ECLI:NL:GHDHA:2024:685
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie Zaaknummer : 200.317.880/01 Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/576538 / HA ZA 19-579 Arrest d.d. 16 april 2024 Inzake [appellant 1] , in haar hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van [erflaatster] wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [appellant 1] , en [appellant 2] , in zijn hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van [erflaatster] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [appellant 2] , appellanten, tevens incidenteel geïntimeerden, advocaat: mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht tegen [geïntimeerde 1] , in haar hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van [erflaatster] , wonende te [woonplaats] hierna te noemen: [geïntimeerde 1] , en [geïntimeerde 2] , in zijn hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van [erflaatster] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [geïntimeerde 2] , geïntimeerden tevens incidenteel appellanten, advocaat: mr. J.H.J. Rijntjes te Rotterdam.
Het verloop van het geding Op 5 augustus 2022 zijn appellanten in hoger beroep gekomen tegen de vonnissen van 9 maart 2022 en 20 juli 2022 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen.
Op 3 januari 2023 hebben appellanten voor grieven gediend.
Bij memorie van antwoord tevens incidenteel appel tevens akte wijziging eis hebben geïntimeerden verweer gevoerd en hebben zij zelfstandig grieven geformuleerd tegen de bestreden vonnissen en hun eis gewijzigd.
Op 4 juli 2023 hebben appellanten bij memorie van antwoord in incidenteel appel verweer gevoerd tegen de door geïntimeerden geformuleerde grieven.
Ter rolle van 14 maart 2024 hebben geïntimeerden nog twee aktes genomen tot het overleggen van stukken.
Op 14 maart 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn:
Appellanten hebben de zaak laten toelichten zonder het overleggen van pleitaantekeningen. Geïntimeerden hebben de zaak laten toelichten aan de hand van door hun advocaat opgestelde en overgelegde pleitaantekeningen. Vervolgens is meegedeeld dat het hof arrest zal wijzen op basis van het ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ingediende procesdossier.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op heden.
De beoordeling van het hoger beroep De vonnissen van 9 maart 2022 en 20 juli 2022 1. De rechtbank Rotterdam heeft in haar tussenvonnis van 9 maart 2022 een groot aantal eindbeslissingen genomen; echter in het dictum heeft de rechtbank geen einde gemaakt aan enig onderdeel van de rechtsstrijd.
De rechtbank Rotterdam heeft in haar vonnis van 20 juli 2022 als volgt beslist: “in conventie en in reconventie 3.1. gelast de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster aldus, dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de woning aan de [adres 1] verkopen en de vennootschap [Makelaar] . liquideren en dat partijen vervolgens de nalatenschap van erflaatster verdelen/vereffenen conform de uitdelingslijsten van partijen (productie 13 van [appellant 1] en [appellant 2] en productie 66 van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ), dit met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen (met name rechtsoverwegingen 2.5 tot en met 2.8), waarbij zij de op dat moment bekende waardes van de bezittingen en schulden moeten toepassen;
3.2. veroordeelt [appellant 1] om nadat de nalatenschap van erflaatster is verdeeld/vereffend de schade te vergoeden die [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben geleden door het onrechtmatig handelen van [appellant 1] , bestaande uit het tekort op de vaderlijke erfdelen dat niet uit de nalatenschap van erflaatster betaald kan worden, dit met inachtneming van hetgeen in dit vonnis is overwogen (met name rechtsoverwegingen 2.9 en 2.10);
3.3. verklaart het voorgaande uitvoerbaar bij voorraad;
3.4. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.5. wijst af het meer of anders door partijen gevorderde.”
De vordering van appellanten 2. De vordering van appellanten strekt ertoe, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bevel gegeven in het mondeling tussenvonnis op 12 mei 2021, het tussenvonnis van 9 maart 2022 en het eindvonnis van 20 juli 2022 van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, tussen partijen gewezen onder zaak- en rolnummer C/10/576538 / HA ZA 19-579, te vernietigen (voor zover de beoordeling daarvan met voorgaande grieven is ontsloten) en opnieuw rechtdoende:
I. de vorderingen van [appellant 2] en [appellant 1] (in conventie) zoals verwoord in het petitum onder III en IV en VI alsnog toe te wijzen, alle vorderingen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] in reconventie af te wijzen (voor zover deze thans zijn toegewezen) en de verdeling van de nalatenschap van moeder opnieuw vast te stellen;
II. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] te veroordelen in de (proces)kosten in beide instanties, de eventuele nakosten daaronder begrepen; althans zodanig te oordelen als Uw gerechtshof in goede justitie zal vermenen te behoren.
De incidentele vordering van geïntimeerden 3. De incidentele vordering van geïntimeerden strekt ertoe, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het principaal appel van appellanten ( [appellant 1] c.s.) ongegrond te verklaren en hen niet ontvankelijk te verklaren in hun conventionele vorderingen althans die hen als kennelijk ongegrond te ontzeggen;
II. het incidenteel appel van incidenteel appellanten ( [geïntimeerde 1] c.s.) gegrond te verklaren en om het tussenvonnis van 9 maart 2022 en het eindvonnis van 20 juli 2022, met inachtneming van al het voorgaande, gedeeltelijk, te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
III. akte vragend van de na-omschreven wijziging van reconventionele eis van incidenteel appellanten en wel dat zij hun eis wijzigen opdat uw Hof bij arrest uitvoerbaar bij voorraad t.b.v. de gemeenschap resp. [geïntimeerde 1] c.s.:
A. voor recht te verklaren dat de verklaring van wijlen mevrouw [erflaatster] , overleden [sterfdatum] 2017, bij (ver)koopovereenkomst van 18 december 2014 en het testament van erflaatster voornoemd ook van 18 december 2014 niet overeenstemt met haar wil respectievelijk haar uiterste wil en dan ook geen rechtsgevolgen hebben;
B. vordering A, ingesteld bij conclusie van 10 maart 2021, gelezen dient te worden als vordering B, dat wil zeggen, althans in geval vordering A niet toewijsbaar is:
B.1. te verklaren voor recht dat nietig is dan wel vernietigd is het testament van erflaatster voornoemd, dit op de gronden toegelicht sub 3.2 en 3.8 van de conclusie van 10 maart 2021 en ook o.a. in deze memorie (wilsonbekwaamheid; onjuiste beweegreden);
B.2 en B.3. te verklaren voor recht: -dat nietig is dan vernietigd is de koopovereenkomst van 18 december 2014 als ook de beweerde schenkingen en leningen ad € 196.995 en € 115.000 althans dat de waarde van het pand [adres 2] per de datum van de verdeling daarvan tot de nalatenschap van erflaatster behoort (gronden toegelicht 3.2 en 3.10 conclusie 10 maart 2021 c.q. 1.2 akte 21 juli 2021 en ook o.a. in deze memorie: geestelijke stoornis; nietigheid art. 7:2 lid 1 BW; misbruik van omstandigheden); -althans: ex art. 3:54 lid 2 BW in plaats van vernietiging op grond van misbruik van omstandigheden, de gevolgen van de koopovereenkomst voornoemd te wijzigen en wel in die zin, en voor recht wordt verklaard, dat [appellant 1] is verschuldigd voor de koop van het pand voornoemd, als ook de betaling door haar van, en verrekening daarvan plaatsvindt ten behoeve van de afwikkeling en verdeling van de nalatenschap van erflaatster naar rato van, een reële (niet weggeschonken) koopsom;
C1 ter zake onrechtmatig handelen, als gevorderd bij conclusie van 10 maart 2021 onder B: bevestiging al dan niet met verbetering van gronden van het tussenvonnis van 9 maart 2022 inzake schade vaderlijk erfdeel en:
C.2 ter zake onrechtmatig handelen (als vordering A of vordering B.2 en B.3 niet worden toegewezen): [appellant 1] te veroordelen tot vergoeding van de schade aan de gemeenschap althans aan [geïntimeerde 1] c.s. ter zake het onrechtmatig handelen toegelicht in par. 4 van de nadere conclusie en o.a. in grief 5 van deze memorie, zo al nodig nader op te maken bij staat, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 2014 tot de dag der algehele voldoening; subsidiair (wijziging van eis; niet: meer subsidiair, sub 15 akte 20 april 2022): de vorderingen D en E (legitieme portie) en, in geval van vernietiging in het principaal appel van het tussenvonnis, vordering F; nog meer subsidiair G. vordering G, eerder als vordering C ingesteld op 10 maart 2021, en ook overigens met wijziging van eis als hiervoor sub 5.6 omschreven, dat wil zeggen met veroordeling van [appellant 1] en [appellant 2] tot nakoming van de (oorspronkelijk bij vordering C omschreven) overeenkomst, met wijziging als na-omschreven, dat voor recht wordt verklaard i) dat de opbrengst van de verkoop van het pand [adres 1] met levering op 23 december 2022 ponds ponds gewijs toekomt aan [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] en ii) dat over het separaat verschuldigde bedrag ad € 97.500 toekomend aan [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] de wettelijke rente is verschuldigd vanaf 1 januari 2019 tot de dag der algehele voldoening en met hoofdelijke veroordeling tot betaling daarvan van [appellant 1] en [appellant 2] en iii) overigens met veroordeling van [appellant 1] c.s. tot vergoeding aan [geïntimeerde 1] c.s. van overige schade nader op te maken bij staat en iv) hen overigens te gebieden alles te doen wat nuttig en nodig is alles zoals bij conclusie op 10 maart 2021 gevorderd; in conventie en in reconventie, de vorderingen H t/m J (oorspronkelijk sub G t/m 1) en waarbij H “inzake de sub A.ii.1 en sub F bedoelde .. nietigheid / vernietiging van de .. overeenkomst ..” gelezen dient te worden: “inzake het sub A, B.2 en F bedoelde .. ontbreken van rechtsgevolgen, nietigheid / vernietiging van ..” en I “gesteld” gelezen dient te worden: “.. gesteld en gevorderd ..”;
K. met bevel aan, althans tot veroordeling van, [appellant 1] c.s. tot het verstrekken in afschrift aan [geïntimeerde 1] c.s. van de stukken gespecificeerd sub 3.47 onder a t/m e (stukken 2014), als ook bij pv/bevel van 12 mei 2021 (stukken 2018), alles binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis en op verbeurte van een dwangsom ad € 500,- per schriftelijk stuk dat niet verstrekt worden en voor elke dag dat [appellant 1] c.s. nalaat deze stukken te verstrekken;
L. inzake ‘sieraden’ respectievelijk ‘opbrengst [adres 1] ’: [appellant 1] c.s. te veroordelen binnen 7 dagen na het in deze te wijzen (tussen)arrest:
Wat is de oorzaak van deze procedure?
Koopprijs gelijk aan de WOZ waarde € 603.000 Te verminderen het gebruiksrecht van erflaatster € 180.900 Resteert een koopprijs van € 422.100 De koopprijs is als volgt door [appellant 1] voldaan:
Verrekening met het vaderlijk erfdeel € 94.398 Verrekening met de rente van 6% € 15.747 Lening van erflaatster aan [appellant 1] € 115.000 Schenking erflaatster aan [appellant 1] € 196.555 7. Het hof heeft voormelde bedragen ontleend aan de notariële overeenkomst van verkoop en levering van de hiervoor genoemde woning.
Is de vordering van geïntimeerden in appel te begrijpen?
Onrechtmatige daad van [appellant 1] ?
Bezwaarlijk kan gezegd worden dat [appellant 1] onrechtmatig heeft gehandeld door geen melding te maken van de vordering van de vennootschap op erflaatster. De kandidaat-notaris was immers op de hoogte van deze vordering. Hetzelfde geldt voor de schuldbekentenissen van vader aan de kinderen.
De rechtbank maakt niet duidelijk welke rechtsregel of rechtsnorm is geschonden. Het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gemotiveerd.
Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat [appellant 1] onrechtmatig jegens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] heeft gehandeld, omdat dit tot gevolg had dat de vaderlijke schulden aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] niet volledig betaald konden worden uit de nalatenschap van erflaatster.
Het tekort op de vaderlijke erfdelen is door [appellant 1] in eerste aanleg begroot op een bedrag van € 25.718,59 per kind. Dit is het verschil tussen de hoogte van de vorderingen inclusief de rente op het moment van overlijden van erflaatster (€ 128.319,21) en het bedrag dat uit de nalatenschap wordt verkregen (begroot op € 102.600,62).
Het feit dat de vorderingen (de vaderlijke erfdelen) na het overlijden van moeder niet zijn voldaan, is immers gelegen in de tussen partijen gerezen geschillen die een spoedige afwikkeling van de nalatenschap in de weg staan.
Voor zover het hof dit kan vaststellen, heeft de notaris het niet noodzakelijk geacht om het stappenplan te volgen met betrekking tot de geestesgesteldheid van erflaatster. Het feit dat erflaatster wellicht in 2013 – al dan niet rondom een ziekenhuisopname onder invloed van een delier – haar wil niet kon bepalen, of dat zij voor die tijd al als licht dementerend werd aangemerkt, wil niet zeggen dat zij op het moment van het passeren van de akte op 18 december 2014 haar wil hierover niet kon bepalen. Naar het oordeel van het hof is de transactie tussen erflaatster en [appellant 1] onder normale omstandigheden tot stand gekomen, althans is onvoldoende gesteld om vast te kunnen stellen dat dit niet het geval is geweest.
Ook met betrekking tot de prijs van het woonhuis is van een fiscaal acceptabele waarde uitgegaan, geïntimeerden vermelden zelf een waarde van € 600.000. Het feit dat erflaatster bij de verkoop/koop van het woonhuis een bedrag van € 196.955 schenkt aan [appellant 1] , aan haar een lening verstrekt van € 115.000 en een deel van de koopprijs verrekent met een schuld die zij heeft aan [appellant 1] , kan in beginsel niet worden toegerekend aan [appellant 1] . Voor zover geïntimeerden betogen dat door de verkoop/koop schade ontstond jegens de andere kinderen, merkt het hof op dat na de verrekening van de schuld van erflaatster aan [appellant 1] , zijnde de rentedragende schuld uit hoofde van het testament van erflater, erflaatster restte de schulden aan haar overige kinderen, die onverminderd rente bleven dragen.
Daarnaast dient aandacht te worden besteed aan de waardering van het recht van gebruik en bewoning dat immers op een forfaitaire wijze is vastgesteld mitsdien geen rekening houdt met het overlijdensrisico. Ten tijde van de verkoop/koop verkreeg erflaatster een vordering op [appellant 1] ter grootte van € 115.000. Op het moment van het verrichten van de rechtshandeling beschikte erflaatster dan ook over voldoende middelen ook aan de andere kinderen haar schulden, te vermeerderen met de rente, te voldoen. Dat laat onverlet de wens van erflaatster om [appellant 1] te bevoordelen, die eveneens tot uitdrukking komt in het testament van erflaatsters (het hof verwijst naar artikel 5).
Een mogelijke waardedaling van het woonhuis komt vanaf de datum verkoop/koop voor rekening van [appellant 1] . Het feit dat de kandidaat-notaris heeft gewezen op de oprenting van de vorderingen van erflater geeft nog geen antwoord op de vraag of het vermogen van erflaatster op het moment van haar overlijden nog voldoende is om alle schulden te voldoen. Het is een algemeen bekend gegeven dat vermogens kunnen toenemen en afnemen. Tot het vermogen van erflaatster bleven behoren een verhuurde onroerende zaak en AB-aandelen en per de datum van de akte van verkoop en koop van het woonhuis, de vordering van € 115.000 op [appellant 1] . Dat erflaatster (het restant van) de vordering van € 115.000 op [appellant 1] bij haar overlijden aan [appellant 1] heeft gelegateerd, doet daar niet aan af, mede gelet op de volgorde waarin de schulden van de nalatenschap op grond van artikel 4:7 BW dienen te worden voldaan.
Nietigheid koopovereenkomst en/of nietigheid testament erflaatster?
Het hof gaat er eveneens van uit dat op het moment van het passeren van de aktes erflaatster de gevolgen van haar handelen kon overzien, nu de notaris de akten ook feitelijk heeft gepasseerd. Het testament van erflaatster is specifiek en geeft in eenvoudige bewoordingen aan wat erflaatster na haar overlijden wenste. Zij stelt in haar testament duidelijk dat haar wensen zijn ingegeven vanwege de zorgtaken die [appellant 1] en haar echtgenoot reeds voor haar hadden vervuld. Dat [appellant 1] nooit enige zorgtaak op zich heeft genomen, is niet gesteld en/of gebleken. Dat geïntimeerden en mogelijk anderen anders denken over de kwaliteit van de uitvoering van deze taken of van de hoeveelheid geld die hiermee al dan niet zou zijn bespaard, doet aan het voorgaande niet af.
Het had kortom op de weg van geïntimeerden gelegen om feiten en omstandigheden te stellen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat erflaatster op het moment van het passeren van de aktes haar wil niet kon bepalen. Aan die stelplicht hebben geïntimeerden naar het oordeel van het hof niet voldaan, zoals ook reeds bleek uit rov. 22 hierboven. Dat geldt ook voor zover geïntimeerden een beroep doen op misbruik van omstandigheden ten aanzien van de rechtshandelingen anders dan het testament (dat op grond van artikel 4:43 lid 1 BW niet vatbaar is voor vernietiging op die grond) of voor zover zij een beroep doen dat het testament onder invloed van een onjuiste beweegreden als bedoeld in artikel 4:43 lid 2 BW zou zijn gemaakt.
Beroep op de legitieme 31. In grief 8 stellen geïntimeerden de aantasting van hun legitieme rechten in de nalatenschap van erflaatster aan de orde. Ook in eerste aanleg hebben geïntimeerden een beroep gedaan op hun legitieme portie; het hof verwijst expliciet naar randnummers 6.1. tot en met 6.4 van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie. In randnummer 6.3 hebben geïntimeerden hun legitieme begroot op een bedrag van € 59.882,-.
Aantasting legitieme rechten van geïntimeerden 33. Het hof overweegt. De legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Buiten beschouwing blijven giften waaruit schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder i BW zijn ontstaan. Bij de berekening van de legitieme porties dient op basis van artikel 4:67 onder d BW eveneens rekening te worden gehouden met de door erflaatster aan [appellant 1] gedane giften. De peildatum voor de waarde van de activa is de datum van overlijden (tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daar tegen verzet) en de peildatum voor de omvang van de schulden is eveneens de datum van overlijden.
Woonhuis [adres 1] € 175.000 Bank tegoeden € 35.746 Waarde aandelen € 178.000 Totaal € 388.746 Voor de berekening van de legitimaire massa dient bij de activa te worden opgeteld de giften aan [appellant 1] ten bedrage van € 311.955 en aan [appellant 2] ten bedrage van € 40.000. De actiefzijde van de balans van erflaatster bedraagt dan € 740.701.
Ten aanzien van de waarde van het woonhuis aan de [adres 1] is het hof uitgegaan van de waarde die geïntimeerden hebben genoemd in productie 65. Ter zitting hebben appellanten opgemerkt dat van deze waarde moet worden uitgegaan. De door geïntimeerden ter zitting genoemde verkoopwaarde van dit huis (minus kosten) van € 235.507 uit 2022 of 2023 kan hier niet worden gehanteerd, nu dit niet de waarde op de sterfdatum (in 2017) betreft. Bij de waarde van de aandelen wordt geen rekening gehouden met een (eventuele) AB-claim, nu partijen het eens blijken te zijn over de waarde van € 178.000, daarbij over de (hoogte van een) AB-claim niets is gesteld en eventuele (algemene) opmerkingen die daarover op zitting nog worden gedaan voorts als tardief worden aangemerkt.
Schuld aan [Makelaar] € 68.744 Niet uitgekeerde erfdelen aan [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [appellant 2] € 283.194 Rente over niet uitgekeerde erfdelen tot aan de sterfdatum € 101.764 Schuld aan [geïntimeerde 1] € 5.000 Schuld aan [geïntimeerde 2] € 3.213 Schuld aan [appellant 1] € 5.000 Schuld aan [appellant 2] € 5.000 Voorgeschoten kosten aan [geïntimeerde 1] € 15.560 Inkomstenbelasting € 9.902 Totaal € 497.377 44. De legitieme portie van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de nalatenschap van erflaatster bedraagt dus (actief € 740.701 minus € 497.377 = € 243.324 : 4 = (afgerond) € 60.831 : 2 = € 30.416.
Nu vaststaat dat de nalatenschap van erflaatster (zonder de giften) negatief is, kunnen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ten aanzien van hun legitimaire vorderingen overgaan tot inkorting van de aan [appellant 1] en [appellant 2] gedane giften van € 311.955 respectievelijk € 40.000. Het hof zal derhalve de door geïntimeerden onder D gevorderde verklaring van recht dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] door middel van inkorting van genoemde giften op de voet van de artikelen 4:89 en 90 BW aanspraak kunnen maken op betaling van genoemd bedrag. Het hof zal in deze verklaring de gevraagde wettelijke rente niet meenemen, gelet op het bepaalde in artikel 4:89 lid 1 jo. 84 BW. Het hof overweegt voorts dat deze inkorting niet als onredelijk in de zin van artikel 4:90 lid 1 BW kan worden aangemerkt.
Verkoop woning [adres 1] en liquidatie BV 45. In de derde grief stellen appellanten dat zij het niet eens zijn dat geïntimeerden de woning aan de [adres 1] mogen verkopen en overgaan tot liquidatie van de vennootschap. Appellanten zijn van mening dat de rechtbank aan geïntimeerden een vrijbrief heeft gegeven om te handelen zoals zij zelf wensen. Appellanten geven zelf al aan dat voormelde woning is verkocht. Het hof zal de grief dan ook begrijpen als richt deze zich alleen tegen de liquidatie van de vennootschap.
In eerste aanleg vorderen appellanten (kort gezegd):
III voor recht te verklaren dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] geen (aanvullend) beroep kunnen doen op hun legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster, althans voor recht te verklaren dat de giften van erflaatster vallen onder de reikwijdte van art 4:69 lid 1 BW, althans de voor de berekening van de legitieme portie relevante giften van erflaatster aan [appellant 1] vast te stellen op een bedrag van € 281.815,50, althans op een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen totaalbedrag;
IV voor recht te verklaren dat [appellant 1] niet gehouden is de schulden van de nalatenschap van moeder (waaronder de vaderlijke erfdelen) uit haar privévermogen te voldoen;
VI het door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ten laste van [appellant 1] gelegde conservatoir beslag op de woning aan de [adres 2] op te heffen.
Resterende grieven en vorderingen Overleggen stukken 49. Ook voor de eerste grief van appellanten – die zich keert tegen het door de rechtbank ter mondelinge behandeling op 12 mei 2021 aan hen gegeven bevel om (onder meer) e-mailberichten tussen [appellant 1] en de notaris in het geding te brengen – geldt dat zij daaraan geen consequentie hebben verbonden. Bovendien blijkt uit rov. 4.5 van het tussenvonnis van 9 maart 2022 dat de rechtbank een nader bevel ex artikel 22 Rv om de correspondentie tussen [appellant 1] en de notaris, die tot dan toe kennelijk niet was overgelegd, alsnog heeft afgewezen. Daarmee is het belang van appellanten bij deze grief komen te ontvallen.
Opheffing conservatoir beslag 51. Voor opheffing van het conservatoire beslag (vordering VI van appellanten) is geen reden, gelet op de mogelijkheid dat de aan [appellant 1] gedane giften worden ingekort en in zoverre de legitimaire vorderingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op haar privévermogen kunnen worden verhaald.
Sieraden van erflaatster respectievelijk opbrengst [adres 1] 52. Het hof begrijpt uit het incidentele appel dat de sieraden van erflaatster nog niet zijn verdeeld. Op basis van de door partijen verstrekte gegevens kan het hof zich geen oordeel vormen over de omvang en de waarde van de sieraden, en ook niet over of en hoe deze in de vereffening dienen te worden betrokken. Ten aanzien van de opbrengst van de woning aan de [adres 1] heeft het hof begrepen dat deze nog in depot bij de notaris wordt gehouden. Het hof ziet geen aanleiding of grondslag om de vorderingen van geïntimeerden op deze punten (onder L) toe te wijzen.
Nakoming vaststellingsovereenkomst en overige vorderingen 53. Het hof stelt vast dat geïntimeerden nog enkele overige vorderingen in hun petitum hebben opgenomen, bijvoorbeeld (onder G, in eerste aanleg onder C) een vordering die ziet op de nakoming van een vaststellingsovereenkomst over de afwikkeling van de nalatenschap die volgens geïntimeerden rechtsgeldig tot stand zou zijn gekomen. Deze vordering is echter ingesteld als ‘nog meer subsidiair’ aan de eerdere vorderingen, waaronder die betreffende de legitieme portie, zodat het hof hieraan niet toekomt.
Voor zover uit het petitum van geïntimeerden nog verdere vorderingen zouden voortvloeien, heeft het hof – voor zover zij al niet op grond van het voorgaande dienen te worden afgewezen – uit de memorie van antwoord van geïntimeerden onvoldoende kunnen opmaken waarop deze precies zien en hoe deze worden onderbouwd. Ook ten opzichte van hun toe- of afwijzing in eerste aanleg is onvoldoende duidelijk wat deze vorderingen in hoger beroep nog inhouden. Het hof zal daaraan derhalve voorbijgaan.
De rechtbank heeft de wijze van verdeling gelast en heeft de vereffening overgeslagen 54. Naar het oordeel van het hof dient eerst de vereffening plaats te vinden alvorens overgegaan kan worden tot verdeling van de nalatenschap. Zolang de vereffening niet is afgerond kan niet worden verdeeld.
Proceskosten 57. Gezien het feit dat partijen over en weer niet geheel in het gelijk worden gesteld zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.
Beslissing Het hof in het principale en het incidentele beroep: vernietigt de bestreden vonnissen voor zover [appellant 1] is veroordeeld om aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de schade te vergoeden die zij hebben geleden door het onrechtmatig handelen van [appellant 1] , bestaande uit het tekort op de vaderlijke erfdelen dat niet uit de nalatenschap van erflaatster kan worden betaald, als mede voor zover daarbij de wijze van verdeling en niet slechts vereffening is gelast van de nalatenschap van erflaatster, en in zoverre opnieuw rechtdoende: verklaart voor recht dat [appellant 1] niet gehouden is de schulden van de nalatenschap van erflaatster (waaronder de vaderlijke erfdelen) uit haar privévermogen te voldoen noch voor de voldoening van die schulden aansprakelijk gehouden kan worden; verklaart voor recht dat [appellant 1] een gift van erflaatster heeft gekregen van € 311.955 en [appellant 2] een gift van € 40.000, welke giften betrokken dienen te worden bij de berekening van de legitieme rechten van geïntimeerden en in aanmerking komen voor inkorting door geïntimeerden op de voet van de artikelen 4:89 en 90 BW tot een bedrag van € 30.416 voor elk van geïntimeerden; gelast partijen over te gaan vereffening van de nalatenschap en vervolgens, voor zover dit nog aan de orde zou zijn, tot verdeling van de nalatenschap; compenseert de proceskosten en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt; wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.F. Mollema en M. Burgers–Thomassen en is ondertekend en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2024 in aanwezigheid van de griffier.