechtbank dienaangaande heeft geoordeeld in de uitspraak van heden in de zaken van eiser met de zaaknummers SGR 21/1621, SGR 21/1622, SGR 21/1623 en SGR 21/1624 geldt evenzeer voor de onderhavige zaak. De rechtbank verwijst daarom naar haar uitspraak in de zaken met even vermelde zaaknummers.
Immateriële schadevergoeding 21. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zoals de rechtbank heeft overwogen in zijn uitspraak van heden in de zaken van eiser met zaaknummers SGR 21/1621, SGR 21/1622, SGR 21/1623 en SGR 21/1624 wordt aan eiser een vergoeding voor immateriële schade toegekend van € 1.500 voor zowel die zaken als onderhavige zaak tezamen. Deze vergoeding is reeds toegekend in die uitspraak.
Slotsom 22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Proceskosten 23. De rechtbank merkt onderhavige zaak aan als samenhangend met de zaken van eiser met zaaknummers SGR 21/1621, SGR 21/1622, SGR 21/1623 en SGR 21/1624 en veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskostenvergoeding is echter reeds toegekend bij de uitspraak van heden in de zaken van eiser met de even vermelde zaaknummers. (…) [1] HR 8 april 2022, 20/02638, ECLI:NL:HR:2022:526.”
Omschrijving geschil in het principale hoger beroep en het incidentele hoger beroep en conclusies van partijen 4.1.
In de hoger beroepen is in geschil of de Rechtbank: de naheffingsaanslag terecht heeft vastgesteld op € 53.245, meer specifiek of de correctie wegens overheveling van een bedrag van € 119.153 van de post ‘crediteuren’ naar de post ‘kortlopende schulden’ in stand dient te blijven; de belastingrente juist heeft vastgesteld; en de vergrijpboete juist heeft vastgesteld.
Niet in geschil is dat de correctie ter zake van de privéstortingen, indien deze als zodanig terecht is aangebracht, € 11.140 bedraagt in plaats van € 11.167.
4.2.
Belanghebbende concludeert in het principale hoger beroep tot vernietiging van zowel de uitspraak van de Rechtbank als de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking hebben op de naheffingsaanslag, de belastingrente en de vergrijpboete, en tot vernietiging van de naheffingsaanslag, de beschikking belastingrente en de vergrijpboete. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht in hoger beroep.
4.3.
De Inspecteur concludeert in het incidentele hoger beroep, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van zowel de uitspraak van de Rechtbank als de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking hebben op de naheffingsaanslag, de belastingrente en de vergrijpboete, en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 68.863 met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking belastingrente en de vergrijpboete, waarbij het bedrag van € 68.863 als volgt is opgebouwd:
Oorspronkelijke naheffingsaanslag € 68.927 Correctie privéstortingen € 27 (€ 11.167 - € 11.140) Correctie meer verschuldigde omzetbelasting € 37 (€ 15.655 - € 15.618) Naheffingsaanslag € 68.863 Beoordeling van het principale hoger beroep en het incidentele hoger beroep Bewijsaanbod 5.1.1.
Belanghebbende heeft in het hogerberoepschrift aangeboden om de herkomst van zowel de privéstortingen van € 16.720 als de langlopende lening van € 85.000 aannemelijk te maken door middel van aanvullende (schriftelijke) (getuigen)verklaringen.
5.1.2.
Het Hof passeert het bewijsaanbod. Belanghebbende is in de uitnodiging voor de zitting gewezen op de mogelijkheid om in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8:60 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) getuigen mee te brengen naar de zitting of op te roepen. In de uitnodiging voor de zitting is belanghebbende, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8:58 Awb, verder erop gewezen dat nadere stukken – zoals eventuele schriftelijke verklaringen – uiterlijk tien dagen voor de zitting moeten worden ingediend. Dat belanghebbende van deze mogelijkheden geen gebruikgemaakt heeft, komt voor zijn rekening en risico. Het belang van een doelmatige procesgang weegt in dit geval zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij het alsnog overleggen van het aangeboden bewijs.
Naheffingsaanslag 5.2.1.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Volgens belanghebbende is niet aannemelijk dat er meer omzet is geweest dan door hem is aangegeven. Daarbij voert belanghebbende aan dat wanneer stortingen zijn gedaan op een privérekening, dit niet betekent dat deze stortingen voortvloeien uit niet aangegeven omzet. De Inspecteur heeft een dergelijk verband tussen de stortingen en niet aangegeven omzet niet aannemelijk gemaakt. Daarom is de door de Inspecteur toegepaste correctie van € 68.927 volgens belanghebbende onterecht.
5.2.2.
De Inspecteur stelt dat de Rechtbank de naheffingsaanslag en de vergrijpboete ten onrechte met respectievelijk € 15.618 en € 3.904 heeft verminderd door de correctie die de Inspecteur vanwege de overheveling door belanghebbende van een bedrag van € 119.153 van de post ‘crediteuren’ naar de post ‘kortlopende schulden’ had toegepast, niet te accepteren.
5.2.3.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur de contant gestorte gelden van € 16.270 en € 85.000 mogen aanmerken als niet verantwoorde omzet. Weliswaar betoogt belanghebbende terecht dat de stortingen ook een andere oorsprong kunnen hebben dan niet aangegeven omzet, maar belanghebbende heeft nagelaten een andere plausibele verklaring voor de herkomst van de gestorte gelden te geven. Het Hof sluit zich op dit punt aan bij rechtsoverweging 9 van Rechtbank.
5.2.4.
Voorts heeft de Rechtbank met juistheid geoordeeld dat de omzet terecht is gecorrigeerd met een bedrag van € 209.292 ter zake van een negatieve kas. Uit de administratie die belanghebbende zelf heeft verstrekt vloeit immers voort dat tot een bedrag van € 209.292 meer contante uitgaven zijn gedaan dan er aan contanten is binnengekomen. Op basis hiervan heeft de Inspecteur mogen aannemen dat er meer omzet is geweest. Het Hof ziet net als de Rechtbank geen reden om aan de in het controlerapport opgenomen berekening te twijfelen.
5.2.5.
Tot slot heeft de Rechtbank met juistheid geoordeeld dat het bedrag van € 119.153 terecht is gecorrigeerd in de zin dat er minder kosten zijn, omdat belanghebbende geen verklaring en evenmin enig bewijs heeft overgelegd van deze kortlopende schulden. De opstelling van de overlopende posten zoals deze door de adviseur van belanghebbende is verstrekt, geeft onvoldoende inzicht in de overlopende posten. Tevens heeft belanghebbende geen facturen ter onderbouwing overgelegd.
5.2.6.
Anders dan de Rechtbank, is het Hof echter van oordeel dat de Inspecteur terecht de aftrek van voorbelasting ter zake van het bedrag van € 119.153 heeft geweigerd. Belanghebbende heeft niet betwist dat hij ter zake van dit bedrag aan inkopen (crediteuren/kortlopende schulden) voorbelasting in aftrek heeft gebracht, en geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat hij recht heeft op aftrek daarvan. Het feit dat er in paragraaf 8.4. van het controlerapport staat dat de voorbelasting van 2015 en 2016 geen reden geeft tot nadere op- of aanmerkingen, doet niet af aan deze al daarvóór in paragraaf 4.2 van het controlerapport opgenomen correctie. Zoals belanghebbende terecht betoogt en de Inspecteur erkent, moet deze correctie niet € 15.655 maar € 15.618 bedragen, zodat de Rechtbank de naheffingsaanslag in zoverre terecht heeft verminderd.
5.2.7.
Gelet op het voorgaande stelt het Hof de totale correctie voor de omzetbelasting vast op € 68.863. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Vergrijpboete 5.3.1.
Belanghebbende stelt dat de vergrijpboete dient te worden vernietigd dan wel dient te worden verminderd tot nihil.
5.3.2.
Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de Inspecteur heeft doen blijken dat sprake is van grove schuld aan de zijde van belanghebbende. De Inspecteur heeft derhalve terecht een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd. Het Hof sluit zich op dit punt aan bij rechtsoverwegingen 16 tot en met 18 van Rechtbank.
5.3.3.
Nu de naheffingsaanslag door het Hof is vastgesteld op € 68.863, bedraagt de vergrijpboete in beginsel € 17.215 (25%). Nu tussen de aankondiging van de vergrijpboete in het conceptcontrolerapport (17 juni 2019) en de datum van de uitspraak van de Rechtbank (15 december 2022) drie jaar en zes maanden zijn verstreken, is de redelijke termijn met één jaar en zes maanden overschreden. De vergrijpboete dient daarom te worden verminderd met 15%. Het Hof stelt de vergrijpboete derhalve vast op € 14.632.
Belastingrente 5.4.1.
Belanghebbende stelt dat de belastingrente dient te worden gematigd, omdat de Inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de aanslag.
5.4.2.
Uit de gedingstukken is het Hof van een onvoldoende voortvarend handelen van de Inspecteur niet gebleken. De Rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het handelen van de Inspecteur geen aanleiding vormt om de belastingrente te matigen. Het Hof maakt de door de Rechtbank daartoe gebezigde gronden in rechtsoverweging 20 tot de zijne.
5.4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de belastingrente conform de wettelijke bepaling is berekend. Belanghebbende betoogt echter dat de belastingrente moet worden verminderd op grond van het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, lid 2, Awb, omdat deze niet in verhouding staat tot de verschuldigde belasting.
5.4.4.
Dit betoog faalt voor zover het ziet op het evenredigheidsbeginsel zoals dat is vastgelegd in artikel 3:4, lid 2, Awb. Uit artikel 3:4, lid 1, Awb, dat in samenhang met artikel 3:4, lid 2, Awb moet worden gelezen, volgt dat dit wetsartikel een belangenafweging door het bestuursorgaan als bedoeld in artikel 3:4, lid 1, Awb alleen voorschrijft voor zover niet uit een ander wettelijk voorschrift een beperking voortvloeit. Een wettelijke bepaling die het bestuursorgaan dwingt in een bepaalde situatie een besluit met een bepaalde inhoud te nemen, is zo’n beperking. Artikel 30h AWR is dwingend geformuleerd. De Inspecteur heeft geen discretionaire bevoegdheid om af te zien van het in rekening brengen van wettelijk verschuldigde belastingrente noch om deze te matigen. Dit betekent dat het de Inspecteur niet vrijstaat bij het in rekening brengen van belastingrente belangen af te wegen (vgl. HR 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1371, BNB 2023/157, r.o. 5.4).
5.4.5.
Ook voor zover dit betoog is gestoeld op het ongeschreven evenredigheidsbeginsel, faalt het. Artikel 30h AWR is een bepaling die deel uitmaakt van een wet in formele zin. Het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet staat in de weg aan toetsing van wetten in formele zin aan algemene rechtsbeginselen en ander ongeschreven recht. Wel is de rechter bevoegd een bepaling in een wet in formele zin buiten toepassing te laten indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daartoe bestaat aanleiding indien die niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden tot gevolg hebben dat de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven. Zie HR 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1371, BNB 2023/157, r.o. 5.5.1 en 5.5.2). Dat in het onderhavige geval sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden is gesteld noch gebleken.
Slotsom 5.5.
Het principale hoger beroep van belanghebbende is ongegrond en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur is gegrond.
Proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing Het Gerechtshof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing over de vergoeding van het griffierecht; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 68.863; vermindert de belastingrente dienovereenkomstig; en vermindert de vergrijpboete tot € 14.632.
Deze uitspraak is vastgesteld door F.G.F. Peters, I. Reijngoud en P.G.H. Albert, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. De beslissing is op 8 februari 2024 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.