← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2024:2862

GERECHTSHOF DEN HAAG Zaaknummer wrakingskamer : 200.340.937/01 Kenmerk beklagzaak : K24/220141 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, gedaan door: [verzoekster] , hierna te noemen: verzoekster, gericht tegen: I. Alle leden die de beklagkamer vormen bij het Gerechtshof Den Haag Afdeling strafrecht en II. De wrakingskamer. De feitelijke gang van zaken. De Afdeling strafrecht heeft op 17 april 2024 een klaagschrift ontvangen, waarin verzoekster met toepassing van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) beklag doet over de beslissing van de officier van justitie om een strafbaar feit niet te vervolgen. Deze beklagzaak is bij het hof geregistreerd onder kenmerk K24/

  1. Het beklag is hierna voorgelegd aan de advocaat-generaal (de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie bij het hof) met het verzoek om het hof te adviseren. Verzoekster heeft op 29 april 2024 een e-mail verzonden aan de wrakingskamer van het hof, waarin zij ‘Alle leden die de beklagkamer van de afdeling strafrecht vormen’ bij het hof wraakt. De reden hiervoor is meineed naast partijdigheid in K24/220141 op 18 april 2024, onlosmakelijk verbonden met K21/220037 van 6 januari
  2. Het hof zal dit wrakingsverzoek van verzoekster ‘Verzoek I’ noemen. Bij e-mail van 3 mei 2024 heeft zij dit verzoek nader toegelicht. Bij de onder 2 genoemde e-mail van 29 april was gevoegd een brief van 6 januari 2022 (met kenmerk K21/220037) van de griffier van dit hof aan verzoekster, met daarbij een beschikking van de raadkamer beklagzaken van 5 januari
  3. De raadkamer beklagzaken heeft verzoekster toen niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag. De griffier van de wrakingskamer heeft verzoekster per email van 30 april 2024 bericht dat verzoekster later die week een reactie zou krijgen op haar vraag (van 30 april 2024 00:17) of het zaaknummer van Verzoek I bekend was. Verzoekster heeft op 1 mei 2024 (06:32:00) een email gezonden aan de wrakingskamer van het hof, waarin zij de wrakingskamer wraakt. De reden hiervoor is, zakelijk weergegeven, bezwaar tegen tijdrekken in Verzoek I. Het hof zal het tegen de wrakingskamer gerichte wrakingsverzoek noemen: Verzoek II. Bij e-mail van 8 mei 2024 heeft verzoekster dit verzoek aangevuld, omdat zij van mening is dat de wrakingskamer ten onrechte geen mondelinge behandeling houdt. De beoordeling van verzoek I
  4. Uitgangspunt is de wettelijke regeling van artikel 512 Sv. Daarin staat: “Op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.”
  5. Dit betekent dat wraking pas mogelijk is als er sprake is van rechters (bij het hof raadsheren genaamd) die een zaak behandelen. Hiervan is bij verzoek I van 29 april 2024 geen sprake, omdat de klacht van 17 april 2024 (over niet vervolgen) zich bevindt in het stadium van advisering door het openbaar ministerie, zonder dat bekend is welke raadsheren te zijner tijd de zaak zullen gaan behandelen. Daarnaast is wraking van ‘alle leden van de beklagkamer’ niet mogelijk, aangezien niet ‘alle leden’ de toekomstige beklagzaak zullen behandelen.
  6. Verzoekster is al daarom niet-ontvankelijk in verzoek I (artikel 4 lid 2 aanhef en onder f Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag). De beoordeling van verzoek II
  7. Verzoekster heeft per e-mail van 1 mei 2024 de wrakingskamer gewraakt wegens tijdrekken van verzoek I. Verzoekster klaagt erover dat haar verzoek niet onmiddellijk is geregistreerd en dat ze pas “LATER in de week” zal worden geïnformeerd over haar wrakingsverzoek. Zij ervaart deze vorm van tijdrekken als ‘een juridische kunstgreep in een klacht dossier vrijheid beroving, foltering en andere wrede onmenselijke behandeling en straffen’. Volgens verzoekster is zij daarom verplicht de wrakingskamer te wraken wegens belemmeren van een situatie waarop artikel 14 van het Rome Statute aan de orde is.
  8. De wrakingskamer wijst dit verzoek aanstonds – zonder mondelinge behandeling – af wegens evident misbruik van recht (artikel 4 lid 2, aanhef en onder i van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag). Van tijdrekken is geen sprake geweest. De griffier van de wrakingskamer heeft voortvarend gehandeld door toe te zeggen dezelfde week nog nader te berichten. Beslissing Het hof: - verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in Verzoek I; - wijst af verzoek II. Deze beslissing is gegeven op 10 mei 2024 door mrs. M.A.F. Tan - de Sonnaville, C.A. Joustra en H.C. Wiersinga in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.