Rolnummer: 22-002827-22 Parketnummer: 09-827594-17 Datum uitspraak: 30 mei 2024 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 juni 2018 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1], ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep verblijvende te [verblijfadres] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep in 2019 en 2020 en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 16 mei 2024. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1. primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens is de terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs) van de verdachte gelast, met voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, en met bevel dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Tot slot is beslist op de vordering van de benadeelde partij en omtrent het beslag, een en ander als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Door de officier van justitie en namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De meervoudige kamer van dit gerechtshof heeft - in een andere samenstelling – bij arrest van 16 december 2020 (onder rolnummer 22-002774-18) het vonnis waarvan beroep vernietigd en de verdachte ter zake het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld. Tegen dit arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 11 oktober 2022 voormeld arrest van het hof vernietigd, doch uitsluitend wat betreft het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging en de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en het cassatieberoep voor het overige verworpen. Omvang van het hoger beroep Gelet op voormelde procesgang is - met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 11 oktober 2022 - het vonnis waarvan beroep thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - onder 1 tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 27 september 2017 te Delft, ter uitvoering van het door hem/haar voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer] geboortedatum [geboortedatum 2], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(
(3e)instelling. Het forensisch plaatsingsloket (FPL van DIZ) was het hiermee eens, zodat de reclassering geen invulling meer kon geven aan de tbs met voorwaarden. Dit leidde tot het reclasseringsadvies alsnog verpleging van 28 juli 2022 en een gelijkluidende vordering van de tbs-officier van justitie. Op 29 augustus 2022 werd de verdachte aangehouden in de FPK Assen en een dag later wees de rechter-commissaris de vordering tot voorlopige verpleging toe en werd de verdachte overgebracht naar de penitentiaire inrichting. Op 1 november 2022 werd in de rechtbank Den Haag deze vordering behandeld en de vordering tot verlenging van twee jaar van de tbs met voorwaarden. Bij beslissing van 15 november 2022 werd de vordering tot alsnog verpleging afgewezen, doch de tbs met voorwaarden met twee jaar verlengd. Hierop gaf het IFZ door de realiteit gedwongen alsnog een indicatie af voor de FPK van LVB-instelling Trajectum, locatie Hoeve Boschoord. De verdachte was weliswaar geaccepteerd, maar men gaf vanwege zijn voorgeschiedenis de voorkeur aan een opname met dwangverpleging. Op 23 februari 2023 vond het hoger beroep plaats in Arnhem. Het hof vond het ongewenst en onnodig om vooruit te lopen op het eindoordeel van het gerechtshof Den Haag en achtte het mogelijk om in afwachting daarvan de tbs met voorwaarden te laten voortduren omdat per direct (met de kennis van toen) een bed op de FPK van Trajectum te Boschoord beschikbaar was. Omdat de vordering tot voorlopige verpleging hiermee verviel, is de verdachte vervolgens ter overbrugging overgebracht naar de FPA te Franeker. Daar liet hij zich moeilijk begrenzen en vonden er meerdere overtredingen plaats in de vorm van onder andere verbale agressie en het trachten op internet te komen. Een en ander leidde (wederom) tot het dringende verzoek de verdachte ter overbrugging over te plaatsen naar een andere instelling. Vervolgens werd de verdachte opgenomen op de FPK Transfore te Balkbrug. Tijdens deze opname maakte hij seksueel getinte opmerkingen tegen vrouwelijke sociotherapeuten en heeft hij een vrouwelijke sociotherapeut ongewenst aangeraakt, bleek dat hij op internet meerdere e-mailadressen had met provocerende namen en kreeg hij van deze FPK een waarschuwing vanwege dreigende agressie tijdens een woordenwisseling. Op 14 februari 2024 werd de verdachte geplaatst in de FPK van Hoeve Boschoord. De verdachte is, zo laat de reclassering weten, op de vorige behandelsettingen niet-behandelbaar gebleken, heeft nauwelijks ziekte-inzicht en de responsiviteit voor gedragsverandering is laag/afwezig gebleken. De verdachte laat zich niet vrijwillig in zijn vrijheid beperken en wil het liefst bij zijn moeder wonen, met wie de relatie wordt omschreven als niet-protectief; het wonen bij en de relatie met moeder heeft recidive niet voorkomen. Een zesjarige PIJ-maatregel en andere behandelingen in verband met zedendelicten hebben evenmin tot recidivereductie geleid. De verdachte behoeft voortdurend en langdurig begeleiding, toezicht en controle om zedendelicten en seksueel grensoverschrijdend gedrag te voorkomen. Hij heeft laten zien uit het schijnbare niets tot een hands-on zedendelict te kunnen komen. Ook in een forensische omgeving met veel controle, toezicht en beperkingen heeft de verdachte aangetoond zich niet te kunnen beheersen als het gaat om discutabele activiteiten op internet, agressief gedrag en seksueel grensoverschrijdende opmerkingen en handelingen. Van een delict-preventieve behandeling is sinds de oplegging van de tbs met voorwaarden op 25 juni 2018 geen sprake. De reclassering moet aannemen dat, hoewel in de tijd altijd vele processen plaatsvinden, zijn psychosociale en seksuele problematiek niet is bewerkt en dus het recidiverisico geenszins is afgenomen. De reclassering verwacht dat de verdachte ook bij een onherroepelijke veroordeling alle feiten zal blijven ontkennen, wat behandeling (wederom) zal frustreren. Intussen zal medio 2027 de maximale termijn van het huidige kader zijn bereikt. De reclassering adviseert negatief over tbs met voorwaarden, daar zij inmiddels geen mogelijkheden meer ziet om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen en verwacht dat ook de FPK van Hoeve Boschoord uiteindelijk de behandeling zal opzeggen. De reclassering adviseert dan ook tbs met dwangverpleging. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte aanvullende Pro Justitia rapportage van 17 april 2024, opgemaakt door dr. Van der Meer, psychiater, en het tweede aanvullende Pro Justitia rapportage van 3 mei 2024, opgemaakt door dr. Bullens, klinisch psycholoog. Beide rapporteurs zien na kennisname van het onherroepelijk worden van het onder 2 bewezenverklaarde geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen dan reeds hiervoor is weergegeven. Het hof heeft tevens acht geslagen op de overige zich in het dossier bevindende rapportages omtrent de persoon van de verdachte. De op te leggen maatregel Op grond van de voormelde bevindingen en conclusies van de gedragsdeskundigen Van der Meer en Bullens, welke conclusies het hof overneemt, is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit lijdende was aan een ziekelijke stoornis als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: ‘Sr’). Hoewel door de deskundigen Van der Meer en Bullens geen uitspraak is gedaan omtrent de mate van toerekenbaarheid van het tenlastegelegde, acht het hof aannemelijk dat het bewezenverklaarde, gelet op de bij de verdachte aanwezige stoornissen, in verminderde mate aan hem kan worden toegerekend en het hof zal daarvan uitgaan. Gelet op de ernst van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit – een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld - en gelet op hetgeen hiervoor omtrent de persoon van de verdachte en het gevaar voor herhaling is overwogen, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van een maatregel tot terbeschikkingstelling eist. Daarbij heeft het hof ook acht geslagen op de ernst van het onder 1 bewezenverklaarde en de herhaalde veroordeling wegens soortgelijke feiten. Ook is het hof van oordeel dat de voornoemde veiligheid tevens een dwangverpleging eist. Zoals uit het voorgaande blijkt is er sprake van een hoog tot zeer hoog recidiverisico. De verdachte is beperkt behandelbaar en behoeft voortdurend en langdurig begeleiding, toezicht en controle om zedendelicten en seksueel grensoverschrijdend gedrag te voorkomen. Het is een zeer reële mogelijkheid dat de benodigde behandeling en het daarop volgende, in een externe setting uit te oefenen, toezicht een termijn van 9 jaren, zijnde de maximale duur van een tbs-maatregel met voorwaarden, zal overschrijden. Het hof acht het noodzakelijk dat het eventuele, na afronding van de (naar verwachting langdurige) behandeling, te bieden externe toezicht blijft plaatsvinden binnen een forensisch kader. Alles afwegende is het hof – met de advocaat-generaal – van oordeel dat aan de verdachte de maatregel van tbs met dwangverpleging dient te worden opgelegd. Het hof bepaalt voorts dat de op te leggen tbs met dwangverpleging niet op voorhand is gemaximeerd, nu deze wordt opgelegd ter zake van een misdrijf (feit 1) dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, Sr. De totale duur van de tbs met dwangverpleging kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan. De op te leggen straf Het hof is voorts van oordeel dat, naast tbs met dwangverpleging, een gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Op het plegen van dergelijke ernstige strafbare feiten kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof is – al het voorgaande afwegende – van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de behandeling van de zaak in drie instanties (eerste appelprocedure, cassatieprocedure en tweede appelprocedure) niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, nu er tussen het instellen van het hoger beroep op 9 juli 2018 en het wijzen van arrest in de eerste appelprocedure een periode van meer dan 29 maanden is gelegen, de cassatieprocedure ongeveer 22 maanden heeft geduurd en de onderhavige appelprocedure na bijna 19 maanden na het arrest van de Hoge Raad wordt afgerond. Het hof heeft ook de gehele duur van de procedure in ogenschouw genomen. Daarbij verdient opmerking dat het hof, hoewel al geruime tijd formeel geen sprake is van voorlopige hechtenis, desondanks, omdat de verdachte in het kader van de door de rechtbank opgelegde tbs met voorwaarden feitelijk wel steeds van zijn vrijheid beroofd is geweest, uitgaat van een redelijke termijn van 16 maanden per instantie. Het hof zal deze overschrijding(en) in de strafmaat verdisconteren door de in beginsel passend en geboden geachte onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden te verlagen met 3 maanden. Het hof komt aldus tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd. Namens haar is door haar moeder [moeder slachtoffer] een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 primair tenlastegelegde, tot een bedrag van € 8,08 aan geleden materiële schade en € 850,- aan geleden immateriële schade, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over dit totale bedrag van € 858,
- In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 858,08, te vermeerderen met de wettelijke rente. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet anders dan met een beroep op vrijspraak betwist. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof is voorts van oordeel dat gelet op de onderbouwing van de vordering aannemelijk is geworden dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in haar persoon ‘op andere wijze’ sprake is en dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 858,08 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]. Beslag De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen voorwerp wordt onttrokken aan het verkeer. Het hof zal bevelen dat het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten de op de beslaglijst vermelde geheugensim(kaart), dient te worden onttrokken aan het verkeer, nu het onder 2 bewezenverklaarde met betrekking tot dit voorwerp is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan, vanwege het daarop aangetroffen kinderpornografische materiaal, in strijd is met de wet. Vordering tot gevangenneming Nu de verdachte reeds gedurende een lange periode in het kader van de door de rechtbank opgelegde (en dadelijk uitvoerbaar verklaarde) tbs met voorwaarden in een gesloten kliniek verblijft, aldaar de nodige behandelingen ondergaat, welke behandelingen, gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, naar het oordeel van het hof zijn aangewezen en het hoge recidiverisico hierdoor thans voldoende is ingeperkt, zijn naar het oordeel van het hof geen gronden aanwezig om de gevangenneming van de verdachte te bevelen. Het hof zal de vordering tot gevangenneming van de verdachte derhalve afwijzen. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 240b en 244 Sr, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Rechtdoende na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden. Vernietigt het vonnis waarvan beroep (voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof) en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Stelt vast dat de bewezenverklaring en kwalificatie van het onder 2 tenlastegelegde reeds eerder onherroepelijk zijn geworden. Ten aanzien van het onder 1 en (reeds onherroepelijk) onder 2 bewezenverklaarde Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: - 1.00 STK Geheugensimm KRUIDVAT Micro Hc 32 bg. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 858,08 (achthonderdachtenvijftig euro en acht cent) bestaande uit € 8,08 (acht euro en acht cent) materiële schade en € 850,00 (achthonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 858,08 (achthonderdachtenvijftig euro en acht cent) bestaande uit € 8,08 (acht euro en acht cent) materiële schade en € 850,00 (achthonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 17 (zeventien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 september
- Wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte. Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, mr. Chr.A. Baardman en mr. F.W. van Lottum, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 mei
- Mr. M. Bazuin is buiten staat dit arrest te ondertekenen.