← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2024:2909

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige geheimhoudingskamer nummers BK-24/152 tot en met BK-24/156 Beslissing van 2 oktober 2024 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigden: R.J. de Jong en M. Verschoor) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het geheimhoudingsverzoek van de Inspecteur als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Procesverloop 1.

  1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2012 tot en met 2015 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (de navorderingsaanslagen). Bij de navorderingsaanslagen is belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikkingen). 1.
  2. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen gehandhaafd. 1.
  3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend met bijlagen, waarvan een aantal weggelakte gedeeltes bevat. 1.
  4. De Inspecteur heeft met dagtekening 14 september 2022 een envelop met ongeschoonde bijlagen ingediend. In de hierna vermelde bijlagen zijn gedeelten van de tekst weggelakt (tussen haakjes is het bijlagenummer bij het verweerschrift vermeld): een brief van 8 december 2016 van [naam 1] aan de Belastingdienst (bijlage 1.1); een brief (met bijlage) van 23 mei 2017 van de Belastingdienst aan [naam 1] (bijlage 1.2); een brief (met bijlagen, waaronder een brief van 28 augustus 2017) van 12 september 2017 van [naam 1] aan de Belastingdienst (bijlage 1.3); een verslag van een gesprek op 12 oktober 2017 tussen [naam 1] en de Belastingdienst (bijlage 1.4); e-mailcorrespondentie tussen de [naam 2] , [naam 1] en de Belastingdienst (bijlage 1.5); een tabel die de Inspecteur aanduidt als “Getraceerde belastingplichtigen optieconstructie december 2017” (bijlage 1.6). De Inspecteur heeft onder verwijzing naar artikel 8:29 Awb verzocht om de geschoonde delen niet aan belanghebbende over te leggen. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft bij beslissing van 8 december 2022 het verzoek om beperkte kennisneming gedeeltelijk toegewezen. De geheimhoudingskamer heeft het verzoek afgewezen voor zover het de brief van 28 augustus 2017 bij bijlage 1.3 betreft. De Inspecteur heeft deze brief bij brief van 21 december 2022 overgelegd, waarbij de namen van een derde, een medewerker van [naam 1] en een medewerker van de Belastingdienst, en het burgerservicenummer van de derde en telefoonnummers zijn weggelakt. 1.
  5. De Rechtbank heeft op 18 januari 2024 in de hoofdzaak uitspraak gedaan. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar; - vernietigt de navorderingsaanslagen; - vernietigt de rentebeschikkingen; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.962,50; - draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 50 aan hem te vergoeden.” 1.
  6. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 20 augustus 2024 een verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb gedaan. De griffier van het Hof heeft de Inspecteur bij bericht van 23 augustus 2024 erop gewezen dat zijn verzoek niet in behandeling kon worden genomen en hem verzocht het verzoek in gewijzigde vorm in te dienen. De Inspecteur heeft het verzoek op 6 september 2024 opnieuw ingediend. 1.
  7. Belanghebbende is bij bericht van 9 september 2024 in de gelegenheid gesteld op het verzoek van de Inspecteur te reageren en aan te geven of behoefte bestaat aan een mondelinge behandeling van het verzoek van de Inspecteur. Belanghebbende heeft bij brief van 20 september 2024 op het verzoek van de Inspecteur gereageerd en daarbij niet verzocht om een mondelinge behandeling. 1.
  8. De geheimhoudingskamer heeft besloten het verzoek zonder zitting te behandelen. Oordeel van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank
  9. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “
  10. Bij de beoordeling van het verzoek van verweerder heeft als uitgangspunt te gelden dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb aan eiser en aan de rechter dienen te worden overgelegd. De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb, brengt echter niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of mede te delen dat uitsluitend de bestuursrechter kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). Ingevolge artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is beperkte kennisneming enkel toegestaan met toestemming van de andere partij.
  11. Bij geheimhouding of beperkte kennisneming van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid wordt betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding of beperkte kennisneming aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding of beperkte kennisneming rechtvaardigen.
  12. Het 8:29-verzoek ziet op de volgende stukken (waarbij tussen haakjes het door verweerder gehanteerde stuknummer is vermeld): een brief van 8 december 2016 van [naam 1] aan de Belastingdienst (stuk 1.1); een brief van 23 mei 2017 van de Belastingdienst aan [naam 1] (stuk 1.2); een brief van 12 september 2017 van [naam 1] aan de Belastingdienst (stuk 1.3); het verslag van een gesprek op 12 oktober 2017 tussen [naam 1] en de Belastingdienst (stuk 1.4); e-mailcorrespondentie tussen de [naam 2] , [naam 1] en de Belastingdienst (stuk 1.5); een tabel door verweerder aangeduid als “Getraceerde belastingplichtigen optieconstructie december 2017” (stuk 1.6).
  13. De geheimhoudingskamer heeft kennisgenomen van de weggelakte passages. Deze stukken zijn vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van eiser bij kennisneming tegenover de redenen van verweerder om eiser geen kennis te laten nemen van die stukken.
  14. Eiser stelt in zijn reactie op het 8:29-verzoek dat hij in zijn processuele positie wordt geschaad. Volgens hem vormen de stukken waar het 8:29-verzoek op ziet geen op de zaak betrekking hebbende stukken, maar kan hij dat, zonder enige naamsvermelding, niet aannemelijk maken. Eiser verzoekt de geheimhoudingskamer om het 8:29-verzoek om die reden af te wijzen.
  15. De geheimhoudingskamer ziet in hetgeen door eiser is aangevoerd geen aanleiding om het 8:29-verzoek af te wijzen. De geheimhoudingskamer gaat ervan uit dat de stukken die door verweerder worden overgelegd op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. De beoordeling van de vraag of daarvan ook daadwerkelijk sprake is, is voorbehouden aan de rechter die de zaak inhoudelijk beoordeelt. Indien die rechter tot de conclusie komt dat de overgelegde stukken niet relevant kunnen zijn om tot een oordeel te komen en geen rol gespeeld kunnen hebben bij de besluitvorming door verweerder, zal hij ze niet meewegen in zijn oordeel. Stukken 1.1, 1.2 en 1.3
  16. De weggelakte stukken betreffen namen en contactgegevens van medewerkers van de Belastingdienst, [naam 1] en een derde. Verweerder beroept zich op de privacy van deze personen. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is daarmee sprake van een gewichtige reden die beperkte kennisneming van de weggelakte passages rechtvaardigt. De geheimhoudingskamer acht de privacy van de genoemde personen van groter belang dan het belang dat eiser heeft bij kennisname van de betreffende informatie. Het 8:29-verzoek slaagt voor zover het betrekking heeft op de namen en contactgegevens in de stukken 1.1, 1.2 en 1.
  17. Bij de versie van stuk 1.3 die aan de geheimhoudingskamer is voorgelegd, is als bijlage een brief van 28 augustus 2017 van [naam 1] aan de Belastingdienst gevoegd. Voor deze brief en de daarbij gevoegde bijlagen verzoekt verweerder integraal om beperkte kennisneming. Verweerder beroept zich daarbij op de privacy van een derde. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee geen sprake van een gewichtige reden die beperkte kennisneming van de integrale tekst van de brief en bijlagen rechtvaardigt. Om de privacy van een derde te waarborgen kan verweerder een versie overleggen waarin namen, contactgegevens en andere tot personen te herleiden gegevens zijn weggelakt. Het 8:29-verzoek slaagt niet voor zover het betrekking heeft op de brief van 28 augustus 2017 en de daarbij gevoegde bijlagen. Stuk 1.4
  18. De weggelakte stukken betreffen namen en contactgegevens van medewerkers van de Belastingdienst, [naam 1] en een derde. Verweerder beroept zich op de privacy van deze personen. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is daarmee sprake van een gewichtige reden die beperkte kennisneming van de weggelakte passages rechtvaardigt. De geheimhoudingskamer acht de privacy van de genoemde personen van groter belang dan het belang dat eiser heeft bij kennisname van de betreffende informatie.
  19. Bij de versie van stuk 1.4 die aan de geheimhoudingskamer is voorgelegd, is een naschrift opgenomen. Dit naschrift betreft een interne nabespreking door werknemers van de Belastingdienst. Verweerder verzoekt integraal om beperkte kennisneming van het naschrift en beroept zich daarbij op het controle-strategische belang dat hij daarbij heeft. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is daarmee sprake van een gewichtige reden die beperkte kennisneming rechtvaardigt. De geheimhoudingskamer acht het belang dat verweerder heeft bij het vrijelijk kunnen bepalen van zijn procespositie groter dan het belang dat eiser heeft bij kennisname van het naschrift. Het 8:29-verzoek slaagt voor zover het betrekking heeft op stuk 1.4, inclusief het daarbij gevoegde naschrift. Stuk 1.5
  20. De weggelakte stukken betreffen namen en contactgegevens van medewerkers van de Belastingdienst, [naam 1] en de [naam 2] . Verweerder beroept zich op de privacy van deze personen. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is daarmee sprake van een gewichtige reden die beperkte kennisneming van de weggelakte passages rechtvaardigt. De geheimhoudingskamer acht de privacy van de genoemde personen van groter belang dan het belang dat eiser heeft bij kennisname van de betreffende informatie. Het 8:29-verzoek slaagt voor zover het betrekking heeft op stuk 1.
  21. Stuk 1.6
  22. De weggelakte stukken betreffen identificatienummers. Verweerder beroept zich op de privacy van de aan deze nummers gekoppelde personen. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is daarmee sprake van een gewichtige reden die beperkte kennisneming van de weggelakte passages rechtvaardigt. De geheimhoudingskamer acht de privacy van de genoemde personen van groter belang dan het belang dat eiser heeft bij kennisname van de betreffende informatie. Het 8:29-verzoek slaagt voor zover het betrekking heeft op stuk 1.
  23. Gelet op het voorgaande wijst de geheimhoudingskamer het 8:29-verzoek af voor zover het ziet op de brief van 28 augustus 2017 van [naam 1] aan de Belastingdienst en de daarbij gevoegde bijlagen. Verweerder wordt in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na dagtekening van deze beslissing schriftelijk mede te delen of hij instemt met voeging van deze brief en bijlagen. Indien hij daarmee instemt verzoekt de geheimhoudingskamer verweerder om van deze stukken een versie te verstrekken die aan eiser mag worden verzonden. Indien verweerder niet instemt kan de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekking maken die hem geraden voorkomt. Voor het overige wijst de geheimhoudingskamer het 8:29-verzoek toe. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na dagtekening van deze beslissing schriftelijk mede te delen of hij toestemming verleent voor beperkte kennisneming.” Overwegingen 3.
  24. De geheimhoudingskamer stelt voorop dat zij geen beslissing kan nemen over de vraag of de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken zoals bedoeld in artikel 8:42 Awb heeft overgelegd. Deze beslissing is voorbehouden aan de zetel die de hoofdzaak zal behandelen. De geheimhoudingskamer kan alleen beslissen op het verzoek van de Inspecteur op de voet van artikel 8:29 Awb. 3.
  25. Op grond van artikel 8:29, lid 1, Awb kan de Inspecteur, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren stukken, of gedeelten daarvan, te overleggen (geheimhouding) dan wel deze alleen aan de rechter ter kennis brengen (beperkte kennisneming). Ingevolge artikel 8:29, lid 5, Awb is beperkte kennisneming enkel toegestaan met toestemming van de andere partij. Bij de toepassing van artikel 8:29 Awb dient de grootst mogelijke terughoudendheid te worden betracht. Slechts indien de door de Inspecteur aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die de weigering om stukken ongeschoond te verstrekken rechtvaardigen. 3.
  26. In alle stukken zijn namen van derden (belastingadviseurs en één andere belastingplichtige) en van medewerkers van de Belastingdienst weggelakt. De Inspecteur beroept zich op de privacy van deze personen. Het Hof sluit zich op dit punt aan bij de geheimhoudingskamer van de Rechtbank. Het belang dat deze personen hebben bij het niet bekend worden van hun identiteit, weegt zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming daarvan. Belanghebbende voert aan dat kennis van de namen van belang kan zijn om deze personen mogelijk als getuige op te roepen en een beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen. Het Hof wijst erop dat het om slechts één andere belastingplichtige gaat. Omdat de brieven over een concrete casus van één belastingplichtige gaan, ziet het Hof geen aanleiding de Inspecteur te gelasten de namen bekend te maken. Het betreft die belastingplichtige en de behandelaars van deze concrete casus. Ook zonder kennis van de namen moet de informatie in de brieven voldoende zijn voor belanghebbende om een verzoek om een getuigenverhoor of een beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen. De geheimhoudingskamer geeft in overweging om eventuele getuigen op andere wijze te horen, bijvoorbeeld door een raadsheer-commissaris. 3.
  27. De Inspecteur heeft voorts een beroep op beperkte kennisneming gedaan voor het naschrift bij bijlage 1.
  28. Net als de Rechtbank beschouwt het Hof het naschrift als een weerslag van intern beraad, waarin een opsomming wordt gegeven van de (mogelijk) te ondernemen vervolgstappen. Deze vervolgstappen hebben een controlestrategisch karakter. De Belastingdienst heeft het recht om dergelijke stappen intern te bespreken en intern te houden. 3.
  29. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft op goede gronden de juiste beslissing genomen door het verzoek van de Inspecteur gedeeltelijk toe te wijzen. Hetgeen belanghebbende in zijn reactie op het verzoek van de Inspecteur heeft aangevoerd, werpt geen ander licht op de zaak. 3.
  30. Belanghebbende heeft in zijn reactie van 20 september 2024 de zetel van het Hof die de hoofdzaak zal behandelen nog geen toestemming gegeven om mede op de grondslag van stukken waarvan de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is, uitspraak te doen, als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb. Beslissing Het Gerechtshof bepaalt dat de door de Inspecteur verzochte beperkte kennisneming gerechtvaardigd is; verzoekt belanghebbende uiterlijk op de zitting van 9 oktober 2024 mee te delen of hij erin toestemt dat de zetel die in de hoofdzaak beslist mede op grondslag van de namen en het naschrift met betrekking waartoe de geheimhoudingskamer heeft beslist dat beperkte kennisneming gerechtvaardigd is, uitspraak zal doen. Deze beslissing is gedaan door A. van Dongen, lid van de geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 2 oktober 2024 in het openbaar uitgesproken. aangetekend aan partijen verzonden: Tegen tussenbeslissingen, zoals die bedoeld in artikel 8:29, lid 3, Awb, stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie open. Tegen dergelijke beslissingen kan ingevolge artikel 28, lid 5, AWR slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.