Rolnummer: 22-002837-23 PO Parketnummer: 10-996699-16 Datum uitspraak: 11 juni 2024 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 september 2023 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1972, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Procesgang De oorspronkelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 259.474,23 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 18 september 2023 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 258.710,95 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 242.460,
- Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van heden is de betrokkene ter zake van het in zijn strafzaak bewezenverklaarde, gekwalificeerd als: feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Onderzoek van de zaak Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep kan worden bevestigd, met uitzondering van de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting en dat deze zal worden vastgesteld op een bedrag van € 258.710,95, nu compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn al in de gelijktijdig behandelde strafzaak heeft plaatsgevonden en dit daarom niet (ook) in de ontnemingszaak hoeft plaats te vinden. Beoordeling van het vonnis Het hof zal het vonnis van de rechtbank om proces-economische redenen vernietigen. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de betrokkene vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in de voetnoten zijn vervat en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel. Grondslag voor de ontnemingsmaatregel Het hof is van oordeel dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de in de onderliggende strafzaak begane strafbare feiten en uit andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. In de onderliggende strafzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon plegen van valsheid in geschrift, in verband waarmee aan werknemers een netto uurloon is betaald dat lager was dan het wettelijk minimum uurloon. Het verschil kwam ten goede aan [bedrijf] , het door de betrokkene gedreven uitzendbureau, en via deze onderneming aan de betrokkene zelf. In de strafzaak is bewezenverklaard dat in dat kader valsheid in geschrift is gepleegd ten aanzien van salarisspecificaties en valse kwitanties op naam van een vijftal werknemers, welke valse stukken zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie. Het hof is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat binnen [bedrijf] , onder de feitelijke leiding van de verdachte, in dezelfde periode ten aanzien van meerdere werknemers met Oost-Europese namen strafbare feiten zijn gepleegd, soortgelijk aan het hiervoor genoemde bewezenverklaarde strafbare feit. Immers hebben ook andere werknemers, waaronder [werknemer 1] , [werknemer 2] , [werknemer 3] , [werknemer 4] en [werknemer 5] verklaard dat op deze manier gefraudeerd werd. Bovendien wijzen de in de woning en auto van de betrokkene en op de computer van [bedrijf] aangetroffen loonlijsten er op dat de betrokkene in de periode 2014 tot en met 2016 structureel fraude heeft gepleegd ten aanzien van werknemers van zijn uitzendbureau met Oost-Europese namen. Op deze lijsten zijn extra kolommen opgenomen die niet met de boekhouder van [bedrijf] zijn gecommuniceerd. Deze kennelijke schaduwadministratie is professioneel opgezet en laat de structurele en georganiseerde werkwijze van de betrokkene zien. De omstandigheid dat er andere werknemers op verzoek van de verdediging als getuige zijn gehoord die hebben verklaard dat zij wel het hogere bedrag aan salaris hebben ontvangen, is naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de namen van deze getuigen zijn opgenomen in voornoemde bij de betrokkene aangetroffen loonlijsten dat de betrokkene geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de afwijking van deze administratie ten opzichte van de stukken die hij heeft aangeleverd bij de boekhouder van [bedrijf] Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel Het hof hanteert als uitgangspunt bij de berekening van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel het proces-verbaal ‘Onderzoek GUIRA’, met bijlagen, en de (aanvullende) processen-verbaal ‘berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel’ (hierna: het ontnemingsrapport). Conform het ontnemingsrapport schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de hand van het verschil tussen het uitbetaalde nettoloon en het wettelijk minimumloon in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 oktober
- Dit verschil wordt berekend op basis van de gegevens op de salarisspecificaties van werknemers van [bedrijf] en de loongegevens zoals verstrekt door de Belastingdienst in voornoemde periode. Voor alle werknemers wordt daarbij, in het voordeel van de betrokkene, uitgegaan van een door [bedrijf] uitbetaald nettoloon van € 6,50 per uur. Dit verschil betreft per jaar de volgende bedragen: Over het jaar 2014 : € 85.902,04 Over het jaar 2015 : € 82.503,37 Over het jaar 2016 (tot en met 31 oktober) : € 91.068,82 Totaal : €259.474,23 Het hof brengt hierop in mindering de bedragen € 174,84, € 317,72, € 236,88 en € 33,84 (in totaal € 763,28) die bij de werknemer Kortenko op de loonlijst dubbel zijn opgenomen. Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 259.474,23 – € 763,28 = € 258.710,
- Vaststelling van de betalingsverplichting Het hof stelt vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de berechting in eerste aanleg niet binnen twee jaren heeft plaatsgevonden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat op 3 november 2016 de betrokkene bekend is geworden met het conservatoir beslag dat ten laste van hem op de auto van een van zijn ondernemingen is gelegd. Daarmee is de betrokkene eveneens bekend geworden met de mogelijkheid dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zou worden gemaakt. Nu de rechtbank op 18 september 2023 vonnis heeft gewezen, is de redelijke termijn in eerste aanleg met circa vier jaren en tien maanden overschreden. Anders dan de advocaat-generaal, ziet het hof in de onderhavige zaak met de rechtbank aanleiding om de overschrijding te compenseren door de betalingsverplichting te matigen met een bedrag van € 16.250,-. Toepasselijk wettelijk voorschrift Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat rechtens geldt dan wel gold. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 258.710,95 (tweehonderdachtenvijftigduizend zevenhonderdtien euro en vijfennegentig cent). Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 242.460,95 (tweehonderdtweeënveertigduizend vierhonderdzestig euro en vijfennegentig cent). Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen. Dit arrest is gewezen door mr. A. de Lange, mr. W.J. van Boven en mr. M.S. Lamboo, in bijzijn van de griffier mr. M.M. Dijk. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juni
- Mr. A. de Lange is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. Proces-verbaal Onderzoek GUIRA met bijlagen van 25 april 2017, proces-verbaal berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel nummer [nummer 1] van 17 oktober 2016, en de aanvullende processen-verbaal nummers [nummer 2] en [nummer 3] van 16 januari 2017 en 28 maart
- Ontnemingsrapport, [nummer 1] . Ontnemingsrapport, [nummer 3] . Ontnemingsrapport, [nummer 4] p. 352.