GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.333.399/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/652361 / KG ZA 23-701 Arrest in kort geding van 14 mei 2024 in de zaak van [appellante] , gevestigd in Katwijk, appellante, advocaat: mr. D.G. Lasschuit, kantoorhoudend in [plaats 1] , tegen Liander N.V., gevestigd in Arnhem, verweerster, advocaten: mr. R.W. de Vlam en mr. A. Mahmoud, beiden kantoorhoudend in Amsterdam. Het hof zal partijen hierna noemen [appellante] en Liander. 1De zaak in het kort 1.1 [appellante] heeft in [plaats 2] een nieuwbouwproject gerealiseerd en aan Liander verzocht om tijdig de daarvoor benodigde elektriciteitsaansluitingen te verzorgen. De 23 appartementen zijn inmiddels gereed voor oplevering, maar de aangevraagde aansluitingen zijn uitgebleven. 1.2 In dit kort geding heeft [appellante] gevorderd dat Liander wordt veroordeeld om de aansluitingen alsnog binnen veertien dagen te realiseren. De voorzieningenrechter en het hof hebben die vordering afgewezen. Wel heeft het hof aanleiding gezien om Liander te veroordelen om de (volgens Liander) snelst mogelijke planning te volgen, opdat de appartementen in elk geval vóór de bouwvak 2024 op het elektriciteitsnet zijn aangesloten. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding (met bijlagen) van 5 oktober 2023, tevens houdende memorie van grieven, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 25 september 2023; de memorie van eis in hoger beroep van [appellante] ; de memorie van antwoord van Liander, met bijlagen; de brieven van [appellante] van 25 maart en 2 en 4 april 2024, waarmee [appellante] achtereenvolgens de bijlagen 11 tot en met 20, 21 en 22, voorafgaand aan de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd. 2.2 Op 5 april 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3Feitelijke achtergrond 3.1 [appellante] is een bouwbedrijf. Liander is een regionale netbeheerder in de zin van de Elektriciteitswet 1998 (Ew) en houdt zich bezig met het beheer en de exploitatie van transportnetten voor elektriciteit, aardgas en warm water. 3.2 In 2023 heeft [appellante] voor haar kopers een tweetal nieuwbouwprojecten gerealiseerd. Een daarvan bevindt zich in [plaats 2] en draagt de naam “ [Project I] ”. Dit project bestaat uit 23 appartementen (hierna: [Project I] ). De opleverdatum was voorzien op 1 september 2023. 3.3 Op 21 september 2022, dus ongeveer een jaar vóór de beoogde opleveringsdatum, heeft [appellante] voor deze appartementen bij Liander elektriciteitsaansluitingen aangevraagd. Liander heeft deze aanvraag bevestigd. 3.4 Vanwege het uitblijven van de gevraagde aansluitingen heeft [appellante] Liander bij brief van 20 juli 2023 aangezegd dat de aansluitingen uiterlijk op 1 september 2023 gereed moeten zijn. In de brief stelt [appellante] Liander aansprakelijk voor de door [appellante] en haar kopers te lijden schade indien die datum niet wordt gehaald. 3.5 In haar e-mail van 4 augustus 2023 heeft Liander daarop aan [appellante] laten weten dat het elektriciteitsnet ter plaatse zijn capaciteitsgrens heeft bereikt en dat daarom een netuitbreiding dient plaats te vinden door middel van het realiseren van een extra locatie met een algemeen voedingspunt (AVP). Liander schrijft in haar e-mail onder meer: “Deze aanpassing op het hoofdnet vergt de nodige tijd. Dit wordt niet alleen veroorzaakt door een forse toename van de gevraagde capaciteit op het elektriciteitsnet, algemeen erkende schaarste van technisch personeel en materiaal, maar ook de netuitbreiding zelf neemt de nodige tijd in beslag.” 4Procedure bij (de voorzieningenrechter in) de rechtbank 4.1 [appellante] heeft Liander in kort geding gedagvaard en gevorderd, samengevat, dat Liander wordt veroordeeld om de voor het [Project I] en het andere project ( [project II] in [plaats 1] ) aangevraagde huisaansluitingen op het elektriciteitsnetwerk binnen veertien dagen na het vonnis te realiseren, tegen betaling door [appellante] van de daaraan verbonden kosten, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag. Daarnaast heeft [appellante] gevorderd dat Liander wordt veroordeeld in de proceskosten en dat de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. 4.2 Aan haar vorderingen heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat Liander op grond van artikel 23 lid 4 Ew en artikel 8.11 van de Netcode Elektriciteit als netbeheerder verplicht is om een aansluiting binnen een redelijke termijn te realiseren. Volgens [appellante] volgt uit de toepasselijke regelgeving dat deze ‘redelijke termijn’ achttien weken, in elk geval maximaal 52 weken bedraagt, en zijn beide termijnen inmiddels verstreken. 4.3 De voorzieningenrechter heeft de vorderingen met betrekking tot het [project II] toegewezen en die met betrekking tot het [Project I] afgewezen. De proceskosten zijn vanwege die uitkomst gecompenseerd. De voorzieningenrechter overwoog in het kader van [Project I] dat Liander heeft gesteld dat de twee in de omgeving aanwezige AVP’s vol zijn, dat een extra AVP moet worden aangelegd, dat zij daarvoor nog geen geschikte locatie heeft kunnen vinden en dat zij daarover sinds augustus 2023 opnieuw in gesprek is met de gemeente Noordwijk (hierna: de Gemeente). Liander heeft verder aangevoerd dat zij voorbereidende stappen voor een gedoogprocedure heeft genomen en dat daarna nog de nodige werkzaamheden moeten worden verricht. Bij die stand van zaken, waarbij medewerking van derden noodzakelijk is, bestaat volgens de voorzieningenrechter geen zicht op een reële termijn waarbinnen Liander de woningen op spanning kan zetten en is het gevorderde gebod niet toewijsbaar. Dit neemt echter niet weg dat Liander er alles aan moet doen om de betreffende aansluitingen op zo kort mogelijke termijn alsnog op te leveren, aldus de voorzieningenrechter. 5Vordering in hoger beroep en verdere ontwikkelingen 5.1 [appellante] is in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens is met het vonnis. Zij heeft negen grieven tegen het vonnis aangevoerd. In hoger beroep heeft zij tevens haar eis vermeerderd door daaraan een subsidiaire vordering toe te voegen. Zij vordert nu, samengevat, dat Liander wordt veroordeeld om alsnog de aangevraagde huisaansluitingen te realiseren, “zulks tegen betaling door [appellante] van de daaraan verbonden kosten en op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of dagdeel dat Liander daarmee in gebreke blijft en wel binnen 14 dagen, dan wel [subsidiair] een door Uw Gerechtshof in goede justitie te bepalen termijn”, alsmede dat Liander wordt veroordeeld in de proceskosten, met wettelijke rente en nakosten en dat deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. 5.2 Volgens [appellante] is de voorzieningenrechter ten onrechte niet uitgegaan van de toepasselijkheid van (artikel 8.11 van) de Netcode Elektriciteit en dient een aangevraagde aansluiting in geval van congestie binnen maximaal 52 weken te worden gerealiseerd (grieven 1 tot en met 4). Verder voert [appellante] aan dat de voorzieningenrechter in het vonnis is uitgegaan van onjuiste stellingen van Liander nu tijdens het kort geding wel degelijk al zicht bestond op een locatie voor het plaatsten van een extra transformatorstation (hierna ook: trafo of trafostation) en toen dus ook zicht bestond op een reële termijn waarbinnen Liander de woningen van het [Project I] op spanning kon zetten (grieven 7 en 8). In grief 9 keert [appellante] zich tegen de door de voorzieningenrechter uitgesproken compensatie van proceskosten. 5.3 De grieven 5 en 6 zijn gericht tegen de overwegingen in het vonnis die betrekking hebben op het [project II] . Dat project is in dit hoger beroep niet aan de orde en [appellante] heeft deze grieven tijdens de mondelinge behandeling bij het hof dan ook ingetrokken. 5.4 Liander heeft tegen de grieven verweer gevoerd. Daarnaast heeft zij zich, voor zover het hof tot het oordeel zou komen dat Liander enige aansluittermijn heeft overschreden, beroepen op overmacht. Zij heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van [appellante] in het hoger beroep, althans tot ongegrondverklaring, met de veroordeling van [appellante] in de proceskosten, met wettelijke rente en nakosten, en met de bepaling dat die veroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn. 5.5 Op 5 februari 2024 heeft [appellante] Liander in een tweede kort geding gedagvaard. Zij heeft daarbij aangevoerd dat [appellante] en haar kopers inmiddels in zodanige nood verkeren dat de tijd hen ontbreekt om het onderhavige hoger beroep af te wachten. In het tweede kort geding heeft [appellante] , samengevat en na wijziging van eis, gevorderd dat Liander, op verbeurte van een dwangsom, wordt veroordeeld om binnen 30 dagen na betekening van dat vonnis de aangevraagde aansluitingen en transport op het elektriciteitsnetwerk te realiseren, “zulks tegen betaling door eiseres van de daaraan verbonden kosten, bestaande uit het plaatsen van een trafo op de door de gemeente Noordwijk ter beschikking gestelde locatie, het aanbrengen van een verbinding tussen het elektriciteitsnet en de hoofdkast van het appartementengebouw, het aanbrengen van een nieuwe bekabeling tussen de hoofdkast en de meterkasten van de afzonderlijke appartementen en het aanbrengen van de meters in de meterkasten”. In haar dagvaarding vermeldt [appellante] onder meer dat de Gemeente bij e-mail van 12 september 2023 (daags na de zitting in het onderhavige kort geding) aan Liander heeft laten weten dat zij goedkeuring gaf aan de plaatsing van een trafostation op het gemeenteperceel gelegen op de hoek van de Jan van Henegouwenweg en de Karel Doormanstraat (hierna: het Hoekpunt). Volgens [appellante] bestaat er geen reden waarom Liander het trafostation hier niet alvast zou kunnen plaatsen. De financiële afwikkeling met de Gemeente kan op een later moment plaatsvinden. In dit (tweede) kort geding heeft de Gemeente zich gevoegd aan de zijde van [appellante] . [appellante] heeft de stukken van dit tweede kort geding in het onderhavige hoger beroep als bijlagen in het geding gebracht. 5.6 Bij vonnis van 11 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:5090), dat op verzoek van het hof is overgelegd, heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellante] in het tweede kort geding afgewezen. De voorzieningenrechter overwoog daartoe dat uit de door Liander overgelegde planning volgt dat de werkzaamheden in week 33-36 zullen worden afgerond en dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit proces zodanig kan worden versneld dat een afronding, zoals gevorderd, binnen 30 dagen na betekening van het vonnis mogelijk is. Dit laat onverlet, aldus ook de voorzieningenrechter in het tweede kort geding, dat van Liander mag worden verwacht dat zij zich maximaal inspant om de benodigde vergroting van de transportcapaciteit en de aangevraagde huisaansluitingen zo snel mogelijk te realiseren. 6Beoordeling in hoger beroep Verplichtingen netbeheerder 6.1 Tussen partijen is niet in geschil dat op Liander als netbeheerder op grond van artikel 16 Ew de verplichting rust
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.