GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-23/32 Uitspraak van 8 mei 2024 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: D.A.N. Bartels) en de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 6 januari 2023, nummer ROT 21/2156. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) bij beschikking de waarde op 1 januari 2019 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 269.000 (de beschikking). Met de beschikking is op hetzelfde aanslagbiljet bekendgemaakt en verenigd de voor het jaar 2020 ter zake van de onroerende zaak opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de [gemeente] en de aanslag watersysteemheffing van het Hoogheemraadschap Delfland (de aanslagen). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslagen bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de bezwaren tegen de beschikking en de aanslagen ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Voor de behandeling van het beroep is een griffierecht geheven van € 49. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Voor de behandeling van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 8 maart 2023 en 13 februari 2024 nadere stukken ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 27 maart 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een tussenwoning, gebouwd in 1991, met een inhoud van 270 m², gelegen op een perceel grond van 133 m². De onroerende zaak heeft een dakopbouw van 97 m3. 2.2.1. De Heffingsambtenaar heeft voor de onroerende zaak een taxatierapport, opgemaakt op 30 december 2021 door [naam] , Register-Taxateur, en een matrix overgelegd. In het taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2019 en de toestandsdatum 1 januari 2020 bepaald op € 269.000 aan de hand van vergelijking met gegevens van drie eengezinswoningen, eveneens gelegen aan [straat] (de vergelijkingsobjecten). In het taxatierapport is een matrix opgenomen met daarin de volgende gegevens van de onroerende zaak en de vergelijkingsobjecten: Adressen De onroerende zaak [adres 2] [adres 3] [adres 4] Soort woning eengezinswoning eengezinswoning eengezinswoning eengezinswoning Wijk […] […] […] […] Bouwjaar 1991 1990 1991 1991 Bruto-inhoud m3 270 340 250 270 Kadastrale grondoppervlakte m2 133 119 123 133 Kl-Oh-Uit-Dm-Vz (t.t.v. verkoop) 3-3-3-3-3 3-3-3-3-3 3-3-3-3-4 3-3-3-3-3 WOZ-waarde € 269.000 Koopsom € 262.000 € 280.000 € 282.500 Datum transportakte 2-8-2018 5-11-2018 1-5-2019 Datum koopovereenkomst 18-1-2018 4-10-2018 Geïndexeerd naar peildatum € 291.606 € 280.000 € 282.500 Waardeverandering (%) 11,30% 0,00% 0,00% Berging € 2.625 € 2.625 € 2.625 € 2.625 Dakopbouw € 39.867 € 48.730 € 39.867 Inhoud dakopbouw 97 m3 110 m3 97 m3 Dakkapel € 10.000 1x groot 1x klein Aanbouw woonruimte € 16.800 Inhoud: 11 m3 Grondwaarde € 90.965 € 87.745 € 88.665 €90.965 Grondprijs per m2 € 684 € 737 € 721 € 684 Hoofdgebouwwaarde na correctie € 135.543 € 174.436 € 139.980 € 149.043 Prijs per m3 € 502 € 513 € 560 € 552 Correctie inhoud naar onderhavig object € 548 € 550 € 552 Correctie KOUDV naar onderhavig object € 548 € 520 € 552 Gemiddelde prijs/m3 referenties € 540 2.2.2. In het taxatierapport is de waarde van de grond berekend aan de hand van de gehanteerde grondstaffel en is vermeld hoe de verkoopprijzen zijn geïndexeerd naar de waardepeildatum. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder: “3. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die eraan moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom ervan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet WOZ blijkt dat de WOZ-waarde gelijk dient te zijn aan de prijs die de meest biedende koper betaalt na de meest geschikte voorbereiding. 4. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. Met het door hem overgelegde taxatierapport van mevrouw [naam] van 30 december 2021 en de daarop gegeven toelichting slaagt verweerder daarin. 5.1 De in het taxatierapport vermelde vergelijkingsobjecten zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type, bouwjaar, inhoud, oppervlakte en onderhoudstoestand voldoende vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak. De uitkomst hiervan is dat de m³-prijs van de onroerende zaak € 502,- bedraagt tegen een gemiddelde m³-prijs van € 540,- voor de vergelijkingsobjecten. Hieruit volgt dat verweerder de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 5.2 Verweerder maakt, gelet op de bij het taxatierapport gevoegde matrix en grondstaffel, verder inzichtelijk hoe met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de onroerende zaak wat betreft onder meer inhoud en oppervlakte rekening is gehouden en hij maakt aannemelijk dat bij de waardering in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de onroerende zaak, in het bijzonder met het gegeven, dat de grondwaarde per m2 afneemt naarmate een perceel groter is. 5.3 Ter zitting heeft verweerder in reactie op de beroepsgronden toegelicht, dat hij bij de bepaling van de dakkapellen en de dakopbouw vuistregels heeft toegepast. Die vuistregels luiden, dat bij de waarde van een dakopbouw – in dit geval: met een inhoud van 97 m3 – uitgegaan wordt van 80% van de gemiddelde waarde per m3 van het hoofdgebouw en dat een grote dakkapel op € 6.000,- pleegt te worden gewaardeerd en een kleinere op € 4.000,-. De rechtbank acht dat een begrijpelijke en juiste benadering van de waarde van de dakopbouw en de dakkapellen. Een en ander levert ook niet een zo grote onduidelijkheid in de bepaling van de WOZ-waarde op, dat er rekening mee zou moeten worden gehouden bij de beslissing over de kosten van de procedure. 6.1 Eiser heeft vergoeding gevorderd van immateriële schade, geleden doordat de procedure – die is ingezet met het bezwaarschrift van 14 maart 2020 – bijna 10 maanden langer heeft geduurd dan de maximaal nog redelijk te achten termijn van twee jaar tussen bezwaarschrift en uitspraak van de Rechtbank. Hij bestrijdt dat enig deel van de duur van de procedure toe te schrijven zou zijn aan vertraging veroorzaakt door (de gemachtigde van) eiser. 6.2 Verweerder wijst erop, dat hij bij brief van 4 april en opnieuw bij brief van 14 december 2020 heeft gevraagd om overlegging van een schriftelijke machtiging. Die machtiging is nadien overgelegd. Voorts stelt verweerder dat de beschikbaarheid van de gemachtigde van eiser voor een zitting in 2021 zeer beperkt was, nu de gemachtigde van eiser heeft aangegeven in ieder geval de eerste drie kwartalen (en eigenlijk ook het vierde kwartaal) van 2021 geen zitting bij te kunnen wonen. 6.3 Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR) geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn begint als regel te lopen op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140). 6.4 De rechtbank volgt het standpunt van verweerder, dat de vertraging in zijn geheel is toe te schrijven aan de wijze waarop (de gemachtigde van) eiser in deze heeft geprocedeerd. De rechtbank acht het niet onredelijke dat verweerder bezwaarprocedures waarin iemand optreedt die zegt door een ander te zijn gemachtigd buiten behandeling laat, zolang de daartoe strekkende machtiging niet is overgelegd. De periode tussen het verzoek van verweerder en de ontvangst van een machtiging heeft – door eiser onweersproken – ruim acht maanden geduurd. De rechtbank overweegt voorts, dat uit uitspraken en procedures in zaken waarin de gemachtigde van eiser optreedt, in Rotterdam en elders, naar voren komt dat hij zodanig veel zaken aanbrengt dat zijn beschikbaarheid voor zittingen in het gedrang komt. Zo ook bij het plannen van een zitting in beroep in de onderhavige zaak. De rechtbank heeft voor de zaken die op de zitting van 20 oktober 2022 zijn behandeld in de periode van april tot en met oktober van 2022 bij zes gelegenheden (in totaal) 25 zittingsdata voorgesteld. In zijn reacties heeft de gemachtigde van eiser aangegeven (in totaal) slechts op vijf van de voorgestelde data aanwezig te kunnen zijn. Dit levert een beschikbaarheidspercentage op van 20%. De stelling van gemachtigde van eiser, dat hij altijd beschikbaar is kan daar niets aan veranderen. Dat percentage is – bij de grote hoeveelheid zaken waarin de gemachtigde van eiser optreedt - zo laag, dat het een – aan de gemachtigde van eiser toe te schrijven - bijzondere omstandigheid oplevert die verlenging van de redelijke termijn met minimaal vier maanden rechtvaardigt. De rechtbank wijst daarom het verzoek tot immateriële schadevergoeding af. 7. Het beroep is ongegrond. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1.1. De gemachtigde heeft in het hogerberoepschrift en de nadere stukken (door hem onder meer “pinpoint brief” genoemd) volstaan met het aanvoeren van algemeen geformuleerde vragen en grieven waarvan vele niet van toepassing zijn in de onderhavige zaak. Daarom is hem ter zitting gevraagd welke hogerberoepsgronden hij concreet in dit geschil aanvoert en verder of hij ermee instemt dat al het andere wat hij in de gedingstukken aanvoert, niet in de beoordeling van het geschil wordt betrokken. Daarop heeft hij verklaard dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de hierna onder 4.1.2 genoemde punten. 4.1.2. In hoger beroep is in geschil of: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.