Rolnummer: 22-001752-23 Parketnummers: 09-238990-22 en 16-000581-21 (TUL) Datum uitspraak: 10 december 2024 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 12 december 2022 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, adres: [woonadres], [woonplaats]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primair hij op of omstreeks 20 september 2022 te 's-Gravenhage, een ambtenaar, [slachtoffer] (hoofdagent bij de politie eenheid Den Haag), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door te spugen in het oog, de mond en/of de wang van [slachtoffer]; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij, op of omstreeks 20 september 2022 te 's-Gravenhage, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer] (hoofdagent bij de politie eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door - “ Homo’s” te roepen richting [slachtoffer], althans woorden van een gelijke beledigende aard en/of strekking, en/of - een middelvinger op te steken richting [slachtoffer], en/of - te spugen in het oog, de mond, op het vest en/of op de wang van [slachtoffer]. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak van het primair tenlastegelegde Met de verdediging en de advocaat-generaal acht het hof het primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof het als volgt. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat onder mishandeling in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede – onder omstandigheden – het opzettelijk bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. In dat laatste geval moet het gaan om lichamelijke onlust of een (zeer) onaangename fysieke ervaring. Het hof is van oordeel dat onder omstandigheden het bespuugd worden in het gezicht een zeer onaangename fysieke ervaring kan zijn, die als mishandeling kan worden gekwalificeerd. Dat dit in dit concrete geval voor de in het gezicht bespuugde verbalisant ook daadwerkelijk het geval is geweest, kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld. De verbalisant heeft in zijn aangifte en in zijn proces-verbaal aangegeven dat hij zich door het spuug in zijn gezicht ‘vies en ranzig’ voelde en, nadat zijn leidinggevende hem verwees naar het zogenoemde spat- en prikloket om een mogelijke besmetting uit te sluiten, hij ook bang werd voor een coronabesmetting. Van een fysiek gevolg , dat maakt dat (mogelijk) van mishandeling kan worden gesproken, blijkt uit de voorhanden bewijsmiddelen echter niet. Het zich ‘vies en ranzig voelen’ duidt meer op een ‘leed opleverende gemoedsaandoening’, oftewel een onaangename psychische ervaring. Ook dit is strafrechtelijk aan de verdachte verwijtbaar, maar de handeling van de verdachte dient anders te worden gekwalificeerd. Naar het oordeel van het hof moet het tenlastegelegde spugen in het gezicht en op het vest van de verbalisant en het opsteken van een middelvinger in zijn richting worden aangemerkt als belediging door feitelijkheden, zodat het subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Het roepen van ‘homo’s’ in de richting van de verbalisant kan enkel worden gekwalificeerd als mondelinge belediging en dus niet als belediging door feitelijkheden, zoals is tenlastegelegd. Het hof spreekt de verdachte dan ook vrij van dit onderdeel van het subsidiair tenlastegelegde feit. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: subsidiair hij, op of omstreeks 20 september 2022 te 's-Gravenhage, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer] (hoofdagent bij de politie eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door - “Homo’s” te roepen richting [slachtoffer], althans woorden van een gelijke beledigende aard en/of strekking, en/of - een middelvinger op te steken richting [slachtoffer], en/of - te spugen in het oog, in de mond, op het vest en/of op de wang van [slachtoffer]. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de belediging van een ambtenaar, te weten een hoofdagent bij de politie eenheid Den Haag, door hem te bespugen en een middelvinger in zijn richting op te steken. Daarmee heeft de verdachte laten zien geen respect te hebben voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieambtenaren wordt gediend. Deze ambtenaren moeten ongehinderd hun werk kunnen doen. Daarnaast is het bespugen van een persoon buitengewoon smerig en (daarmee) ook zeer beledigend. Dat dit gebeurde in de nadagen van de Covid-19 pandemie acht het hof extra strafwaardig. Justitiële documentatie Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 26 november 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen. Persoonlijke omstandigheden Het hof houdt er in strafmatigende zin rekening mee dat er aanwijzingen zijn dat de verdachte, als gevolg van een in 2017 doorgemaakt herseninfarct, ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit minder controle had over zijn gedrag. De op te leggen straf Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte. De voorwaardelijke geldboete dient de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 588,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.