← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2024:887

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummer BK-23/45 Uitspraak van 1 mei 2024 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 december 2022, nr. SGR 21/

  1. Procesverloop 1.
  2. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 8.278 (de naheffingsaanslag). 1.
  3. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.
  4. 1.
  5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van €
  6. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.
  7. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van €
  8. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende is op 8 maart 2024 een nader stuk (pleitnota) ingekomen. 1.
  9. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 maart
  10. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.
  11. Op 13 mei 2020 heeft belanghebbende een aangifte Bpm ingediend voor een Audi A3 Limousine 1.8 TFSI Quattro Ambition Pro Line S, met een datum eerste toelating 28 februari 2016 (de auto). Het uit de aangifte volgende bedrag aan Bpm heeft belanghebbende voldaan. In de aangifte is aangevinkt dat de aangever de auto inschrijft in het Nederlands kentekenregister “als ondernemer”. Als naam van de ondernemer staat bij vraag 2 vermeld “ [naam VOF] ” en als tekenbevoegd staat vermeld “ [belanghebbende] ” (belanghebbende). Verder is in de aangifte bij het veld “BSN/RSIN aangever/vergunninghouder” het BSN-nummer van belanghebbende vermeld en is in de aangifte aangevinkt dat “de onder vraag 2 genoemde persoon de aanvrager van het kenteken bij de RDW is”. 2.
  12. In de aangifte Bpm is een te betalen Bpm van € 103 vermeld. Tot de stukken van het geding behoort een expertiseverslag van 13 mei 2020 van [naam taxateur] (het taxatierapport). In het taxatierapport is opgenomen dat op 13 mei 2020 een expertise (taxatie) is uitgevoerd van de auto. Bij de taxatie is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 197 gr/km. De taxateur heeft de historische nieuwprijs op € 73.535 gesteld. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat heeft de taxateur vastgesteld aan de hand van een tweetal referentievoertuigen en vastgesteld op € 13.170,
  13. De taxateur heeft wegens schade een bedrag van € 13.020,80 (reparatiekosten inclusief btw) vastgesteld en hiervan een bedrag van € 12.700,80 in mindering gebracht. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op €
  14. De historische bruto Bpm is in de aangifte berekend op € 24.
  15. 2.
  16. De dienst Domeinen Roerende Zaken van het ministerie van Financiën (DRZ) heeft een onderzoek waardebepaling ten aanzien van de auto uitgevoerd. Op 22 mei 2020 is de auto door belanghebbende voor controle getoond aan DRZ. Van de controle is een rapport opgemaakt, dat is ondertekend door [naam] op 27 mei
  17. In dit DRZ-rapport (rapport onderzoek waardebepaling) zijn vermeld een CO2-uitstoot van 197 gr/km, een historische nieuwprijs van € 55.535, een netto-catalogusprijs van € 39.860 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 17.533 (op basis van de koerslijst XRAY Marge). DRZ heeft geen rekening gehouden met een aftrek wegens schade. 2.
  18. Vervolgens heeft de Inspecteur op basis van het onder 2.3 bedoelde onderzoek waardebepaling met dagtekening 21 mei 2021 een naheffingsaanslag Bpm opgelegd naar een bedrag van € 8.278, waarbij de verschuldigde belasting is berekend op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel. 2.
  19. Bij de uitspraak op bezwaar is, na toekenning van een extra leeftijdskorting en toepassing van artikel 16a van de Wet Bpm, de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.
  20. Daarbij is rekening gehouden met de door de RDW op basis van de NEDC-methode voor de auto bepaalde CO2-uitstoot van 207 gr/km en een daarbij behorende bruto Bpm van € 24.
  21. De verschuldigde Bpm bedraagt in dat geval € 7.034 en na aftrek van de reeds door belanghebbende betaalde Bpm (€ 103) resteert € 6.931 te betalen Bpm. 2.
  22. Tot de stukken van het geding behoort een afschrift van Company.info met daarin informatie die is ontleend aan de gegevens van de Kamer van Koophandel, uittreksel van 4 augustus 2020, omtrent vennootschap onder firma [naam VOF] , RSIN […] . Hierop staat onder meer het volgende vermeld: “Datum oprichting 12-02-2020 Vestigingsdatum 12-02-2020 Reden inschrijving Nieuwe vestiging (…) Reden uitschrijving Opheffing (…) (…) Datum inschrijving 12-02-2020 Opheffing 30-09-2020 (…) Management Naam Functie (…) In functie [belanghebbende] Vennoot 2020 (…)” Oordeel van de Rechtbank
  23. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “
  24. Eiser stelt dat de rechtbank niet bevoegd is het Unierecht uit te leggen zodat – mocht de rechtbank overwegen ten nadele van eiser te beslissen – de rechtbank eerst prejudiciële vragen moet stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
  25. Eiser stelt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 VWEU.
  26. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor expliciet uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit het door eiser aangehaalde artikel 47 van het Handvest. Verweerder heeft eiser bij brief van 16 maart 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoe hoog die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder gehandeld overeenkomstig het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel.
  27. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel.
  28. Eiser heeft, onder verwijzing naar een tot de stukken van het geding behorende door Audi afgegeven “Ubereinstimmungsbescheinigung” (de Audi-verklaring), gesteld dat de CO2-uistoot van de auto niet meer bedraagt dan 129 gr/km. De rechtbank ziet geen aanleiding om van een lagere uitstoot uit te gaan dan de 197 gr/km die in de aangifte is vermeld. Aan de Audi-verklaring kan geen bewijskracht worden ontleend nu deze betrekking heeft op een ander voertuig en door eiser niet aannemelijk is gemaakt dat de genoemde uitstoot ook betrekking heeft op de auto van eiser. De enkele omstandigheid dat de in de Audi-verklaring genoemde auto, zoals eiser stelt, net als de auto voor de Amerikaanse markt is geproduceerd, is daartoe onvoldoende.
  29. Het is aan eiser om de schade aannemelijk te maken én dat de volledige schadecalculatie in aftrek moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. Met het rapport van DRZ heeft verweerder de conclusies uit het taxatierapport voldoende gemotiveerd weersproken. Nu de naheffingsaanslag is gebaseerd op de forfaitaire afschrijvingstabel, behoeven de stellingen van eiser over de 72%-norm voor de aftrek van schade geen behandeling.
  30. Eiser heeft pas in een kort voor de zitting ingediende pleitnota gesteld dat de handelsinkoopwaarde moet worden gesteld op € 15.041, ofwel de handelsinkoopwaarde volgens de Eurotaxglass’s koerslijst minus 15%. Hij heeft dit niet nader onderbouwd zodat de rechtbank geen aanleiding ziet eiser in deze stelling te volgen.[1]
  31. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
  32. Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering tot de toegang tot de rechter vormt.[2] Eiser heeft geen beroep op betalingsonmacht gedaan, zodat niet aannemelijk is dat daarvan sprake is. Ook anderszins is dit niet gebleken.
  33. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. [1] Zie Gerechtshof Den Haag 22 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2638 [2] Vgl EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.
  34. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag juist te naam is gesteld en of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend; de Inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerend effect van het griffierecht. 4.
  35. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag, subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag rekening houdend met een lagere CO2-uitstoot en een vermindering wegens schade, meer subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag met € 2.304, en nog meer subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag met € 1.
  36. Voorts verzoekt belanghebbende om toekenning van een passende rentevergoeding over de vermindering van de naheffingsaanslag (de teruggaaf die hij bij gegrondverklaring van het hoger beroep ontvangt), toekenning van een integrale proceskostenvergoeding en vergoeding van het door hem betaalde griffierecht, vermeerderd met een passende rentevergoeding. 4.
  37. De Inspecteur concludeert, na een wijziging van zijn standpunt ter zitting, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de naheffingsaanslag met € 2.
  38. Beoordeling van het hoger beroep Tenaamstelling naheffingsaanslag 5.
  39. Belanghebbende stelt, voor het eerst in hoger beroep, dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd, nu het kenteken nooit op naam van belanghebbende, of op naam van de vennootschap onder firma [naam VOF] is gesteld. Gelet op de tekst van artikel 5, lid 1, Wet Bpm is daarmee de tenaamstelling van de naheffingsaanslag onjuist en dus dient de naheffingsaanslag, aldus belanghebbende, te worden vernietigd. De Inspecteur bestrijdt dit. 5.
  40. Artikel 20, leden 1 en 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) luiden: “
  41. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend.
  42. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd. Artikel 5, lid 1, Wet Bpm (tekst 2021) luidt: “Met betrekking tot een geregistreerde personenauto, een geregistreerd motorrijwiel of een geregistreerde bestelauto wordt de belasting geheven van degene op wiens naam het motorrijtuig wordt dan wel is gesteld in het kentekenregister.” Artikel 7, lid 1, Wet Bpm (tekst 2021) luidt: “Indien voor een personenauto of een motorrijwiel de aanvraag voor de inschrijving in het kentekenregister geschiedt door een ander dan degene op wiens naam [het, Hof] motorrijtuig wordt gesteld, is, in afwijking van artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die ander gehouden de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam [het, Hof] motorrijtuig wordt gesteld.” 5.3.
  43. Gelet op de hiervoor vermelde wetteksten is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd. 5.3.
  44. Belanghebbende heeft bij vraag 2 als naam van de ondernemer de vennootschap onder firma vermeld en als tekenbevoegd zijn eigen naam en vervolgens zijn eigen BSN vermeld in plaats van het RSIN van de vennootschap. Vervolgens is in de aangifte aangevinkt dat “de onder vraag 2 genoemde persoon de aanvrager van het kenteken bij de RDW is”. In samenhang bezien met de gegevens die zijn geregistreerd bij de Kamer van Koophandel (zie 2.6) volgt uit deze tegenstrijdige gegevens in de aangifte dat belanghebbende als belastingplichtige voor de Bpm kan worden aangemerkt (artikel 7, lid 1, Wet Bpm). Dat niet belanghebbende maar de vennootschap onder firma de registratie bij de RDW zou hebben gedaan, is gesteld noch gebleken. 5.3.
  45. Ook om een andere reden is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd. Door toedoen van belanghebbende (zie artikel 20, lid 2, Awr, slotzin) is ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet te weinig belasting geheven. De aangifte is immers niet tot een juist bedrag aan te betalen Bpm ingevuld. Een te betalen bedrag aan Bpm van € 103 is volstrekt ongeloofwaardig, gelet op de staat waarin DRZ de auto heeft opgenomen. Van belanghebbende, die in auto’s handelt, mocht worden verwacht dat hij niet zomaar de conclusie uit het taxatierapport zou overnemen. Dit geldt ook voor de onderbouwing van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, die niet op juiste wijze, namelijk aan de hand van twee referenties, is vastgesteld. Die twee referenties betreffen hetzelfde voertuig, zoals overduidelijk uit het taxatierapport blijkt, met een aanmerkelijk hogere kilometerstand dan de auto. Belanghebbende komt voorts pas in hoger beroep met dit standpunt, zodat in de bezwaar- en beroepsfase voor belanghebbende kennelijk niet in geschil was dat de naheffingsaanslag terecht aan hem was opgelegd. 5.3.
  46. De conclusie luidt dat de Inspecteur de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende heeft opgelegd. Belanghebbendes stelling faalt derhalve. Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen 5.
  47. Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat prejudiciële vragen door de Rechtbank zijn gesteld, is, aldus belanghebbende, sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht. 5.
  48. De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wiens uitspraken hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank blijkens de inhoud van haar uitspraak heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel 5.
  49. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden en verbindt daaraan de conclusie dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Gelijk de Rechtbank in overweging 8 van haar uitspraak heeft overwogen is belanghebbende vóór het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. De Inspecteur was niet gehouden belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek alvorens de naheffingsaanslag op te leggen. Dit standpunt faalt. Bevoegdheid tot naheffen 5.
  50. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, aangezien naheffing bij gebruikte auto’s die al in Nederland rijden niet mogelijk is, het Unierecht zich tegen naheffing bij gebruikte auto’s verzet. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de Rechtbank in overweging 7 van haar uitspraak op dit punt heeft overwogen en voegt daaraan nog het volgende toe. Belanghebbende maakt een onjuiste vergelijking. Heffing dan wel naheffing van Bpm bij gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft ten doel op deze auto’s een passende, in overeenstemming met het Unierecht berekende belastingdruk (in de woorden van de gemachtigde: het juiste bedrag aan Bpm) te leggen. Indien de belastingplichtige te weinig Bpm op aangifte voldoet, mag de Inspecteur het verschil naheffen, mits hij de beginselen van het Unierecht respecteert. Op deze wijze ontstaat een evenwichtige situatie op de markt voor gebruikte auto’s in Nederland. Ook deze stelling faalt. Onafhankelijkheid taxateur DRZ en schade 5.
  51. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, indien de Inspecteur een lager bedrag (in casu geen bedrag) aan schade in aanmerking wil nemen, dan in het taxatierapport van belanghebbende naar voren is gekomen, dit alleen mogelijk is als de Inspecteur dit met gelijkwaardige bewijsmiddelen – dus met een onafhankelijk taxatierapport – onderbouwt. De Inspecteur heeft dit bewijs, aldus belanghebbende, niet geleverd met het rapport onderzoek waardebepaling van DRZ, zodat van de door belanghebbende met behulp van een onafhankelijk taxatierapport onderbouwde waardevermindering wegens schade moet worden uitgegaan. 5.
  52. Het Hof sluit zich op dit punt aan bij de beslissing van de Rechtbank in overweging 9 van haar uitspraak. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3, BNB 2020/45 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2, BNB 2020/63). Het is dus aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat er waardeverminderende omstandigheden zijn. Dat de Inspecteur de gegevens en omstandigheden die belanghebbende aandraagt, met gelijkwaardige wapens (bewijsmiddelen) zou moeten bestrijden of weerleggen, vindt geen steun in het recht. De Inspecteur is vrij in de keuze van welke bewijsmiddelen hij gebruik wil maken. 5.
  53. De beoordelaar van DRZ heeft, naast normale gebruikssporen, geen schade aan de auto aangetroffen. In het rapport onderzoek waardebepaling is opgenomen dat alle (in taxatierapport van belanghebbende) opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen of als gebruikersschade kunnen worden aangemerkt. De Rechtbank heeft in haar overweging 11 op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat een bedrag aan schade in aanmerking moet worden genomen. Het Hof maakt die overweging tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat tot een andere conclusie kan leiden. Ook deze stellingen falen derhalve. CO2-uitstoot 5.
  54. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de CO2-uitstoot op 153 gr/km moet worden bepaald, nu een soortgelijk binnenlands voertuig een CO2-uitstoot van die orde van grootte heeft. Zowel de aangifte van belanghebbende, als de respectievelijke rapporten van de taxateur van belanghebbende en de beoordelaar van DRZ (zie 2.2 en 2.3) vermelden een CO2-uitstoot van de auto van 197 gr/km. De RDW heeft voor de auto een CO2-uitstoot van 207 gr/km vastgesteld (zie 2.5). De naheffingsaanslag is bij de uitspraak op bezwaar met, onder meer, inachtneming van een CO2-uitstoot van 207 gr/km nader vastgesteld. Op dit punt sluit het Hof aan bij hetgeen de Rechtbank in haar overweging 10 heeft geoordeeld. Door belanghebbende is geenszins aannemelijk gemaakt dat de door hem vermelde lagere uitstoot van 129 gr/km in beroep of 153 gr/km in hoger beroep ook betrekking heeft op de auto van belanghebbende. Toepassen koerslijst EurotaxGlass’s en historische nieuwprijs 5.
  55. Ter zitting heeft de Inspecteur zich aangesloten bij het standpunt van belanghebbende dat in het onderhavige geval de koerslijst EurotaxGlass’s, rekening houdend met 15% vermindering wegens de correctiefactoren voor “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie dealer”, dient te worden toegepast. Verder heeft de Inspecteur zich aangesloten bij het standpunt van belanghebbende dat de historische nieuwprijs (consumentennieuwprijs) moet worden berekend conform de door belanghebbende in zijn nadere stuk van 8 maart 2024 gemaakte berekening onder meer subsidiair. Voor dat geval is ter zitting komen vast te staan dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd met € 2.
  56. Heffingsmodaliteiten 5.
  57. Anders dan belanghebbende stelt, is geen sprake van verschillende heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige personenauto’s, als gevolg waarvan belanghebbende uiteindelijk een hoger bedrag aan Bpm op aangifte heeft voldaan voor de auto, dan het bedrag aan Bpm dat wordt geacht te rusten op vergelijkbare gebruikte, in het binnenland geregistreerde personenauto’s. De naheffing dient te voorkomen dat te weinig Bpm wordt geheven en ervoor te zorgen dat de Bpm die op de ingevoerde auto drukt in lijn is met de Bpm die drukt op een vergelijkbare auto op de binnenlandse markt. De toepassing van de Wet Bpm leidt niet tot heffing van een hogere belasting dan de belasting die op gelijksoortige binnenlandse auto's drukt. Bovendien is de wettelijke regeling – voor zover al sprake is van een belemmering – gerechtvaardigd, proportioneel en geschikt om de doelstelling te verwezenlijken. Conclusie naheffingsaanslag 5.
  58. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 4.627 (de naheffingsaanslag na bezwaar ad € 6.931 minus € 2.304). Rentevergoeding 5.
  59. Belanghebbende heeft voor het geval zijn hoger beroep gegrond is, verzocht om toekenning van een passende rentevergoeding over de vermindering van de naheffingsaanslag (€ 2.304). Belanghebbende zal, om een passende rentevergoeding te krijgen, een verzoek moeten doen aan de ontvanger. Binnen deze procedure kan het verzoek niet worden behandeld (HR 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341, BNB 2017/99 en HR 13 april 2018, nr. 17/01548, ECLI:NL:HR:2018:583). Ten overvloede verwerpt het Hof het standpunt dat de heffingssystematiek van Bpm, in het bijzonder de heffing via voldoening op aangifte, in zoverre in strijd is met het Unierecht. Op de voldoening van Bpm op nieuwe voertuigen is immers een vergelijkbare heffingssystematiek van toepassing. Ook voor deze voertuigen moet de Bpm worden voldaan, voordat een kenteken wordt afgegeven. Voor alle voertuigen geldt dat de verschuldigde belastingen op aangifte moeten worden voldaan voordat de registratie plaatsvindt. De houder van een uit een andere lidstaat afkomstig voertuig wordt dus niet slechter behandeld in dit opzicht. De uitoefening van uit het Unierecht voortvloeiende rechten wordt belanghebbende niet bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt, althans belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De formele Unierechtelijke beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid worden niet geschonden. Het standpunt van belanghebbende faalt. Griffierecht 5.
  60. Gelijk het Hof reeds in zijn uitspraken van 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1406, en 10 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:410, heeft bepaald, treft deze klacht geen doel. Gesteld noch gebleken is dat de heffing van de onderhavige griffierechten het voor belanghebbende uiterst moeilijk heeft gemaakt om de rechtsmiddelen van beroep en hoger beroep aan te wenden. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Voor een rentevergoeding over het geheven griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente (vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, BNB 2019/171). Het Hof honoreert die aanspraak wel in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken nadat deze uitspraak in het openbaar is gedaan (zie 6.3). Slotsom 5.
  61. Het hoger beroep is gegrond. Proceskosten en griffierecht 6.
  62. Het Hof zal de Inspecteur veroordelen in de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte kosten. Het Hof bepaalt deze kosten op € 3.500 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de Rechtbank, een bedrag per punt van € 875 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1; 1 punt voor het indienen van een hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het Hof, een bedrag per punt van € 875 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1). Belanghebbende heeft voorts onder verwijzing naar het Unierecht verzocht om een hogere proceskostenvergoeding. Het Hof ziet hiervoor geen aanleiding. Het betreft een niet al te moeilijke, gemiddelde zaak. Er bestaat geen grond voor een hogere, laat staan een integrale vergoeding. Dit volgt, anders dan de gemachtigde stelt, niet uit het Unierecht. 6.
  63. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 181, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 274 te worden vergoed. 6.
  64. Mede gelet op het onder 5.16 overwogene wordt de Inspecteur verder veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente over de proceskostenvergoeding en het griffierecht, vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening. Beslissing Het Gerechtshof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.627; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.500, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening; gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 455 aan griffierecht te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening. Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 1 mei 2024 in het openbaar uitgesproken. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.