GERECHTSHOF DEN HAAG Zaaknummer : 200.338.512/01Rolnummer hoofdzaak : 22-001194-22 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 25 maart 2024 inzake het mondeling verzoek om wraking als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend door: [verzoeker] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ([land]), thans gedetineerd te [verblijfplaats] verzoeker, raadsman mr. I.R. Rigter, gericht tegen mrs. Y.J. Wijnnobel-van Erp, V. Mul en K.I. de Jong, raadsheren. Het geding In de strafzaak tegen verzoeker als verdachte onder genoemd rolnummer heeft op 29 februari 2024 een zitting van de meervoudige strafkamer plaatsgevonden, alwaar mrs. Y.J. Wijnnobel-van Erp, V. Mul en K.I. de Jong zitting hadden. Bij mondeling verzoek van 29 februari 2024 heeft de raadsman namens verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan. De raadsheren hebben niet in de wraking berust. De wrakingskamer heeft het verzoek op 13 maart 2024 ter openbare terechtzitting behandeld, waar de raadsman van verzoeker is gehoord. De raadsheren van wie de wraking is verzocht, hebben hun standpunt schriftelijk bekend gemaakt. Zij zijn niet ter zitting verschenen. De raadsman heeft een pleitnota overgelegd. De advocaat-generaal mr. F. Holthuis heeft zijn standpunt uiteengezet. Het wrakingsverzoek
- Het wrakingsverzoek houdt – zakelijk weergegeven – het volgende in. Door de motivering van de afwijzing van de onderzoekswensen van de verdediging is de schijn van partijdigheid gewekt. De onderzoekswensen zien op het horen van een getuige ([getuige]), het identificeren van personen op camerabeelden en DNA-onderzoek. Deze verzoeken kunnen worden bezien ter onderbouwing van een alternatief scenario, te weten dat een ander dan verzoeker (verdachte) het tenlastegelegde heeft begaan. Het hof heeft de onderzoekswensen afgewezen met de woorden: ‘het door de verdediging geschetste scenario heeft onvoldoende handen en voeten gekregen’. Met die woorden heeft het hof op voorhand een niet mis te verstane diskwalificatie uitgesproken over het door verzoeker (verdachte) opgeworpen standpunt onschuldig te zijn. Daarbij is de objectieve vrees gewekt dat de raadsheren jegens verzoeker (verdachte) een vooringenomenheid koesterden. De beslissing is immers niet anders op te vatten dan als een definitief antwoord op de eerste vraag van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering.
- De gewraakte raadsheren hebben in hun schriftelijke reactie aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat het door de raadsman gevraagde onderzoek diende te worden beoordeeld op grond van het noodzakelijkheidscriterium. Gelet op het in een laat stadium gepresenteerde alternatieve scenario, dat naar hun oordeel onvoldoende is onderbouwd (anders gezegd: onvoldoende handen en voeten heeft gekregen), zag het hof geen noodzaak de onderzoekswensen toe te wijzen.
- De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen, omdat uit de bewoordingen van de afwijzing van de onderzoekswensen niet blijkt van de (schijn) van vooringenomenheid. Beoordeling van het wrakingsverzoek
- Op grond van artikel 512 Sv kan op verzoek van de verdachte elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
- Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter uit hoofde van zijn aanstelling te worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
- De wrakingskamer stelt voorop dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van die (tussen)beslissingen noch over een verzuim om te beslissen.
- Wat betreft de motivering van een rechterlijke (tussen)beslissing geldt evenzeer dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (onder andere HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).
- Een dergelijk uitzonderingsgeval is hier naar het oordeel van de wrakingskamer niet aan de orde. De wrakingskamer overweegt daartoe het volgende.
- In zijn ter zitting van 29 februari 2024 overgelegde ‘toelichting onderzoekswensen’ merkt de raadsman van verzoeker op – verkort weergegeven – dat de onderzoekswensen een gevolg zijn van de gewijzigde proceshouding van zijn cliënt en dat het late tijdstip van het gevraagde onderzoek niets afdoet aan ‘de noodzakelijkheid’ daarvan.
- Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 29 februari 2024 heeft de advocaat-generaal in reactie op het verzochte onderzoek naar voren gebracht dat, omdat de onderzoekswensen getoetst moeten worden aan het noodzaakcriterium en de basis van die noodzaak moet liggen in het alternatieve scenario, voor het alternatieve scenario geen aanknopingspunten te vinden zijn in het dossier. De advocaat-generaal heeft het hof verzocht de onderzoekswensen af te wijzen.
- In verband met de beslissing op het gevraagde onderzoek houdt het proces-verbaal van de zitting van 29 februari 2024 het volgende in: ‘Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de onderzoekswensen worden afgewezen. De voorzitter licht toe dat het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario onvoldoende handen en voeten heeft gekregen, onvoldoende onderbouwd is en dat ook de verklaring van [getuige] alsmede de camerabeelden deze verklaring onvoldoende kunnen onderbouwen. Daarbij heeft het hof mede acht geslagen op het late tijdstip waarop het alternatieve scenario naar voren is gekomen.’
- Ter zitting van de wrakingskamer heeft de raadsman van verzoeker herhaald dat het doel van het gevraagde onderzoek erop zag om het (gewijzigde) standpunt van verzoeker, namelijk het alternatieve scenario, nader handen en voeten te geven, dat wil zeggen: nader te kunnen onderbouwen.
- In het bijzonder gelet op de in rov. 13, 14 en 16 genoemde omstandigheden kan niet worden gezegd dat de door het hof gegeven motivering van zijn beslissing tot afwijzing van de onderzoekswensen niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van het hof. Uit die omstandigheden en uit de bewoordingen van de motivering – in onderlinge samenhang bezien – volgt dat die motivering (kan en) moet worden begrepen als een toelichting waarom toepassing van het noodzaakcriterium tot afwijzing van de onderzoekswensen leidt. Kern daarvan is dat het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario onvoldoende is onderbouwd oftewel dat het dossier voor dat scenario onvoldoende aanknopingspunten biedt.
- Het voorgaande brengt mee dat geen sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de raadsheren jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek om wraking zal daarom worden afgewezen. Beslissing De wrakingskamer: wijst het verzoek om wraking af; bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan (de raadsman van) verzoeker, genoemde raadsheren en de advocaat-generaal. Deze beslissing is in het openbaar gegeven op 25 maart 2024 door mrs. H.J. van Kooten, W.J. van Boven en O.E.M. Leinarts, in aanwezigheid van de griffier mr. R. Dieteren.