← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2024:972

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummer BK-23/220 Uitspraak van 23 mei 2024 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 februari 2023, nummer SGR 22/

  1. Procesverloop 1.
  2. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 988 (de naheffingsaanslag). 1.
  3. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen. 1.
  4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van €
  5. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.
  6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van €
  7. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende zijn op 20 maart 2024 en 8 april 2024 nadere stukken ingekomen. 1.
  8. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 april
  9. De Inspecteur is verschenen en de gemachtigde van belanghebbende heeft deelgenomen aan de zitting via MS Teams, waarbij sprake was van een rechtstreekse beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.
  10. Belanghebbende heeft op 21 september 2020 bij [naam] in [plaats] , Verenigde Staten, een gebruikte auto gekocht voor een bedrag van US $ 18.000 exclusief “Ocean Freight” van US $ 675 en “Title Handling Fee” van US $
  11. 2.
  12. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 9.919 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van voormelde auto. De auto is een Ford Mustang Convertible – 2.3 EcoBoost, softtop (de auto). De datum van eerste toelating is 4 januari
  13. 2.
  14. In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] (het taxatierapport). In het taxatierapport van 11 december 2020 is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 88.250 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 28.733 (op basis van koerslijst XRAY). Hierop heeft de taxateur € 8.336 (100%) in mindering gebracht in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat is bepaald op € 20.
  15. De aangifte vermeldt een CO2-uitstoot van het voertuig van 230 gr/km (op basis van NEDC). 2.
  16. Naar aanleiding van de aangifte heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de Inspecteur belanghebbende verzocht de auto te tonen voor een hertaxatie. Belanghebbende heeft de auto op 29 december 2020 aan DRZ getoond. De bevindingen van DRZ zijn neergelegd in een rapport (rapport onderzoek waardebepaling) van 5 januari
  17. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 87.650, de netto catalogusprijs op € 38.934 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 28.606 (koerslijst XRAY). De aftrek wegens schade is vastgesteld op € 3.858 (72% van € 5.358), zodat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 24.748 bedraagt. Het rapport onderzoek waardebepaling vermeldt een CO2-uitstoot van het voertuig van 230 gr/km. 2.
  18. Vervolgens heeft de Inspecteur op basis van het onder 2.4 bedoelde onderzoek waardebepaling een naheffingsaanslag bpm opgelegd naar een bedrag van €
  19. Oordeel van de Rechtbank
  20. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “Onafhankelijkheid en deskundigheid hertaxateur DRZ (…) Historische nieuwprijs
  21. Voor gebruikte personenauto’s geldt dat het volgens artikel 10, lid 1, van de Wet BPM bij die auto behorende bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2, van de Wet BPM wordt berekend met inachtneming van een vermindering. De vermindering als bedoeld in artikel 10, lid 1, van de Wet BPM (de procentuele afschrijving), heeft tot doel om bij de heffing van Bpm ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met de (bij benadering) reële waardedaling van de auto. De wetgever heeft voorzien in drie methoden waaruit – met inachtneming van bepaalde voorwaarden – kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken. Eén methode is het vaststellen van de handelsinkoopwaarde op basis van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorvoertuigen door wederverkopers in Nederland. Van gebruikte auto’s, met een merk en een type dat door de fabrikant op de Nederlandse markt in de handel is gebracht, kan op basis van de koerslijst de handelsinkoopwaarde worden vastgesteld. Door deze waarde af te zetten tegen de historische nieuwprijs van de gebruikte auto (dit is de prijs die in Nederland ten tijde van de eerste toelating op de weg van de auto zou moeten zijn betaald door de consument voor de auto in nieuwstaat), wordt de procentuele afschrijving berekend.
  22. De auto is gefabriceerd voor de Amerikaanse markt en heeft geen type dat ooit op de Nederlandse markt in de handel is gebracht. Desondanks is tussen partijen niet in geschil dat voor de vaststelling van de procentuele afschrijving kan worden gekeken naar de handelsinkoopwaarde op de gekozen koerslijst (in dit geval X-Ray) van een wel in Nederland in handel gebrachte auto van hetzelfde merk, die voor wat betreft de technische uitvoering vrijwel gelijk is aan de auto (de referentieauto). Bij de aangifte heeft eiseres ter onderbouwing van de handelsinkoopwaarde van de auto een taxatierapport overgelegd, maar voor de vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat heeft de door eiseres ingeschakelde taxateur zich gebaseerd op de koerslijst en de daarin opgenomen referentieauto.
  23. Tussen partijen is in geschil of voor de vaststelling van de procentuele afschrijving de in de koerslijst gevonden handelsinkoopwaarde moet worden afgezet tegen de historische nieuwprijs van de auto of tegen de historische nieuwprijs van de referentieauto. De historische nieuwprijs van een auto wordt bepaald door de ten tijde van de eerste toelating op de weg geldende netto catalogusprijs (van de auto met de daarop aangebrachte accessoires), te vermeerderen met de verschuldigde BTW en met de ten tijde van de eerste toelating verschuldigde Bpm. Omdat de auto niet in Nederland in de handel is gebracht staat niet vast wat de (Nederlandse) netto catalogusprijs van de auto is geweest. Partijen zijn uitgegaan van de netto catalogusprijs van de referentieauto. De CO2-uitstoot van de auto is hoger dan de CO2-uitstoot van de referentieauto. Tussen partijen is niet in geschil dat dit verschil kan worden veroorzaakt door de meetmethode, maar ook door andere verschillen tussen de auto en de referentieauto, zoals de afmeting van de banden en de brandstoftank. Eiseres stelt dat voor de vaststelling van de procentuele afschrijving de historische nieuwprijs moet worden bepaald op de netto catalogusprijs van de referentieauto, vermeerderd met de BTW en de Bpm, vastgesteld op basis van de CO2-uitstoot van de auto. Verweerder stelt dat voor de vaststelling van de procentuele afschrijving moet worden aangesloten bij de historische nieuwprijs van de referentieauto, dus met inachtneming van de voor de referentieauto verschuldigde (lagere) Bpm.
  24. De door partijen gekozen methode voor vaststelling van de reële waardedaling van de auto, brengt mee dat de daadwerkelijke handelsinkoopwaarde van de auto niet komt vast te staan. Ook de netto catalogusprijs van de auto is niet vastgesteld. Voor de handelsinkoopwaarde en de netto catalogusprijs wordt gekeken naar de referentieauto. Het op deze wijze vergelijkenderwijs vaststellen van het afschrijvingspercentage geeft alleen een juiste uitkomst indien de handelsinkoopwaarde van de referentieauto wordt afgezet tegen de historische nieuwprijs van de referentieauto. De rechtbank wijst erop dat eiseres niet gebonden is aan de koerslijst. Het staat eiseres vrij om, nu de auto niet op een koerslijst voorkomt, indien zij meent dat het afschrijvingspercentage niet juist is, met een individueel taxatierapport haar standpunt te onderbouwen.
  25. Het gelijk wat betreft de historische nieuwprijs is dan ook aan verweerder. Schade (…) Verweerschrift (…) Conclusie
  26. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten
  27. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.
  28. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend. 4.
  29. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vaststelling van de inkoopwaarde van de auto op een bedrag van € 24.668, vaststelling van de historische nieuwprijs op € 90.025, vaststelling van de verschuldigde bpm op € 10.620 en vermindering van de naheffingsaanslag tot €
  30. Voorts concludeert belanghebbende tot toekenning van een proceskostenvergoeding. 4.
  31. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep 5.
  32. Vaststaat dat de auto is gefabriceerd voor de Amerikaanse markt en van een type is dat nooit op de Nederlandse markt in de handel is gebracht. Historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde in onbeschadigde toestand 5.
  33. Het geschil spitst zich toe op de vraag of bij de vaststelling van de naheffingsaanslag de historische nieuwprijs op het juiste bedrag is vastgesteld. Belanghebbende stelt dat voor het bepalen van de afschrijving moet worden uitgegaan van de historische nieuwprijs, waarbij de component bruto bpm wordt bepaald op de daadwerkelijke uitstoot van de auto (netto catalogusprijs € 38.934 + btw € 8.176 + historische bruto bpm (auto zelf) € 42.915 = historische nieuwprijs € 90.025). De Inspecteur stelt dat voor het bepalen van de afschrijving moet worden uitgegaan van de historische nieuwprijs waarbij de component bruto bpm wordt bepaald aan de hand van de referentieauto waarvan in de koerslijst is uitgegaan (netto catalogusprijs € 38.934 + btw € 8.176 + historische bruto bpm € 40.540 (referentieauto) = historische nieuwprijs € 87.650). 5.
  34. Anders dan de Inspecteur bepleit, dient voor de voor de auto verschuldigde bpm niet te worden uitgegaan van de CO2-uitstoot (en dus de bruto bpm) van het referentievoertuig, maar van de CO2-uitstoot (en dus de bruto bpm) van de auto zelf (HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703 en ECLI:NL:HR:2023:1714). Niet in geschil is dat de CO2-uitstoot van de auto zelf 230 gr/km bedraagt. Het gelijk is op dit punt aan belanghebbende. De historische nieuwprijs bedraagt derhalve € 90.
  35. Voor dat geval is, behoudens de hierna te bespreken standpunten, tussen partijen niet in geschil dat de naheffingsaanslag verminderd dient te worden tot €
  36. 5.
  37. Voor het geval het gelijk aan de zijde van belanghebbende is, neemt de Inspecteur, voor het eerst in hoger beroep, subsidiair het standpunt in dat – kort samengevat - de koerslijst niet kan dienen en dat moet worden teruggevallen op de forfaitaire afschrijvingstabel, zodat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Het volgen van het standpunt van belanghebbende brengt mee dat de auto dusdanig verschilt van de referentieauto genoemd in de koerslijst, dat deze koerslijst niet kan dienen en dat belanghebbende dus een volledig individuele beoordeling had moeten maken. Indien de historische nieuwprijs wordt aangepast, is volgens de Inspecteur niet duidelijk welke gevolgen dit heeft voor de handelsinkoopwaarde. De koerslijst geeft uitsluitend de handelsinkoopwaarde weer van de referentieauto en niet die van de (Amerikaanse) auto met hogere CO2-component. De Inspecteur wijst ook op andere verschillen (zoals afmetingen banden, brandstoftank, verschillen in motormanagement of afwijkingen in opties/uitvoeringen in opties). De gemachtigde van belanghebbende wijst erop dat hetzelfde voertuig ook in Europa wordt geleverd, met een CO2-uitstoot van 225 gr/km en dat de opties op de auto allemaal en juist zijn ingevuld. De handelsinkoopwaarde van de referentieauto kan dus dienen, aldus belanghebbende. 5.
  38. Het Hof volgt belanghebbende in dit standpunt. Het verschil in CO2-uitstoot is slechts 5 gr/km en het Hof ziet niet in waarom een koper onderscheid zou maken tussen een voertuig met 225 gr/km en een voertuig met 230 gr/km. Dat de opties onjuist zouden zijn verwerkt in de koerslijst, heeft de Inspecteur wel gesteld, maar niet verder onderbouwd. Hij heeft ook niet aangegeven welke gevolgen dit concreet heeft gehad. Dat de auto qua afmetingen banden, brandstoftank en motormanagement verschilt van de Europese uitvoering is niet in geschil, maar het is niet aannemelijk dat dit een opwaartse invloed heeft op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde toestand. Het is aannemelijk dat de auto door de hogere nieuwprijs voor een verhoging van de verzekeringspremie en de bijtelling privégebruik voor de inkomstenbelasting zorgt. De auto is dan juist minder aantrekkelijk. Het Hof ziet geen reden om de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde toestand aan te passen. Geldigheid rapport DRZ en handelsinkoopwaarde in beschadigde toestand 5.
  39. Wat betreft de vaststelling van de handelsinkoopwaarde in beschadigde toestand is in geschil of belanghebbende een beroep kan doen op het rapport van DRZ. De Inspecteur voert aan dat het taxatierapport van belanghebbende buiten beschouwing moet worden gelaten op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 10, lid 8, sub b, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen
  40. De cilinderinhoud, het gewicht, het vermogen etcetera van de auto en het referentievoertuig zijn verschillend en verder matcht de naam van de taxateur die het taxatierapport heeft ondertekend niet met de persoon die op de foto’s van de auto in de weerspiegeling is te zien. De Inspecteur verwijst naar de uitspraken van Hof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2023:2840 en ECLI:NL:GHARL:2023:
  41. Het rapport van DRZ is niet bedoeld om als taxatierapport van belanghebbende te dienen. Belanghebbende verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2024 ECLI:NL:HR:2024:147, waarin is beslist dat zelfs als het taxatierapport niet kan dienen nog steeds met schade rekening gehouden moet worden die door een deskundige (hier dan DRZ) in aanmerking is genomen. De Inspecteur stelt hiertegenover dat dat in dat arrest mogelijk was als gevolg van de toepassing van artikel 110 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en dat dan bewijs nodig is van de zijde van belanghebbende en dat dat bewijs hier niet is geleverd. 5.
  42. Het Hof stelt voorop dat het taxatierapport van belanghebbende niet kan dienen. Naast de door de Inspecteur genoemde verschillen, is het taxatierapport niet heel duidelijk. De foto’s zijn klein en donker, zodat de gestelde schade en gebreken niet met beeldmateriaal worden ondersteund. Het Hof begrijpt dat belanghebbende afstand heeft gedaan van haar rapport en is geswitcht naar de in het rapport van DRZ geconstateerde bevindingen en uitkomsten. Het Hof heeft zich, net als de Rechtbank in beroep en kennelijk de Inspecteur in de aanslagregelende fase, aan de hand van het rapport van DRZ een goed beeld kunnen vormen van de auto en de handelsinkoopwaarde in beschadigde toestand kunnen vaststellen. Het Hof accepteert het rapport van DRZ als bewijs van de stand van de auto ten tijde van de aangifte. Dat belanghebbende zich niet op dit rapport zou mogen beroepen, verwerpt het Hof. Dat kan alleen als blijkt dat het rapport van DRZ niet bruikbaar is omdat het ook geen goed of bruikbaar beeld geeft van de toestand van de auto ten tijde van de hertaxatie, bijvoorbeeld omdat er nog steeds essentiële gebreken zijn die eerst moeten worden hersteld. Dit heeft de Inspecteur niet aangevoerd. Het Hof ziet geen aanleiding om de handelsinkoopwaarde in beschadigde toestand aan te passen. Slotsom 5.
  43. Het hoger beroep is gegrond. Proceskosten en griffierecht 6.
  44. Het Hof zal de Inspecteur veroordelen in de door belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte kosten. Het Hof bepaalt deze kosten op € 4.120 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, een bedrag per punt van € 310 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1; 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de Rechtbank, een bedrag per punt van € 875 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1; 1 punt voor het indienen van een hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het Hof, een bedrag per punt van € 875 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1). 6.
  45. De machtigde heeft ter zitting van het Hof verklaard, onderbouwd met de bij nader stuk van 8 april 2024 ingediende factuur, aanspraak te maken op een vergoeding van € 69,65 ex btw vanwege het opvragen van de nieuwe koerslijst, als vallend onder artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) (schriftelijk bericht van een deskundige). De Inspecteur stelt dat deze kosten alleen al voor rekening van belanghebbende behoren te komen, nu belanghebbende eerder een correcte koerslijst had kunnen overleggen. Het Hof wijst het verzoek om vergoeding van deze kosten af. De Inspecteur heeft gelijk dat de kosten voor het opvragen van een koerslijst inherent zijn aan het gebruik van de door belanghebbende gekozen handelwijze voor de waardering van de auto. Bovendien is geen sprake van een deskundigenbericht als bedoeld in het Bpb, maar van het opvragen van een uitdraai uit een koerslijst. 6.
  46. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep gestorte griffierecht van € 365 en het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 548 te worden vergoed. Beslissing Het Gerechtshof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de naheffingsaanslag tot € 701; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 4.120; gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 913 aan griffierecht te vergoeden. Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 23 mei 2024 in het openbaar uitgesproken. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.