Rolnummer: 22-000667-24 Parketnummer: 09-196382-23 Datum uitspraak: 20 mei 2025 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 6 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, adres: [woonadres], [woonplaats]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is omtrent de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] een beslissing genomen als nader in het vonnis omschreven. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 24 maart 2023 te 's-Gravenhage, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft/is hij, verdachte, - dicht tegen die [benadeelde partij] aan gaan zitten en/of - zijn been in het been van die [benadeelde partij] gehaakt en/of - die [benadeelde partij] een kus op de wang gegeven en/of - bovenstaande handelingen onverhoeds en ongevraagd uitgevoerd. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met een proeftijd van twee jaren. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 24 maart 2023 te 's-Gravenhage, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft/is hij, verdachte, - dicht tegen die [benadeelde partij] aan gaan zitten en/of - zijn been in het been van die [benadeelde partij] gehaakt en/of die [benadeelde partij] een kus op de wang gegeven en/of - bovenstaande handelingen onverhoeds en ongevraagd uitgevoerd. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Nadere bewijsoverweging De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. In dit verband heeft de raadsman – kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de handelingen van de verdachte niet als ontuchtig zijn aan te merken. Het hof stelt voorop dat van een ontuchtige handeling als bedoeld in artikel 246 van het Wetboek van Strafecht (hierna: Sr) sprake is, indien het een handeling betreft van seksuele aard die in strijd is met de thans geldende sociaal-ethische norm. Er zal zowel sprake moeten zijn van een handeling met een seksuele strekking als van een schending van de sociaal-ethische norm. Indien niet gelijk uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handeling duidelijk naar voren komt dat deze een seksueel karakter draagt, komt het aan op de beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Het hof stelt, dienaangaande, mede gelet op de zich in het dossier bevindende camerabeelden, het volgende vast. De verdachte, die zich in dezelfde tram als de toen nog minderjarige aangeefster bevond, nam plaats op het bankje naast haar. De verdachte begon tegen haar te praten en zij wendde haar gezicht af naar het raam. Hij zocht vervolgens meer toenadering tot aangeefster door tweemaal te verzitten en daarmee dichter tegen haar aan te gaan zitten. De verdachte maakte voorts met zijn been contact met het been van aangeefster en kwalificeerde dat ter terechtzitting in hoger beroep als ‘voetjevrijen’. Vervolgens bewoog hij zijn hoofd richting het hoofd van aangeefster en gaf haar onverhoeds en ongevraagd een kus op haar wang. Het hof merkt voornoemde kus op de wang van aangeefster onder de gegeven omstandigheden aan als een handeling van seksuele aard, die in strijd is met de sociaal ethische norm en daarmee een ontuchtige handeling. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de aangeefster zonder enige aanleiding de handeling van een voor haar wildvreemd persoon, aanzienlijk ouder dan zijzelf diende te dulden. De verdachte heeft zich in een openbaar vervoermiddel, een tram, aan aangeefster opgedrongen door in 2 opvolgende zitbewegingen dichter tegen haar aan te gaan zitten, beencontact met haar te maken en haar vervolgens onverhoeds en ongevraagd een kus op haar wang te geven. Gelet op al het vorengaande is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding. Hij heeft een hem onbekende, aanzienlijk jongere en nog minderjarige vrouw in de tram benaderd en haar - zonder enige aanleiding daartoe - een kus op haar wang gegeven. Door aldus te handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Bovendien heeft het handelen van de verdachte blijkens haar slachtofferverklaring een grote impact op het slachtoffer gehad. Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.