GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie Zaaknummer : 200.319.634/01 Zaak- rolnummer rechtbank : C/09/594559/ HA ZA 20-575 Arrest 27 februari 2024 Inzake 1. [executeur 1] (hierna ook: [executeur 1] ) in persoon en in zijn hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [erflater 1] , laatst wonende te [woonplaats] (hierna: de erflater of [erflater 1] ), 2. [appellant 1] , wonende te [woonplaats] , Nieuw-Zeeland, 3. [appellant 2] , wonende te [woonplaats] , 4. [appellant 3] , wonende te [woonplaats] , 5. [appellant 4] , wonende te [woonplaats] , Verenigde Staten van Amerika, 6. [appellant 5] , wonende te [woonplaats] , Verenigde Staten van Amerika, 7. [appellant 6] , wonende te [woonplaats] , 8. [appellant 7] , wonende te [woonplaats] , Nieuw-Zeeland, 9. [appellant 8] , wonende te [woonplaats] , 10. [appellant 8] , wonende te [woonplaats] , 11. de erfgenamen van [erflater 2] , zijnde [erfgenamen] , wonende te [woonplaats] , Frankrijk, allen tezamen appellanten, advocaat: mr. A.C. Kool te Amsterdam, tegen 1. [geïntimeerde 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [geïntimeerde 2] , wonende te [woonplaats] , 3. [geïntimeerde 3] , wonende te [woonplaats] , 4. [geïntimeerde 4] , wonende te [woonplaats] , 5. de executeur in de nalatenschap (als vertegenwoordiger van de erfgenamen) van [erflater 3] , zijnde [executeur 2] , kantoorhoudende te Arnhem, 6. [geïntimeerde 5] , wonende te [woonplaats] , Nieuw-Zeeland, 7. [geïntimeerde 6] , wonende te [woonplaats] , 8. de erfgenaam van [erflater 4] , zijnde [erfgenaam] wonende te [woonplaats] , 9. [geïntimeerde 7] , wonende te [woonplaats] , 10. [geïntimeerde 8] , wonende te [woonplaats] , 11. [geïntimeerde 9] , wonende te [woonplaats] , 12. [geïntimeerde 10] , wonende te [woonplaats] , 13. [geïntimeerde 11] , wonende te [woonplaats] , 14. [geïntimeerde 12] , wonende te [woonplaats] , 15. [geïntimeerde 13] , wonende te Sandringham, [woonplaats] , Nieuw-Zeeland, 16. [geïntimeerde 14] , te [plaats] , 17. [geïntimeerde 15] , wonende te [woonplaats] , l8. [geïntimeerde 16] , wonende te [woonplaats] , l9. [geïntimeerde 17] , wonende te [woonplaats] , 20. [geïntimeerde 18] , wonende te [woonplaats] , 21. [geïntimeerde 19] , wonende te [woonplaats] , 22. [geïntimeerde 20] , wonende te [woonplaats] , 23. [geïntimeerde 21] , wonende te [woonplaats] , 24. [geïntimeerde 22] , wonende te [woonplaats] , 25. [geïntimeerde 23] , wonende te [woonplaats] , 26. [geïntimeerde 24] , wonende te [woonplaats] , allen tezamen geïntimeerden, advocaat: mr. E. Bongers te Haarlem, en tegen 27. [geïntimeerde 25] , wonende te [woonplaats] , 28. [geïntimeerde 26] , wonende te [woonplaats] , 29. [geïntimeerde 27] , wonende te [woonplaats] , 30. [geïntimeerde 28] , wonende te [woonplaats] , 31. [geïntimeerde 29] , wonende [woonplaats] , 32. [geïntimeerde 30] , wonende te [woonplaats] , 33. [geïntimeerde 31] , wonende te [woonplaats] , 34. [geïntimeerde 32] , wonende te [woonplaats] , 35. [geïntimeerde 33] , wonende te [woonplaats] , 36. [geïntimeerde 34] , wonende te [woonplaats] , 37. [geïntimeerde 35] , wonende te [woonplaats] , 38. [geïntimeerde 36] , wonende in de [gemeente] , allen tezamen geïntimeerden aan wie verstek is verleend. Het verloop van het geding Op 26 oktober 2022 zijn appellanten in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) op 27 juli 2022 tussen partijen gewezen (hierna ook: het bestreden vonnis). Bij memorie van grieven van 14 februari 2023 hebben appellanten acht grieven geformuleerd. Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden de grieven weersproken. Op 27 juni 2023 hebben appellanten nog een akte uitlating producties genomen. Op 25 juli 2023 hebben geïntimeerden nog een antwoordakte genomen. Het vonnis van 27 juli 2022 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis als volgt beslist. De rechtbank in conventie en in reconventie: 5.1. keurt de door de executeur en bewindvoerder [executeur 1] tot dusver afgelegde administratieve rekening en verantwoording van zijn kosten van executele en bewind af; 5.2. bepaalt dat de executeur en bewindvoerder [executeur 1] in dit geval in deze nalatenschap in redelijkheid een bedrag van in totaal € 66.000,- exclusief BTW, dat is dus € 79.860,- inclusief 21% BTW voor redelijke kosten van executele, bewind en afwikkeling in rekening mag brengen ten laste van de nalatenschap; 5.3. veroordeelt [executeur 1] om uiterlijk op 1 oktober 2022 voor eigen rekening en op eigen kosten bij wijze van door hem aan de erfgenamen te betalen schadevergoeding met wettelijke rente het banksaldo van de door hem beheerde erfgenamenrekening bij ING Bank te hebben aangevuld met een zodanig bedrag, dat die erfgenamenrekening daarna een positief banksaldo vertoont van in totaal € 152.905,85 zoals hiervoor door de rechtbank is begroot in alinea 4.25., en veroordeelt [executeur 1] uiterlijk op 1 oktober 2022 als bewijsstuk en ter controle een bankafschrift van de erfgenamenrekening met een positief banksaldo van € 152.905,85 te hebben verstrekt aan mr. Bolweg; 5.4. bepaalt dat [executeur 1] vervolgens na uiterlijk 1 oktober vanuit en met dat door hem aangevulde banksaldo op de erfgenamenrekening van € 152.905,85 daarna vóór 1 december 2022 en dus uiterlijk op 30 november 2022 op zijn eigen kosten de nalatenschap moet hebben afgewikkeld en verdeeld en aan alle 48 erfgenamen de eindbetalingen van hun erfdelen moet hebben gedaan, alles op de wijze zoals de rechtbank hiervoor nader heeft overwogen en bepaald in de alinea's 4.26. t/m 4.28.; 5.5. veroordeelt [geïntimeerde 1] om een immateriële schadevergoeding van € 2.000,- te betalen aan [executeur 1] , wegens de hiervoor in alinea 4.34. opgesomde onrechtmatige openbare uitlatingen over en tegen [executeur 1] door [geïntimeerde 1] in 2017 en in 2018; 5.6. veroordeelt [geïntimeerde 20] om een immateriële schadevergoeding van € 8.000,- te betalen aan [executeur 1] , wegens de hiervoor in alinea 4.36. opgesomde onrechtmatige openbare uitlatingen over en tegen [executeur 1] door [geïntimeerde 20] in 2017 en in 2022; 5.7. verbiedt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 20] met onmiddellijke ingang om zich op onrechtmatige wijze, in woord of geschrift, direct of indirect in het openbaar waaronder tevens te verstaan via internet, websites of weblog op het internet of anderszins richting alle erfgenamen uit te laten over [executeur 1] , meer in het bijzonder om [executeur 1] te beschuldigen van bedrog, valsheid in geschrifte of soortgelijke vergrijpen of daarnaar verwijzende opmerkingen te maken, met bepaling dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 20] voor iedere overtreding van het hiervoor vermelde verbod een dwangsom verbeuren van € 500,-, met een maximum van € 50.000,-; 5.7. veroordeelt [executeur 1] tot betaling aan eisers in conventie van hun proceskosten in conventie, door de rechtbank hiervoor in alinea 4.46. begroot op in totaal € 12.198,55, dat bedrag nog te vermeerderen met € 85,- aan forfaitaire nakosten in geval van betekening, en alles te betalen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 15de dag na de datum van dit vonnis; 5.8. veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 20] hoofdelijk tot betaling aan [executeur 1] van een deel van zijn proceskosten in reconventie, dat deel door de rechtbank hiervoor in alinea 4.47. begroot op in totaal € 1.289,-, nog te vermeerderen met € 85,- aan forfaitaire nakosten advocaat in geval van betekening, alles te betalen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 15de dag na de datum van dit vonnis; 5.9. compenseert voor het overige deel de proceskosten in reconventie aldus, dat iedere procespartij in reconventie de eigen kosten moet dragen; 5.10. verklaart dit vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad; 5.11. wijst af al hetgeen in conventie en in reconventie meer of anders is gevorderd. De vordering van appellanten De vordering van appellanten luidt als volgt: Alsdan te horen eis doen en concluderen dat het het Gerechtshof moge behagen het vonnis van 27 juli 2022, gewezen tussen appellanten als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en geïntimeerden als eisers in conventie, gedaagden in reconventie door de rechtbank Den Haag met zaak- en rolnummer C/09/594559 HA ZA 20-575, met uitzondering van het dictum sub 5.5, 5.6 en 5.7 (de rechtbank heeft tweemaal in het dictum een r.o. 5.7 opgenomen zodat het hof ervan uitgaat dat hier uitsluitend de ‘eerste’ r.o. 5.7 bedoeld zal zijn) te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van geïntimeerden af te wijzen en de volgende vorderingen van appellanten toe te wijzen: I. voor recht te verklaren dat appellant sub 1 als executeur op basis van de rekening en verantwoording tot 26 april 2017 alsmede de in het geding gebrachte aanvullende rekening en verantwoording en het overzicht van de nog te maken kosten, deugdelijke rekening en verantwoording heeft afgelegd over het door hem gevoerde beheer; II. toestemming aan appellant sub 1 te verlenen zijn facturen in productie 63B en de facturen van de nog in rekening te brengen uren van de executeur, zoals ingeschat in productie 63 C, alsmede de facturen van mr Kool van productie H8a en b te voldoen van de ervenrekening; III. geïntimeerden te veroordelen in alle (on)kosten gemaakt door de executeur na 26 april 2017, te weten een bedrag van € 96.009,36 conform productie H12c, te voldoen door storting op de ervenrekening; IV. onder de voorwaarde dat uw hof geïntimeerden veroordeelt in de proceskosten, te weten de kosten deurwaarder conform productie H8a en het griffierecht, de verdeling van de nalatenschap vast te stellen conform productie 59 en onder de voorwaarde dat uw hof geïntimeerden niet veroordeelt in de proceskosten, de verdeling vast te stellen conform productie H12 a, b of c; V. toestemming aan appellant sub 1 te verlenen om het door hem naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank van 27 juli 2022 op de ING rekening [rekeningnummer] gestorte bedrag van € 104.411,66 terug te storten op zijn eigen rekening en de betalingen voor de verdeling zoals door uw hof aangegeven te verrichten van genoemde bankrekening; VI. [geïntimeerde 20] en [geïntimeerde 1] te veroordelen de door de rechtbank toegewezen immateriële schadevergoeding binnen 2 weken na een door uw hof te wijzen arrest aan de [executeur 1] te voldoen; VII. geïntimeerden te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, alsmede in de nakosten begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, beiden te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW althans 6:119a BW vanaf de dag van de veroordeling tot aan de dag der algehele voldoening. De beoordeling van het hoger beroep Inleiding 1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten tenzij tegen de feiten een grief is gericht. 2. Voor de leesbaarheid van dit arrest geeft het hof in het kort de casus weer. Op [datum 1] 2016 is overleden [erflater 1] . Erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Op basis van het testament waren er 48 erfgenamen. Erflater heeft [executeur 1] benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Tussen partijen – en met name tussen [executeur 1] en de geïntimeerden – is een geschil ontstaan met betrekking tot de rekening en verantwoording die [executeur 1] diende af te leggen met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap van erflater en de door [executeur 1] in rekening gebrachte kosten. De omvang van de nalatenschap was € 469.053,- en de kosten die [executeur 1] in rekening heeft gebracht tot 17 maart 2017 € 88.790,26. Nadien zijn de kosten nog aanzienlijk gestegen. 3. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank een aantal kerngeschillen geformuleerd. In rechtsoverweging (hierna r.o.) 4.5 formuleert de rechtbank het eerste kerngeschil te weten: “Het eerste kerngeschil in deze procedure is of de administratieve rekening en verantwoording door de executeur en bewindvoerder [executeur 1] van al zijn forse en via betaling van zijn vele declaraties al ten laste van de nalatenschap gebrachte kosten moet worden goedgekeurd of moet worden afgekeurd.” 4. In r.o. 4.12 formuleert de rechtbank het tweede kerngeschil te weten: “Het tweede kerngeschil in deze procedure is of en in hoeverre al die in rekening gebrachte kosten van de executeur en bewindvoerder [executeur 1] in dit geval in deze nalatenschap wel of niet redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt en civielrechtelijk dus wel of niet ten laste van de nalatenschap mogen komen.” 5. In r.o. 4.22 gaat de rechtbank in op het derde kerngeschil tussen partijen te weten: de eventuele schadevergoeding die [executeur 1] aan de nalatenschap moet voldoen alsmede de verdere verdeling en afwikkeling van de nalatenschap van erflater door [executeur 1] . De grieven 6. Het hof bespreekt de grieven in de context van de door de rechtbank geformuleerde kerngeschilpunten; hiermee wordt voorkomen dat de procedure verzandt in de vele niet ter zake doende details die door appellanten zijn aangevoerd. Voorts zal het hof de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken gezien de onderlinge samenhang. 7. Voor de leesbaarheid van het arrest duidt het hof appellanten met de naam van [executeur 1] ; hij is degene die de werkzaamheden als executeur en afwikkelingsbewindvoerder heeft uitgevoerd en het is [executeur 1] die de kosten in rekening heeft gebracht. 8. Het hof is van oordeel dat de rechtbank haar vonnis van 27 juli 2022 op goede gronden heeft gewezen en het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt die, na een eigen afweging, tot de zijne. Naar het oordeel van het hof heeft [executeur 1] in zijn grieven en daarbij behoorde toelichting geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden. Het hof komt dus tot een bekrachtiging van het bestreden vonnis en zal dit als volgt nader toelichten. 9. In de derde grief stelt [executeur 1] onder meer: “Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4.12 tot en met 4.17 bepaald dat zij zelf de knoop zal doorhakken en [executeur 1] niet alsnog in de gelegenheid zal stellen zijn taak te verbeteren omdat hij daar nu al vijf jaar de tijd voor heeft gehad, maar dat heeft nagelaten en de rechter om diezelfde praktische redenen geen deskundige zal benoemen. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat zij door het gebrek aan behoorlijke rekening en verantwoording slechts in algemene zin kan oordelen welk totaalbedrag een redelijk en behoorlijk handelend executeur in redelijkheid in rekening mocht brengen en voorbijgaan aan het gedetailleerde partijdebat, mede omdat dit slechts de meest treffende voorbeelden zouden zijn.” 10. In de toelichting op de grief wordt nog het navolgende naar voren gebracht:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.