GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-23/00661 Uitspraak van 31 januari 2024 in het geding tussen: Stichting [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: G. Gieben) en de heffingsambtenaar van de gemeente Lisse, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 mei 2023, nummer SGR 22/1671. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak [adres 1] in [woonplaats 1] (de woonzorglocatie) voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 6.634.000 (de beschikking). Met de beschikking zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 voor de woonzorglocatie opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Lisse. De aanslag in de van eigenaren geheven onroerendezaakbelasting (de aanslag OZBE) is opgelegd naar een heffingsmaatstaf van € 6.634.000; de aanslag in de van gebruikers geheven onroerendezaakbelasting (de aanslag OZBG) is opgelegd naar een heffingsmaatstaf van € 839.000. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslagen op 22 maart 2021 bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft op 27 januari 2022 het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank, binnengekomen op 11 maart 2022. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 548. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 december 2023. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een procesverbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de woonzorglocatie. De oppervlakte van de woonzorglocatie is 6.746 m2; de oppervlakte van het tot de zorglocatie behorende perceel is 15.475 m2. 2.2. De woonzorglocatie ligt dichtbij het centrum van [woonplaats 1] en bestaat uit: - drie kleinschalige woongroepen voor mensen met dementie; - appartementen voor mensen die intensieve lichamelijke zorg nodig hebben; - twee kamers waar ouderen tijdelijk kunnen verblijven; - voorzieningen voor dagbesteding voor thuiswonende ouderen; - diverse ontmoetingsruimten; - een restaurant/grand café en een winkeltje; - een binnentuin met een terras. 2.3. Een deel van de woonzorglocatie heeft bouwjaar 1972 en een deel (de aanbouw) heeft bouwjaar 2018. In 1995 en 2018 zijn delen van de onroerende zaak gerenoveerd. In 1996 is het asbest uit de gangen verwijderd. In 2003 zijn de badkamers vervangen en is het asbest uit de plafonds verwijderd. In 2004 heeft een verbouwing plaatsgevonden. In 2008 is een extra garage gebouwd. In 2017 is er een fietsenberging geplaatst. In 2018 is een nieuwe aanbouw gerealiseerd. Verder zijn in dat jaar penanten (steunpilaren) in de woonkamers vervangen door smallere kolommen. 2.4. De Heffingsambtenaar heeft in beroep een waarderapport overgelegd dat op 14 april 2022 is uitgebracht door [naam taxateur 1] , taxateur (het Waarderapport). In het Waarderapport is de waarde van de woonzorglocatie, na uitpandige opname op 19 augustus 2021, bepaald op € 6.634.000. Verder heeft de Heffingsambtenaar in beroep een “Taxatieverslag Niet-Woning GVW [woonplaats 1] ” (het Taxatieverslag) overgelegd. In bijlage 2 van het Waarderapport is de restwaarde van de woonzorglocatie getoetst aan een aantal verkoopcijfers van woonzorglocaties en gezinsvervangende tehuizen ( [adres 2] te [woonplaats 2] , [adres 3] te [woonplaats 3] en [adres 4] te [woonplaats 4] ). 2.5. In beroep heeft belanghebbende een taxatierapport overgelegd, opgesteld door [naam taxateur 2] en [naam taxateur 3] op 10 maart 2022 (het 1e taxatierapport). In het 1e taxatierapport is de waarde van de woonzorglocatie, na uitpandige en gedeeltelijk inpandige opname op 12 november 2021, getaxeerd op € 4.586.000. In hoger beroep heeft belanghebbende nog een taxatierapport (het 2e taxatierapport) overgelegd. Het 2e taxatierapport is op 11 juli 2023 opgesteld door de taxateurs die ook het 1e taxatierapport hebben opgesteld. In het 2e taxatierapport is de waarde van de woonzorglocatie, uitgaande van de opname van 12 november 2021 die ook aan het 1e taxatierapport ten grondslag ligt, bepaald op € 4.679.000. Belanghebbende heeft verder een onderzoeksrapport van [naam] overgelegd, waarin aan de hand van een aantal verkoopcijfers van gezinsvervangende tehuizen (geen woonzorglocaties) in Nederland de conclusie wordt getrokken dat de restwaarde van woonzorgcomplexen zich bevindt in de range van 0% tot 5%. Ook het verkoopcijfer van [adres 4] is in het onderzoek betrokken. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder: “De waarde 5. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44). 6. Ingevolge artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ wordt, in afwijking van het tweede lid, de waarde van een onroerende zaak bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Uit dit artikellid volgt verder dat bij de berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde rekening wordt gehouden met de aard van de zaak en de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. 7. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ dient de gecorrigeerde vervangingswaarde te worden berekend als de som van de waarde van de grond, vermeerderd met de waarde van de opstallen. Voor de grond dient daarbij te worden uitgegaan van de marktwaarde van vrij te aanvaarden en onbezwaarde grond. Voor de waarde van de opstallen moet worden uitgegaan van de totale geobjectiveerde bouwkosten, naar het prijspeil op de waardepeildatum, vermenigvuldigd met het voortgangspercentage van de bouw. 8. Verweerder dient aannemelijk te maken dat de waarde van de onroerende zaak niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op het door hem overgelegde waarderapport en hetgeen overigens is aangevoerd, hierin geslaagd. In het waarderapport is de waarde van de onroerende zaak middels de gecorrigeerde vervangingswaarde bepaald. Bij het vaststellen van de bouwkosten is gebruik gemaakt van de Taxatiewijzer deel 9 (Verzorging) van de VNG. Daarbij is verweerder uitgegaan van de kengetallen behorende bij archetype N5161000 (verzorgingstehuis, 2001 en nieuwer, kleiner dan 8.000 m² vloeroppervlakte) en archetype N5140000 (verzorgingshuis, 1966 t/m 1985). De rechtbank acht deze archetypes goed bruikbaar. Verweerder heeft daarmee de waarde van de onroerende zaak op een voldoende inzichtelijke en controleerbare wijze onderbouwd. Niet is gebleken dat de beschikte waarde te hoog zou zijn vastgesteld. Ook is de rechtbank niet gebleken dat verweerder – zoals eiseres ter zitting heeft gesteld – ten onrechte de waarde exclusief omzetbelasting heeft berekend. Uit de door verweerder overgelegde stukken volgt dat de informatie die op de referentieobjecten ziet exclusief omzetbelasting is berekend, maar de waarde van de onroerende zaak in de waardematrix inclusief omzetbelasting is berekend. Deze stelling van eiseres is dan ook onjuist. Overigens zouden de waarden van de vergelijkingsobjecten indien verweerder de componenten van de vergelijkingsobjecten wel inclusief omzetbelasting zou hebben berekend hoger uitkomen, wat de vastgestelde waarde van de onroerende zaak des te meer onderbouwt. De rechtbank heeft ook geen reden tot twijfel aan de toepasbaarheid van de in de Taxatiewijzer opgenomen kengetallen. De door verweerder gehanteerde Taxatiewijzer is immers opgesteld in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en is inhoudelijk opgebouwd aan de hand van een analyse van marktgegevens van vergelijkbare objecten. Het standpunt van eiseres dat de Taxatiewijzer onvoldoende onderbouwing vormt, slaagt dan ook niet. 9. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Tussen partijen is niet in geschil dat de bewijslast ten aanzien van de restwaarde op eiseres rust. Uit het restwaarderapport volgt dat de onroerende zaak een zorgcentrum betreft. Dit is ook niet in geschil. In het restwaarderapport wordt voor de onderbouwing van de restwaarde de onroerende zaak echter vergeleken met vijf gezinsvervangende tehuizen met een woonbestemming, twee gezinsvervangende tehuizen met een maatschappelijke bestemming en één woonzorgcomplex. Die vergelijkingsobjecten zijn naar hun aard andere soorten objecten dan de onroerende zaak en daarmee niet bruikbaar voor de onderbouwing voor de bepleite restwaarde van 5%. Eiseres heeft de door haar bepleite restwaarde dan ook niet aannemelijk gemaakt. De stelling van eiseres dat verweerder ten onrechte uitgaat van de dagwaarde en niet van de restwaarde van de onroerende zaak, volgt de rechtbank niet. Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht een levensduurverlenging heeft toegepast. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat in 2018 een verbouwing heeft plaatsgevonden. Ook is de rechtbank van oordeel dat de onroerende zaak – zoals terecht gesteld door verweerder – moet voldoen aan de geldende kwaliteitseisen voor een zorgcentrum, zodat de onroerende zaak minimaal in een meer dan redelijke staat moet verkeren. De aanslag OZBG 10. In artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet is bepaald dat een onroerende zaak in hoofdzaak – dat wil zeggen voor 70% – tot woning dient indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet WOZ is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. 11. Verweerder heeft plattegronden van de onroerende zaak overgelegd. Op de plattegronden heeft verweerder de woondelen weergegeven met een gele markering, de niet-woondelen met een blauwe markering en de overige delen van de onroerende zaak met een oranje markering. Van het totale oppervlakte van 6.766 m² ziet 4.509 m² (66,64%) op de gele woondelen, 983 m² (14,53%) op de blauwe niet-woondelen en 1.274 m² (18,83%) op de oranje overige delen van de onroerende zaak. Die oppervlakten zijn niet in geschil. Nu de woondelen minder dan 70% bedragen, namelijk 66,64%, kan niet worden geoordeeld dat de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient. 12. Nu de onroerende zaak dus niet in hoofdzaak tot woning dient als bedoeld in artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet, is de hoofdregel dat voor die onroerende zaak OZBG is verschuldigd. Daarbij wordt een beperking gemaakt in artikel 220e van de Gemeentewet waarin is bepaald dat voor de heffing van OZBG buiten aanmerking blijft de waarde van de gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Daarvoor is het feitelijk gebruik van die gedeelten van de onroerende zaak beslissend.[1] 13. Eiseres heeft haar stelling dat 80% van de WOZ-waarde is toe te rekenen aan de woondelen van de onroerende zaak, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling slechts een globale, ingekleurde plattegrond ingebracht. Een nadere toelichting op de plattegrond heeft eiseres niet gegeven. Ook anderszins heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat meer dan 70% van de overige ruimten aan de woondelen van de onroerende zaak dienen te worden toegerekend. De aanslag OZBG is dan ook terecht aan eiseres opgelegd. Overigens volgt uit de waardematrix dat de totale waarde van de niet-woondelen een bedrag van € 1.197.602 betreft. De aanslag OZBG is opgelegd over een grondslag van € 839.000, zijnde 70% van de totale waarde van de niet-woondelen. De rechtbank is dan ook niet gebleken dat de aanslag OZBG is gebaseerd op een te hoge waarde. Vergoeding van immateriële schade 14. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift tegen de aanslag is door verweerder ontvangen op 22 maart 2021, zodat de redelijke termijn ten tijde van het doen van deze uitspraak is overschreden met ruim 2 maanden. Eiseres heeft in beginsel recht op een vergoeding ter compensatie voor de spanning en frustratie als gevolg van de lange duur van de procedure. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat op grond van haar algemene voorwaarden alle kostenvergoedingen waaronder de vergoeding voor immateriële schade aan haar worden gecedeerd. Het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade vormt voor eiseres aldus geen compensatie. De rechtbank ziet onder die omstandigheid geen reden over te gaan tot het toekennen van enige vergoeding voor immateriële schade.[2] Proceskosten 15. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. (…) [1]Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:770. [2] Rechtbank Den Haag 13 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5687.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In geschil is of: 4.1.1. de vastgestelde waarde van de woonzorglocatie te hoog is; 4.1.2. de aanslag OZBG dient te worden vernietigd, omdat de waarde van de woonzorglocatie in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden; 4.1.3. belanghebbende in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de woonzorglocatie nader wordt vastgesteld op € 4.586.000, vermindering van de aanslag OZBE overeenkomstig de door belanghebbende bepleite waarde en met toepassing van het woningtarief, en vernietiging van de aanslag OZBG. Indien de aanslag OZBG terecht is opgelegd, is niet in geschil dat de heffingsgrondslag juist is vastgesteld op € 839.000. Verder concludeert belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en toekenning van een proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierechten. 4.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep. Beoordeling van het hoger beroep Geschilpunt 4.1.1: is de vastgestelde waarde van de woonzorglocatie te hoog? 5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de woonzorglocatie dient te worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde als bedoeld in artikel 17, lid 3, Wet WOZ. In hoger beroep zal worden uitgegaan van dit – juiste – gemeenschappelijke standpunt van partijen. 5.2. Ingevolge artikel 17, lid 3, Wet WOZ moet bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van een onroerende zaak rekening worden gehouden met de aard en de bestemming van de zaak en de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. In artikel 4, lid 2, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, dat (niet meer dan) een hulpmiddel bij de bepaling van waarde is, is de wijze van berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde nader ingevuld. Naar de bedoeling van de wetgever is de gecorrigeerde vervangingswaarde van een onroerende zaak de waarde welke de zaak in economische zin voor haar eigenaar heeft. 5.3. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat zij haar hoger beroep, voor zover dit de vastgestelde waarde van de woonzorglocatie betreft, beperkt tot de correctie voor technische veroudering die de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de woonzorglocatie heeft toegepast. Het gaat haar met name om de daarbij in aanmerking genomen technische levensduren en restwaarden van de gebouwde delen van de woonzorglocatie. Wat betreft de andere elementen van de berekening van de vastgestelde waarde van de woonzorglocatie heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat zij zich aansluit bij wat daarover is gesteld in het Waarderapport en de bijlagen daarbij, in het bijzonder het Taxatieverslag. 5.4. Omdat belanghebbende de door de Heffingsambtenaar vastgestelde waarde betwist, rust op de Heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Dat betekent, gezien de beperking van het geschil over de vastgestelde waarde van de woonzorglocatie tot de technische levensduren en de hoogte van de restwaarden (zie 5.3), dat de Heffingsambtenaar feiten moet stellen en bij betwisting door belanghebbende aannemelijk moet maken waaruit volgt dat de technische levensduren en de restwaarden niet te laag, onderscheidenlijk niet te hoog zijn. Alleen als de Heffingsambtenaar niet aan deze bewijslast voldoet, komt de vraag aan de orde of belanghebbende de door haar verdedigde waarde aannemelijk maakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechter zelf tot een vaststelling van de waarde komen. 5.5. Beide partijen gaan bij de onderbouwing van hun standpunten uit van de kengetallen die zijn opgenomen in de “Taxatiewijzer en kengetallen Deel 9 Verzorging waardepeildatum 1 januari 2020” (de Taxatiewijzer Verzorging). Voor de in 1972 gebouwde delen van het woonzorgcentrum maken beide partijen gebruik van de kengetallen van het in de Taxatiewijzer Verzorging opgenomen archetype N5140000 (Verzorgingshuis 1966 t/m 1985). Voor de in 2018 gerealiseerde aanbouw maakt de Heffingsambtenaar gebruik van het in de Taxatiewijzer Verzorging opgenomen archetype N5161000 (Verzorgingshuis 2001 t/m 2014, < 8000m²). Belanghebbende maakt in haar taxaties voor de in 2018 gerealiseerde aanbouw echter gebruik van het in de Taxatiewijzer opgenomen archetype N5171000 (Verzorgingshuis 2015 en nieuwer < 8.000 m2). 5.6. In de drie onder 5.5 genoemde archetypen zijn voor de technische levensduren en de restwaarden van de gebouwde delen van de onroerende zaken de volgende “Kengetallen per waardepeildatum 01-01-2020” opgenomen: Onderverdeling Levensduur Restwaard Min Max Min Max Ruswbouw 45 65 25% 35% Afbouw 20 30 20% 30% Installaties 10 20 15% 20% 5.7. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting ter toelichting van zijn standpunt dat wat betreft de in 2018 gerealiseerde aanbouw moet worden uitgegaan van de kengetallen in het archetype N5161000 (Verzorgingshuis 2001 t/m 2014, < 8000m²) verklaard dat het bouwplan van de aanbouw al geruime tijd vóór 2018 klaar was en dat daarom het archetype N5161000, Verzorgingshuis 2001 t/m 2014, geschikter is om bij de bepaling van de waarde van de in 2018 gerealiseerde aanbouw te worden gebruikt dan het archetype N5171000 (Verzorgingshuis 2015 en nieuwer < 8.000 m2). 5.8. Het Hof volgt de Heffingsambtenaar hierin niet en overweegt daarover het volgende. Beide partijen zijn uitgegaan van de Taxatiewijzer Verzorging. Volgens deze Taxatiewijzer dient bij de bepaling van de waarde van het in 2018 gebouwde deel van de woonzorglocatie te worden uitgegaan van het archetype N5171000 (Verzorgingshuis 2015 en nieuwer < 8.000 m2). In de Taxatiewijzer is hierop geen uitzondering gemaakt voor het geval dat het bouwplan van het in 2018 gebouwde deel van de woonzorglocatie al vóór 2018 klaar was. De Heffingsambtenaar heeft met wat hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke uitzondering niettemin nodig is om tot een juiste bepaling van de waarde van de woonzorglocatie te komen. De enkele stelling van de Heffingsambtenaar dat het archetype N5161000 geschikter is om bij de bepaling van de waarde van de in 2018 gerealiseerde aanbouw te worden gebruikt dan het archetype N5171000, is daartoe onvoldoende. Voor het antwoord op de tussen partijen in geschil zijnde vraag of de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de correctie voor technische veroudering van de woonzorglocatie is uitgegaan van te hoge restwaarden en/of te lange technische levensduren, is het ontbreken van een goede grond om voor de aanbouw met bouwjaar 2018 uit te gaan van het archetype N5171000 echter niet relevant, omdat in de archetypen N5161000 en N5171000 dezelfde kengetallen voor de tussen partijen in geschil zijnde restwaarden en de technische levensduren zijn vermeld (zie onder 5.6). 5.9. Omdat beide partijen bij de onderbouwing van hun standpunten over de restwaarden en de technische levensduren van de woonzorglocatie zijn uitgegaan van de Taxatiewijzer Verzorging, dient een partij die van de in deze Taxatiewijzer opgenomen, onder 5.6 vermelde kengetallen wil afwijken, de gronden daarvoor te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken. Dit geldt ook als de bewijslast bij onverkorte toepassing van wat onder 5.4 is overwogen, bij de wederpartij zou liggen. De lengte van de technische levensduren 6.1. De Heffingsambtenaar neemt het standpunt in dat de onder 5.6 genoemde technische levensduren moeten worden verlengd en heeft ter onderbouwing van dit standpunt een overzicht verstrekt van de werkzaamheden die volgens het bouwarchief van de gemeente Lisse zijn uitgevoerd. Deze houden – samengevat – het volgende in. In de loop van de jaren zijn er diverse verbeteringen aangebracht en verbouwingen geweest. Het pand is gebouwd in de periode 1969-1972. In 1974 heeft een verbouwing plaatsgevonden. In 1996 is het asbest uit de gangen verwijderd. In 2003 zijn de badkamers vervangen en is het asbest uit de plafonds verwijderd. In 2004 heeft weer een verbouwing plaatsgevonden. In 2008 is een extra garage gebouwd. In 2017 is er een fietsenberging geplaatst. In 2018 is een nieuwe aanbouw gerealiseerd. Verder zijn penanten (steunconstructies) vervangen door smallere kolommen. Er zijn ook zonnepanelen aangebracht en – hoewel de cv-installatie nog niet was afgeschreven – zuinige energieketels en een warmtekrachtkoppeling geplaatst. Hieraan heeft de Heffingsambtenaar ter zitting nog het volgende toegevoegd. Tijdens de inpandige opname die hij in oktober 2022 heeft verricht, heeft hij geconstateerd dat de woonzorglocatie volledig in gebruik is. Ook wordt er voortdurend in de woonzorglocatie geïnvesteerd, zoals ook blijkt uit de hiervoor vermelde gegevens uit het bouwarchief. Uit het meerjarenonderhoudsplan van de woonzorglocatie, waarin hij inzage heeft gehad, blijkt dat op dit moment opnieuw voor een bedrag van € 700.000 wordt geïnvesteerd. Belanghebbende heeft de juistheid van de hiervoor opgesomde gegevens niet, althans onvoldoende gemotiveerd, bestreden. Wel heeft belanghebbende ter zitting betwist dat de Heffingsambtenaar in oktober 2022 een inpandige opname heeft gedaan, maar het Hof ziet geen reden te twijfelen aan hetgeen de Heffingsambtenaar daarover ter zitting heeft verklaard. 6.2. Verder wijst de Heffingsambtenaar op de “Taxatiewijzer en kengetallen Deel 0 Algemeen Waardepeildatum 1 januari 2020” (de Taxatiewijzer Algemeen). Daarin is voorzien in verlenging van de technische levensduren van de gebouwde delen van de woonzorglocatie met 10 jaar voor de ruwbouw en met 5 jaar voor de afbouw en de installaties. 6.3. Met wat de Heffingsambtenaar heeft aangevoerd (zie onder 6.1. en 6.2.) heeft hij naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat de technische levensduren van de gebouwde delen van de woonzorglocatie zich over een langere periode zullen uitstrekken dan die waarmee in de onder 5.6 genoemde kengetallen uit de Taxatiewijzer Verzorging is rekening gehouden. Verder heeft de Heffingsambtenaar, beoordeeld naar wat op de waardepeildatum bekend was over de feiten die bepalend zijn voor de op die datum resterende technische levensduren, naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat het einde van de technische levensduren niet eerder zal zijn bereikt dan na ommekomst van de resterende levensduren die zijn vermeld in het Taxatieverslag. 6.4. Hieraan doet niet af wat belanghebbende heeft aangevoerd ter betwisting van de (onderbouwing van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.