GERECHTSHOF DEN HAAG Zaaknummers : 200.312.689/03 en 200.314.866/03 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken d.d. 17 mei 2024 in de zaken met bovenvermelde zaaknummers van [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, advocaat: mr. S. van Buuren te ’s-Gravendeel. Het geding Bij het hof (Team Handel) zijn twee hoofdprocedures aanhangig: verzoeker als appellant en Openbaar Lichaam Sociaal als geïntimeerde (zaaknummer 200.312.689/01) en tussen verzoeker als appellant en BNG Bank N.V. en Openbaar Lichaam Sociaal als geïntimeerden (zaaknummer 200.314.866/01). In deze procedures is op 4 december 2023 een gezamenlijke mondelinge behandeling gehouden ten overstaan van de raadsheren mrs. J.J. van der Helm, voorzitter, H.J.M. Burg en J.N. de Blécourt, leden. Verzoeker heeft bij die mondelinge behandeling een verzoek tot wraking van voornoemde raadsheren gedaan. Dat verzoek is geregistreerd onder zaaknummers 200.312.689/02 en 200.314.866/
- Bij beslissing van de wrakingskamer van 17 januari 2024 is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in dat verzoek. Op 12 februari en 19 maart 2024 heeft verzoeker mededelingen gedaan aan de handelsgriffie van dit hof, met in de cc de wrakingskamer. Daarna heeft de wrakingskamer op 28 april 2024 een e-mail van verzoeker ontvangen. De wrakingskamer begrijpt uit de e-mail van 28 april 2024 dat verzoeker onder verwijzing naar de e-mails van 12 februari en 19 maart 2024 een verzoek tot wraking van de meervoudige kamer wil indienen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummers 200.312.689/03 en 200.314.866/
- Bij (ondertekende) brief van 29 april 2024, toegestuurd per e-mail van diezelfde datum, heeft de advocaat van verzoeker, mr. S. van Buuren, de wrakingskamer verzocht om te reageren op de e-mails van verzoeker van 12 februari en 19 maart
- De beoordeling van de ontvankelijkheid
- Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek stelt de wrakingskamer voorop dat in de hoofdzaak verplichte procesvertegenwoordiging is vereist. In zaken waarin een partij zich verplicht moet laten vertegenwoordigen, geldt een schriftelijk verzoek tot wraking, dat niet op de zitting is gedaan, als een proceshandeling en moet dit verzoek op straffe van niet-ontvankelijkheid worden ondertekend en ingediend door een advocaat (zie HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2997).
- Bij brief van 6 mei 2024 heeft de wrakingskamer verzoeker medegedeeld dat zijn schriftelijke wrakingsverzoek vooralsnog niet in behandeling kan worden genomen omdat een schriftelijk wrakingsverzoek moet worden ondertekend en ingediend door een advocaat. De wrakingskamer heeft verzoeker tot 16 mei 2024 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, door alsnog een advocaat het wrakingsverzoek te laten ondertekenen en indienen. Daarbij is tevens vermeld dat als dat niet gebeurt, verzoeker niet-ontvankelijk wordt verklaard.
- Op 7 mei 2024, 10:54 uur, heeft verzoeker per e-mail aan de wrakingskamer medegedeeld dat met de brief van 29 april 2024 van zijn advocaat, welke brief door haar is ondertekend is, wordt voldaan aan de eis van ondertekening van het wrakingsverzoek. De wrakingskamer heeft verzoeker daarop per e-mail van 7 mei 2024 laten weten dat van zijn advocaat geen ondertekend wrakingsverzoek is ontvangen en dat het ondertekenen van de brief van 29 april 2024 niet volstaat. Dat bericht is tevens in kopie verstuurd aan de advocaat.
- Verzoeker heeft vervolgens bij e-mail van 7 mei 2024, 12:52 uur medegedeeld dat een wrakingsverzoek vormvrij is en dat mr. Van Buuren het wrakingsverzoek conform wetgeving, jurisprudentie en het wrakingsprotocol heeft ingediend. De wrakingskamer heeft niet alsnog een door de advocaat ondertekend wrakingsverzoek ontvangen.
- Het betoog van verzoeker dat een wrakingsverzoek vormvrij is, faalt. Het onderhavige wrakingsverzoek is door verzoeker buiten zitting in schriftelijke vorm gedaan. Zoals hiervoor reeds is overwogen, moet een zodanig wrakingsverzoek op straffe van niet-ontvankelijkheid worden ondertekend en ingediend door een advocaat. Daarvan is in dit geval geen sprake.
- De brief van de advocaat van 29 april 2024 aan de wrakingskamer volstaat niet omdat daarin slechts wordt verzocht om te reageren op de e-mails van verzoeker van 12 februari en 19 maart
- Bovendien schrijft de advocaat in die brief dat zij “de inhoud (van die e-mails, toevoeging wrakingskamer) niet heeft opgesteld en het uitsluitend de eigen verzoeken en meningen van cliënt betreffen.” Het hof begrijpt deze brief aldus dat de advocaat de inhoud van deze e-mails niet voor haar rekening neemt en deze e-mails niet door middel van een proceshandeling namens de verdachte op de door de wet voorgeschreven wijze indient.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek tot wraking. De wrakingskamer heeft afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek ter zitting (art. 4 lid 2, aanhef en onder c, Wrakingsprotocol). Beslissing De wrakingskamer van het hof: - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking; - bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, mrs. J.J. van der Helm, H.J.M. Burg en J.N. de Blécourt, en aan de geïntimeerden in de hoofdzaken. Deze beslissing is gegeven door mrs. Th.W.H.E. Schmitz, E.C. van Veen en J.I. Vreese-Rood, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2024, in aanwezigheid van de griffier.