GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-23/370 Uitspraak van 3 april 2024 in het geding tussen: [X] , te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: D.A.N. Bartels) en de heffingsambtenaar van de Regionale Belastinggroep, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 7 april 2023, nummer ROT 22/659. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij op één aanslagbiljet verenigde beschikkingen op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) van de hierna te noemen in [woonplaats] gelegen onroerende zaken (de onroerende zaken) voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op een bedrag van: Nr Object Waarde 1. [adres 1] ( [adres a] + [adres b] ) € 658.000 2 [adres 2] € 236.000 Met de beschikkingen zijn op hetzelfde aanslagbiljet bekendgemaakt en verenigd de voor het jaar 2021 ter zake van de onroerende zaken opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen (de aanslagen). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de onder 1.1 genoemde beschikkingen en aanslagen bezwaar gemaakt; het bezwaarschrift is door de Heffingsambtenaar ontvangen op 9 april 2021. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar tegen de beschikkingen en de aanslagen ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Van belanghebbende is € 50 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om een vergoeding voor immateriële schade afgewezen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Voor de behandeling van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 15 januari 2024 nadere stukken ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 februari 2024. De gemachtigde van belanghebbende is verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaken. 2.2. De Heffingsambtenaar heeft voor de onroerende zaak [adres 1] een taxatieverslag en een taxatierapport overgelegd en voor de onroerende zaak [adres 2] een taxatierapport met een matrix. In de taxatierapporten en de matrix zijn gegevens opgenomen van de desbetreffende onroerende zaak en van enkele andere onroerende zaken. [adres 1] 2.3. De [adres 1] is een horecaruimte die is verhuurd aan [naam horeca] . In het taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak bepaald met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode. Kort gezegd wordt in deze methode de waarde van de onroerende zaak berekend door vermenigvuldiging van de brutohuurwaarde (bhw) van de onroerende zaak met een brutohuurwaardekapitalisatiefactor (bhwkf). 2.4 De bhw van de onroerende zaak is herleid uit de voor vier andere onroerende zaken (de huurreferenties) gerealiseerde huurprijzen. Bij die herleiding is uitgegaan van de in het onderstaande overzicht vermelde gegevens. Objecten [adres 1] [adres 3] [adres 4] [adres 5] [adres 6] […] Gemeente [woonplaats] Soort object Café/bar/restaurant idem idem idem idem Bouwjaar 1875 1850 1899 1893 1550 b.v.o (m2) 318 144 490 138 221 Jaarhuur per 01-01-2020 Onbekend 32.072 91.975 39.000 48.000 Ingangsdatum huurcontract Onbekend 10-4-2019 1-1-2016 24-5-2019 1-2-2019 Incentives Onbekend geen nee nee nee Gemiddelde huurwaarde/m2 (€) 177 Gemiddelde jaar- huur per m2 -- 222,72 187 ,70 282,60 217,19 Onderhoud [1] Voldoende voldoende voldoende voldoende voldoende Ligging [2] zeer goed zeer goed zeer goed voldoende goed Opmerkingen Geen geen geen geen nieuw huurcon-tract aan zittende huurder [1] In het taxatierapport is de kwalificatie “voldoende” van de staat van onderhoud van zowel [adres 1] als de huurreferenties nader ingevuld als “ geen directe onderhoudswerkzaamheden noodzakelijk”. [2] In het taxatierapport is de kwalificatie “zeer goed” van de ligging van zowel [adres 1] als drie van de vier huurreferenties ( [adres 3] , [adres 4] en [adres 6] ) nader ingevuld als “zeer goede courantheid” en is de kwalificatie “voldoende” van de ligging van de huurreferentie [adres 5] nader ingevuld als “gemiddelde courantheid”. 2.5. De Heffingsambtenaar heeft de door hem voorgestane bhwkf van 11,7 onderbouwd met gebruikmaking van het “Rekenblad Bruto Kapitalisatiefactor” (het rekenblad). Het rekenblad is gebaseerd op de Taxatiewijzer en kengetallen Deel 24 Huurwaardekapitalisatie waardepeildatum 2020 (de Taxatiewijzer HWK). Aan het rekenblad worden de volgende gegevens ontleend. Algemene en objectgegevens (…) Huurwaarde € 56.286 Herbouwwaarde € 523.946 Exploitatielasten (§ 3.4.) % van de % van de huurwaarde herbouwwaarde Onderhoudskosten (§ 3.4.1.) 2,4% 0,3 % Vaste lasten (§ 3.4.2) 4,2% 0,5% Beheerskosten (§ 3.4.3) 2,4% 0,3% Leegstandsrisico (§ 3.4.4) 10,0% 1,1% Totaal Leegstand uitgedrukt in maanden per 10 jaar maanden: 12 Netto huur als % van de bruto huur 81% Yield Basisrendement (§ 3.3.1) min 0,17% Opslagrisico (§3.3.2) 5,70% Netto Yield 6,53% Netto factor (1/Netto Yield) 15,3 Netto huur % * Netto factor 12,4 Correctie kosten Correctie kosten koper 6,3% Opslagrisico (§3.3.2) 5,70% Bhwkf Brutofactor afgerond op 1 decimaal 2.5.1. De [adres 1] is een boomrijk terrassenplein met bars, cafés en restaurants en een van de voornaamste uitgaanscentra van [woonplaats] . Het ligt vlakbij de grote winkelstraat en bezienswaardigheden, zoals de [kerk] en het [stadhuis] . Het plein is een toplocatie in de binnenstad van [woonplaats] . 2.5.2. Op 23 februari 2023 heeft er een geveltaxatie plaatsgevonden. Op basis hiervan is de kwaliteit en luxe door de Heffingsambtenaar als voldoende gekwalificeerd. 2.5.3. Over de ligging van de referentieobjecten in vergelijking met [adres 1] , begane grond merkt de Heffingsambtenaar het volgende op: Referenties [adres 4] en [adres 3] zijn gelegen op hetzelfde horecaplein als het onderhavige object en hebben een identieke ligging als het object [adres 1] . [adres 6] is evenals het onderhavige object gelegen in het centrum van [woonplaats] en heeft hierdoor een goede ligging. [adres 5] is net gelegen buiten het loopgebied van het winkelend publiek en heeft daardoor een mindere ligging dan het onderhavige object en de andere referentieobjecten. 2.5.4. [adres 1] heeft volgens de Heffingsambtenaar een huurwaarde per m2 van € 177. De door hem berekende gemiddelde huurwaarde per m2 van de huurreferenties bedraagt € 227,55. In het taxatierapport is hierover vermeld: “Een verschil van € 50,55 per vierkante meter ten voordele van [adres 1] wat inhoudt dat de huurwaarde daarvan € 16.074,90 lager is vastgesteld wat neerkomt op een huurvrije periode van 3,4 maanden. In de berekening van de kapitalisatiefactor is uitgegaan van een risico-opslag behorende bij winkels. Het gehanteerde percentage is 6,7%”. 2.6. De Heffingsambtenaar heeft tijdens de hoorzitting en per e-mail van de [adres 1] het huurcontract, de actuele jaarhuur en eventuele gegeven huurkortingen bij de gemachtigde opgevraagd om te kunnen beoordelen of de door hem vastgestelde huurwaarde niet te hoog is en om rekening te kunnen houden met wijzigingen in de corona-periode. Belanghebbende heeft de gevraagde informatie niet verstrekt. [adres 2] 2.7. De onroerende zaak [adres 2] is een appartement (maisonnette) met een berging, gebouwd in 2014, gelegen in het " [naam] ", een klein appartementengebouw in de wijk [wijk] in [woonplaats] . De oppervlakte is 84 m2. De Heffingsambtenaar heeft in de door hem overgelegde matrix de onroerende zaak gewaardeerd op € 286.000. Hij heeft de verkoopgegevens van drie appartementen in de vergelijking betrokken, die alle gelegen zijn in dezelfde straat: [adres 7] , [adres 8] en [adres 9] . [adres 7] is gelegen in hetzelfde appartementencomplex als het appartement van belanghebbende. De vergelijkingsverkopen betreffen alle verkopen door een woningbouwvereniging in het kader van de Koopcomfortregeling (het zgn. koopsomgarantiestelsel). Deze regeling houdt in dat door een taxateur van de woningbouwvereniging een vaste (niet onderhandelbare) koopprijs is bepaald en dat bij verhuizing de woningbouwvereniging de woning gegarandeerd binnen drie maanden tegen een door een taxateur bepaalde prijs terugkoopt waarbij winst of verlies voor rekening van de verkoper is. Vergelijkingsobjecten Object blh. [adres 2] [adres 7] [adres 8] [adres 9] […] soort woning Appartement appartement appartement appartement Wijk [wijk] idem idem idem Bouwjaar 2014 2014 2011 2011 gebruiksoppervlakte (m2) 86 96 123 88 KOUDV-factoren 3-3-3-3-3 3-3-3-3-3 3-3-3-3-3 3-3-3-3-3 WOZ-waarde (€) 236.000 -- -- -- koopsom (€) -- 315.000 295.000 277.500 datum levering (€) -- 8-5-2020 13-12-2019 24-092020 datum koopovereenkomst -- 27-2-2020 -- -- geïndexeerd (€)*) -- 315.000 295.000 255.300 waardeverandering (%) -- 0% 0% 8% berging (€) 2.000 2.000 2.000 2.000 hoofdgebouwwaarde(€)**) 234.000 313.000 293.000 253.300 €/m2***) 2.721 3.260 2.382 2.878 €/m2 na correctie oppervlakte****) -- 3.276 2.441 2.882 €/m2 na correctie KOUDV -- 3.276 3.276 2.882 *) De “geïndexeerde koopsom” is de koopsom na correctie voor de verandering van de waarde van het vergelijkingsobject tussen de datum van de koopovereenkomst en de waardepeildatum of omgekeerd. De geïndexeerde koopsom van [adres 9] is daarom 8% lager dan overeengekomen koopsom. **) een hoofdgebouw is een onroerende zaak zonder de afzonderlijk in de waardeherleiding betrokken delen daarvan. In dit geval: zonder berging ***) €/m2 is de waarde van het hoofdgebouw gedeeld door het aantal m2 gebruiksoppervlak van het hoofdgebouw. ****) de correctie oppervlakte betreft het verschil tussen de gebruiksoppervlakte van een vergelijkingsobject en de gebruiksoppervlakte van het [adres 2] . In het Taxatierapport is daarvoor het volgende staatje opgenomen: Afwijking 1m2 naar boven € 1,60 naar beneden Afwijking 1 m2 naar beneden € 1,60 naar boven Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder: “55. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die eraan moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom ervan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet WOZ blijkt dat de WOZ-waarde gelijk dient te zijn aan de prijs die de meest biedende koper betaalt na de meest geschikte voorbereiding. Deze waarde kan op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ bij niet-woningen worden bepaald door middel van een methode van kapitalisatie van de bruto huur, de huurwaardekapitalisatiemethode (de HWK-methode). Bij de waardebepaling door middel van deze methode wordt de waarde van een onroerende zaak verkregen door de huurwaarde van een object te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor. 6. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. Daartoe heeft hij een verweerschrift overgelegd met een matrix met de taxatieopbouw. Ook heeft verweerder ter zitting een toelichting hierop gegeven. 7. Tussen partijen is niet in geschil dat de WOZ-waarde van onroerende zaak [adres 1] moet worden vastgesteld aan de hand van de HWK-methode, waarbij de rechtbank zich aansluit. Ook is niet in geschil dat de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres 2] moet worden vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij wordt vergeleken met andere verkopen van woningen. Algemeen 8.1 Eiser stelt in beroep dat het bezwaar ten onrechte ongegrond is verklaard en de op het bezwaar vastgestelde WOZ-waarde nog steeds veel te hoog is. Eiser verwijst naar de inhoud van het bezwaarschrift. De meeste beroepsgronden wijzen erop, dat eiser meent, dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld maar eiser lijkt anderzijds van mening dat die waarde te laag is vastgesteld (omdat onvoldoende rekening zou zijn gehouden met “de waardehausse” (wat de rechtbank begrijpt als: de stijging van de prijzen van vastgoed) in de afgelopen jaren. 8.2 Verweerder blijft – na hertaxatie – bij de door hem vastgestelde waarden en verzoekt om verwerping van het beroep en bevestiging van de uitspraak op het bezwaarschrift. 8.3 De rechtbank overweegt dat eiser zijn beroepsgronden tot de zitting niet heeft onderbouwd op de onroerende zaken toegespitste argumenten. Voor zover eiser verwijst naar zijn bezwaarschrift geldt dat een enkele verwijzing naar een bezwaarschrift, waarop inhoudelijk is gereageerd in de beslissing waar het beroep zich tegen richt niet kan gelden als beroepsgrond, zolang niet wordt aangegeven welke gebreken er kleven aan de reactie op de bezwaren in de uitspraak op bezwaar (vergelijk: Rechtbank Haarlem 12 september 1996, ECLI:NL:RBHAA:ZF2373). Dat heeft temeer te gelden, als de belanghebbende door een gemachtigde wordt vertegenwoordigd, die geacht mag worden goede kennis te hebben van het bestuursprocesrecht. De gemachtigde van eiser heeft de gronden in de door hem ingediende stukken standaard aangevoerd in een groot aantal bij de rechtbank Rotterdam aangebrachte beroepen, zonder deze toe te spitsen op de desbetreffende onroerende zaken. De rechtbank kan daarom niet anders dan concluderen dat de waardebepalingen tot de zitting niet gemotiveerd door eiser zijn betwist en dat verweerder in het licht van de stukken die door eiser zijn ingediend voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde waarde voor beide onroerende zaken niet hoger is dan de economische waarde op de waardepeildatum. Voor zover na het voorgaande nog nodig zal de rechtbank hierna ingaan op wat eiser ter zitting naar voren heeft gebracht. [adres 1] , kapitalisatiefactor. 9.1 Eiser stelt, dat de door verweerder gehanteerde kapitalisatiefactor te hoog is. Het leegstandsriscio is te laag. Hij stelt in zijn brief van 13 maart jl. te hebben gevraagd om gegevens over de leegstand. Er wordt aangegeven, dat met 10% rekening is gehouden, maar hij ziet van dat percentage geen berekening. Volgens hem staat in [woonplaats] de helft van de zaken leeg. Als hij de lockdowns optelt komt hij op 40%. Hij wil niet alleen de gegevens per onderneming, maar ook per vierkante meter. 10% acht hij arbitrair. Er worden geen huurovereenkomsten overgelegd en evenmin een huurinformatieformulier. Hij bestrijdt dat verweerder geen informatie zou hebben over de door belanghebbende betaalde huur. In de matrix van de panden waar de huurwaarde mee wordt vergeleken wordt geen kapitalisatiefactor genoemd. Er is geen transactie geweest met betrekking tot de onroerende zaak en er is geen huur bekend. Zonder transactie en zonder gegevens over de huur kan verweerder niet zeggen: de kapitalisatiefactor is 11,7. Hij concludeert, dat verweerder de juistheid van de kapitalisatiefactor niet heeft aangetoond. 9.2 Verweerder stelt, dat eiser pas ter zitting met deze stellingen komt. In het taxatierapport wordt uitvoerig ingegaan op de opbouw van de kapitalisatiefactor en – in dat verband – op het aan te houden leegstandspercentage. Verweerder merkt onder verwijzing naar de uitspraak van Hof Amsterdam van 9 februari 2021, ECLI:GHAMS:2021:277 op, dat op de waardepeildatum nog geen sprake was van Corona, dus: van enig effect van Corona-maatregelen op de waarde van de onroerende zaken. Verweerder stelt bij de hoorzitting hebben de gemachtigde van eiser te hebben gevraagd om gegevens over de gevolgen van de Corona-maatregelen. Verweerder merkt op, dat de sluiting van horecapanden als uitvloeisel van de corona maatregelen niet hetzelfde is als “leegstand” die moet worden betrokken bij de vaststelling van de kapitalisatiefactor. Ook stelt verweerder zowel bij de hoorzitting als daarna, per mail, te hebben gevraagd om de actuele jaarhuur en eventuele kortingen. Die informatie is niet gekomen. Verweerder stelt in de uitspraak op bezwaar de berekening van de kapitalisatiefactor per mail aan eiser te hebben toegestuurd. Verweerder stelt overigens de huurwaarde enigszins te hebben aangepast. Verweerder geeft aan, dat bij de HWK-methode weliswaar geen vergelijkingsobjecten worden betrokken maar dat hij – om de aannemelijkheid van de door hem vastgestelde WOZ-waarde nog verder te onderbouwen – gewezen heeft op de vraag-verkoopprijs van (een deel van) de onroerende zaak per 2 februari 2023. Verweerder maakt daaruit op, dat de waarde in februari 2023 zo’n 35% hoger was dan de WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 2020 terwijl er geen sprake was van een dergelijke waardestijging van horecapanden in die periode. Verweerder heeft in bezwaar en beroep ter onderbouwing van de huurwaarde van de onroerende zaak [adres 1] gegevens opgenomen van een aantal andere horecapanden in het centrum van [woonplaats] . In bezwaar: de [adres 10] , de [adres 11] en de [adres 12] en in de onderbouwing huurwaarde in beroep: de [adres 3] , de [adres 4] , de [adres 5] en de [adres 6] . Verweerder heeft toegelicht, dat deze panden zijn gekozen, omdat ze aan hetzelfde horecaplein, resp. in het centrum van [woonplaats] gelegen zijn. 9.3 De rechtbank stelt vast, dat eiser in bezwaar heeft gevraagd om een (bottom
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.