GERECHTSHOF DEN HAAG Zaaknummer wrakingskamer II : AV0001329-23Parketnummer beklagzaak : K22/220155 (FJR), K22/220206, K22/220564 A [A], B [B] en C [C]. Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken (wrakingskamer II) inzake het schriftelijk verzoek d.d. 25 november 2023 tot wraking van de wrakingskamer, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door: [verzoeker], wonende te [plaats], hierna te noemen: verzoeker, gericht tegen: mrs. A. van Dongen, J.W. Frieling en O.E.M. Leinarts,raadsheren in de wrakingskamer als bedoeld in artikel 512 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (hierna: wrakingskamer I) Het geding 1. Verzoeker heeft met klaagster [klaagster] en klager [klager] op 18 maart 2022 (K22/220155), 11 april 2022 (K22/220206) en 8 november 2022 (K22/220564) op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) telkens een klaagschrift met bijlagen bij dit gerechtshof ingediend. 2. Op 18 oktober 2023 heeft de beklagkamer van het gerechtshof, bestaande uit mrs. Th. P.L. Bot, T.E. van der Spoel en P.J. van der Flier (hierna: de beklagkamer), de klaagschriften behandeld in raadkamer. Ter zitting is de verzoeker overgegaan tot wraking van deze raadsheren. Op 18 oktober 2023 heeft de verzoeker zijn wrakingsverzoek schriftelijk nader onderbouwd. De raadsheren hebben niet in de wraking berust, waarna wrakingskamer I de behandeling van het wrakingsverzoek op zich heeft genomen. 3. Op 24 november 2023 heeft wrakingskamer I, bestaande uit mrs. A. van Dongen, J.W. Frieling en O.E.M. Leinarts, het wrakingsverzoek van 18 oktober 2023 zonder behandeling ter zitting afgewezen. 4. Op 25 november 2023 heeft de verzoeker een schriftelijk verzoek tot wraking van wrakingskamer I ingediend, welk verzoek hij op 19 december 2023 schriftelijk heeft aangevuld. De raadsheren van wrakingskamer I hebben niet in de wraking berust, waarna wrakingskamer II de behandeling van dit wrakingsverzoek op zich heeft genomen. 5. Op 20 december 2023 heeft een mondelinge behandeling door wrakingskamer II, bestaande uit mrs. Schaffels, Wiersinga en Verduyn, plaatsgevonden. Verzoeker heeft op deze zitting de raadsheren van wrakingskamer II aanstonds gewraakt. Verzoeker heeft het wrakingsverzoek op dezelfde dag schriftelijk toegelicht en aangevuld. Op 8 januari 2024 heeft de verzoeker het wrakingsverzoek van 20 december 2023 verder toegelicht. Verzoeker heeft toen ook een voorwaardelijk wrakingsverzoek ingediend tegen de nieuwe wrakingskamer. De raadsheren van wrakingskamer II hebben niet in de wraking berust, waarna wrakingskamer III de behandeling van dit wrakingsverzoek op zich heeft genomen. 6. Op 22 januari 2024 heeft wrakingskamer III, bestaande uit mrs. E.C. van Veen, E.M. Dousma-Valk en M.A.F. Tan-de Sonnaville, het wrakingsverzoek van 20 december 2023 zonder behandeling ter zitting afgewezen en de zaak terugverwezen naar wrakingskamer II.Het wrakingsverzoek van 25 november 2023 7. Het wrakingsverzoek houdt – zakelijk weergegeven – in dat de wrakingskamer I met de motivering van zijn beslissing van 24 november 2023 op, de schijn van partijdigheid heeft gewekt. De verzoeker heeft de volgende gronden voor wraking aangevoerd: “Deze raadsheren (Haagse rechters) maken zich in de beslissing schuldig aan het verzwijgen van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.