GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie zaaknummer : 200.324.542/01 rekestnummer rechtbank : FA RK 21-366 zaaknummer rechtbank : C/10/611558 beschikking van de meervoudige kamer van 29 mei 2024 inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching te Rotterdam, tegen [de vrouw] , wonende op een geheim adres, verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. T.C. ten Rouwelaar te Amstelveen. Als belanghebbende is aangemerkt: mr. [bijzondere curator] in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de [de minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige] ), kantoorhoudende te Den Haag, hierna te noemen: de bijzondere curator. In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen: de raad. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikkingen van 27 september 2023 en 6 maart 2024, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. 1.2 Bij de tussenbeschikking van 6 maart 2024 is bepaald dat de man het hof binnen vier weken schriftelijk moet informeren of hij bereid is zijn medewerking aan een door het hof te gelasten DNA-onderzoek te verlenen. Iedere verdere beslissing is tot 27 april 2024 aangehouden. 1.3 Nadien heeft het hof van de zijde van de vrouw op respectievelijk 27 maart 2024 en 12 april 2024 een journaalbericht ontvangen. In die berichten verzoekt zij het hof een eindbeslissing te nemen en de man te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. 1.4 De man heeft niet op het verzoek van het hof gereageerd. 1.5 Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen. 2De verdere beoordeling van het hoger beroep 2.1 Aan de orde is nog altijd de vraag of de man de verwekker van [de minderjarige] is en zo ja, of hij gehouden is om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) van [de minderjarige] . Verwekkerschap 2.2 In de tussenbeschikking van 6 maart 2024 heeft het hof geoordeeld dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de man de verwekker van [de minderjarige] kan zijn en dat een DNA-onderzoek geen ongerechtvaardigde inbreuk op de privacy en lichamelijke integriteit van de man is. Zoals hiervoor geschreven heeft het hof de man – ondanks zijn eerdere weigering – vervolgens in de gelegenheid gesteld om aan het hof te laten weten of hij alsnog bereid is zijn medewerking aan een DNA-onderzoek te verlenen. Daarbij heeft het hof overwogen dat als de man bij zijn besluit blijft om niet aan het DNA-onderzoek mee te werken, het hof daaraan de gevolgen zal verbinden die het hof geraden acht. 2.3 Aangezien het hof van de man nadien geen enkele reactie heeft ontvangen, gaat het hof ervan uit dat hij weigert om aan een dergelijk onderzoek mee te werken. Het gelasten van een DNA-onderzoek is daarom niet mogelijk. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van de man gelegen om zekerheid te verschaffen over zijn verwekkerschap door mee te werken aan het DNA-onderzoek. Nu de man weigert deze zekerheid te verschaffen, verbindt het hof aan deze weigering de conclusie die het hof geraden acht. Het hof neemt op grond van het hiervoor genoemde en hetgeen in de tussenbeschikking van 6 maart 2024 is overwogen, als vaststaand aan dat de man de verwekker van [de minderjarige] is. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de vaststelling van het ouderschap bekrachtigen. Kinderalimentatie 2.4 Nu het ouderschap van de man is vastgesteld, komt het hof toe aan de vraag in welke mate de man op grond van wat is bepaald in artikel 1:208 juncto artikel 1:404 van het Burgerlijk Wetboek dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . 2.5 De man stelt dat de vrouw geen inzicht heeft verschaft in haar financiële situatie en betwist dat moet worden uitgegaan van een behoefte van [de minderjarige] van € 625,- per maand. Ook blijkt volgens de man de draagkracht van partijen niet uit het verzoek van de vrouw. Ingangsdatum 2.6 De man heeft geen grief heeft gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum voor de kinderalimentatie, te weten 15 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.