GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummer BK-24/309 Uitspraak van 20 maart 2025 in het geding tussen: [X] B.V., te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 februari 2024, nummer SGR 22/
- Procesverloop 1.
- Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 14.092 (de naheffingsaanslag). 1.
- De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van €
- De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de naheffingsaanslag tot € 10.699 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; - veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 200; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 800; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.060; - draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden; - draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen en het griffierecht te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres; - bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiseres.” 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is van belanghebbende een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 31 januari
- 1.
- De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 februari
- Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten
- 2.
- Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 1.274 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Audi A7 Sportback 4.0 TFSI S7 quattro (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 1 januari
- 2.
- In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam] van 3 november
- Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 126.722 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 30.
- In het taxatierapport is vermeld dat bedragen van € 18.349 in verband met schade aan de auto en € 10.659 in verband met ex-schade in mindering zijn gebracht en dat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is bepaald op € 2.
- De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 71.997 (CO2-uitstoot van 317 gr/km). 2.
- Tot de gedingstukken behoort een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 18 november
- Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 135.732 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 31.770 (Xray (Marge)). DRZ heeft een bedrag van € 1.130 aan schade aannemelijk geacht. Van dat schadebedrag is € 814 (afgerond 72%) in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 30.
- 2.
- De Inspecteur heeft een bedrag van € 14.092 aan bpm nageheven. Daarbij is de bpm berekend op basis van de forfaitaire tabel, omdat dit volgens de Inspecteur gunstiger is voor belanghebbende in vergelijking met de bpm berekend op basis van de werkelijke afschrijving. Oordeel van de Rechtbank
- De Rechtbank heeft, voor zover van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “Beoordeling van het geschil
- Voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar is eiseres drie maal uitgenodigd voor een hoorgesprek. Op 28 september 2021 en 7 oktober 2021 geplande hoorgesprekken zijn door eiseres afgezegd. Vervolgens is eiseres uitgenodigd voor een hoorgesprek op 14 oktober 2021 Daarop heeft eiseres laten weten dat door onder meer een dreigende vordering van de Landsadvocaat het hoorgesprek geen doorgang kon vinden. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiseres. Verweerder heeft eiseres voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank is de hoorplicht niet geschonden.
- De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
- Eiseres stelt dat de Bpm is strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse voertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit zich heeft voorgedaan. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022[2] is deze stelling onjuist.
- Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder heeft eiseres bij brief van 16 december 2020 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiseres de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.
- De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. Dit volgt ook niet uit artikel 67 VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
- Dat in de aangifte van een te hoge CO2-uitstoot is uitgegaan is niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van een lagere uitstoot uit te gaan.
- De bewijslast voor een waardevermindering van de auto als gevolg van schade rust op eiseres. Eiseres heeft verwezen naar het taxatierapport. DRZ heeft de auto geschouwd en daarbij slechts een deel van de schade aangetroffen. Verweerder heeft het taxatierapport van eiseres daarom terecht terzijde geschoven en heeft een waardevermindering in aanmerking genomen van 72% van de door DRZ bepaalde schade. Dat een hoger bedrag aan waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen is niet aannemelijk gemaakt.
- In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiseres aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van strijd met het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid omdat eiseres wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een derde deskundige waarbij tal van voorwaarden gelden, terwijl voor de taxateur van DRZ die voorwaarden niet gelden.
- Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is op 6 april 2021 door verweerder ontvangen en de rechtbank doet op 21 februari 2024 uitspraak. De bezwaar- en beroepsfase heeft derhalve twee jaar en ruim 10 maanden geduurd, zodat de redelijke termijn met ruim 10 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 3 juni 2022 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding voor 8/10 deel aan de bezwaarfase te worden toegerekend en voor 2/10 aan de beroepsfase.
- Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Uit de overgelegde machtiging volgt dat schadevergoedingen aan de gemachtigde moeten worden uitbetaald, maar niet dat ze aan hem toekomen. In zoverre verschilt onderhavige zaak van de zaak waarin gerechtshof Den Haag op 13 juli 2023 uitspraak heeft gedaan[3]. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.
- Daarvan dient € 800 door verweerder te worden vergoed en € 200 door de Staat. Aan het arrest van het EHRM van 29 maart 2006[4] kan in dit geval geen aanspraak op een hogere vergoeding worden ontleend.
- Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard en wordt de naheffingsaanslag verminderd tot € 10.
- Proceskosten
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.060 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 310, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding.
- Nu het beroep gegrond is verklaard, dient het door eiseres betaalde griffierecht te worden vergoed. De stelling dat de hoogte van het griffierecht moet worden afgestemd op de hoogte van onderliggende vordering behoeft geen behandeling. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Het voorgaande neemt niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiseres wordt uitbetaald.
- Bovengenoemde vergoedingen dienen op grond van artikel 19a, vierde lid, van de Wet Bpm uitsluitend plaats te vinden op een bankrekening die op naam staat van eiseres. De rechtbank acht deze bepaling niet in strijd met enige verdragsrechtelijke bepaling. (…) [2] ECLI:NL:HR:2022:1277 [3] ECLI:NL:GHAMS:2023:1451 [4] ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397” Omschrijving geschil en conclusies van partijen
- 4.
- In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag, nadat deze is verminderd in de bezwaarfase, terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld, meer specifiek of de handelsinkoopwaarde van de auto juist is vastgesteld. Voorts is in geschil of: de Nederlandse rechter bevoegd is om het geschil te beslechten; de rechten van de verdediging zijn geschonden, doordat voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag geen gelegenheid is geboden om mondeling te worden gehoord; de CO2-uitstoot van de auto juist is vastgesteld; de historische nieuwprijs van de auto juist is vastgesteld; de handelsinkoopwaarde van de auto juist is vastgesteld; belanghebbende recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding; belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn; en of het Unierecht de lidstaten verbiedt om voorafgaand aan de behandeling en de uitspraak griffierecht te heffen. 4.
- Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en: - primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag, en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.912; meer subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.
- Belanghebbende concludeert daarnaast tot toekenning van een hogere kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase alsmede een hogere schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierbij verzoekt belanghebbende om toekenning van een forfaitaire proceskostenvergoeding met toepassing van wegingsfactor 5 dan wel voor de bezwaarfase wegingsfactor gemiddeld en voor de beroeps- en hogerberoepsfase wegingsfactor
- Tot slot verzoekt belanghebbende om schadeloosstelling tot een bedrag van € 5.000 dan wel € 1.500 en vergoeding van het door hem betaalde griffierecht, alles vermeerderd met een passende rentevergoeding. 4.
- De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen
- 5.1.
- Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat prejudiciële vragen door de Rechtbank zijn gesteld, is, aldus belanghebbende, sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht. 5.1.
- De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wiens uitspraken hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank blijkens de inhoud van haar uitspraak heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. 5.1.
- Belanghebbende stelt dat het Hof niet bevoegd is om het Unierecht uit te leggen. Belanghebbende verwijst naar het hoofdstuk in het VWEU over het HvJ EU en naar diens rechtspraak, waaruit zou volgen dat uitsluitend de hoogste Unierechter bevoegd zou zijn het Unierecht uit te leggen. Dit standpunt van belanghebbende is juridisch niet juist en praktisch onuitvoerbaar. Het Hof is, net als de Rechtbank, gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw, verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren. Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt het Hof zich en het is het Hof niet gebleken dat de Rechtbank dit niet heeft gedaan. Over hetgeen belanghebbende aangaande de vermeende onbevoegdheid van de Hoge Raad heeft opgemerkt, onthoudt het Hof zich van een oordeel. Dat is aan de Hoge Raad om te beoordelen. Bevoegdheid tot naheffen 5.
- Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, aangezien naheffing bij gebruikte auto’s die al in Nederland rijden niet mogelijk is, het Unierecht zich tegen naheffing bij gebruikte auto’s verzet. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de Rechtbank in overweging 7 van haar uitspraak op dit punt heeft overwogen en voegt daaraan nog het volgende toe. Belanghebbende maakt een onjuiste vergelijking. Heffing dan wel naheffing van bpm bij gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft ten doel op deze auto’s een passende, in overeenstemming met het Unierecht berekende belastingdruk (in de woorden van de gemachtigde: het juiste bedrag aan bpm) te leggen. Indien de belastingplichtige te weinig bpm op aangifte voldoet, mag de Inspecteur het verschil naheffen, mits hij de beginselen van het Unierecht respecteert. Op deze wijze ontstaat een evenwichtige situatie op de markt voor gebruikte auto’s in Nederland. Ook deze stelling faalt. Heffingsmodaliteiten 5.
- Anders dan belanghebbende stelt, is geen sprake van verschillende heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige personenauto’s, als gevolg waarvan belanghebbende uiteindelijk een hoger bedrag aan bpm op aangifte heeft voldaan voor de auto, dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op vergelijkbare gebruikte, in het binnenland geregistreerde personenauto’s. De naheffing dient te voorkomen dat te weinig bpm wordt geheven en ervoor te zorgen dat de bpm die op de ingevoerde auto drukt in lijn is met de bpm die drukt op een vergelijkbare auto op de binnenlandse markt. De toepassing van de Wet Bpm leidt niet tot heffing van een hogere belasting dan de belasting die op gelijksoortige binnenlandse auto's drukt. Bovendien is de wettelijke regeling – voor zover al sprake is van een belemmering – gerechtvaardigd, proportioneel en geschikt om de doelstelling te verwezenlijken. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel 5.
- Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden en verbindt daaraan de conclusie dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Gelijk de Rechtbank in overweging 11 van haar uitspraak heeft overwogen is belanghebbende vóór het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. De Inspecteur was niet gehouden belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek alvorens de naheffingsaanslag op te leggen. Dit standpunt faalt. DRZ 5.
- Belanghebbende heeft gesteld dat de medewerkers van DRZ ondeskundig zijn en dat de aanslag al om deze reden moet worden vernietigd. Het Hof volgt deze stelling niet. Er is geen enkele aanleiding voor de, door belanghebbende ingenomen en overigens geenszins geconcretiseerde, conclusie dat sprake is van – naar het Hof begrijpt uit de verklaring van belanghebbende – ondeskundigheid, vooringenomenheid, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheden. Bij aangiften bpm waarin gebruik wordt gemaakt van een individuele taxatie, kunnen de indieners worden uitgenodigd het voertuig op een van de locaties van DRZ (Soesterberg, Hoogeveen of Bleiswijk) te tonen. Op deze locaties kan een schouw onder optimale omstandigheden worden uitgevoerd, door middel van gekwalificeerd personeel van DRZ, goede verlichting en de beschikbaarheid van alle benodigde apparatuur en programmatuur. Niet gebleken is dat de Belastingdienst DRZ beïnvloedt of instrueert over de wijze van taxeren (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5796 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1818). Voorts staat het de Inspecteur vrij een deskundige naar zijn keuze in te schakelen. Soortgelijke voertuigen 5.6.
- Belanghebbende stelt dat sprake is van schending van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat er soortgelijke, vanuit de Verenigde Staten afkomstige, gebruikte voertuigen in het nationaal kentekenregister zijn ingeschreven met een lagere CO2-uitstoot van 225 gr/km. 5.6.
- Artikel 110 VWEU luidt, voor zover hier van belang: “De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks op gelijksoortige nationale producten worden geheven.” 5.6.
- Het Hof stelt voorop dat het op de weg van belanghebbende ligt om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 110 VWEU. Het gaat daarbij in het bijzonder om feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat de onderhavige auto een product van een andere lidstaat is. 5.6.
- Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. De auto, zo is niet in geschil, is voor de Amerikaanse markt gebouwd en is ingevoerd vanuit de Verenigde Staten. Dat de auto in Duitsland zou zijn gebouwd, doet daar niet aan af. 5.6.
- Gelet op het voorgaande behoeft het beroep van belanghebbende op de CO2-uitstoot van mogelijk reeds eerder ingevoerde soortgelijke referentievoertuigen geen nadere behandeling. Waardevermindering wegens schadeverleden 5.7.
- Belanghebbende stelt dat de auto omvangrijke schade heeft opgelopen en daardoor blijvend in waarde is gedaald, zelfs nadat de schade aan de auto geheel is hersteld (schadeverleden). De taxateur van belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat sprake is van een herbouwvoertuig dat uit onderdelen van verschillende auto’s bestaat. Daarbij is het oorspronkelijke chassisnummer vervangen door een nieuw chassisnummer. Om die reden dient een waardevermindering van minimaal 35% te worden toegepast, aldus belanghebbende. 5.7.
- Het Hof overweegt als volgt. Dat de auto schade heeft gehad is niet in geschil, maar daaruit volgt niet dat deze schade van dien aard was dat hieraan – ook na schadeherstel – een blijvende waardevermindering moet worden verbonden. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, volgt dat een belastingplichtige die stelt dat een schadeverleden een waardeverminderende invloed heeft op het voertuig, dit aan dient te tonen door middel van een deskundigenonderzoek. Ter zitting is gebleken dat belanghebbende niet over een dergelijk deskundigenonderzoek beschikt. De enkele verklaring van de taxateur ter zitting is daartoe onvoldoende en op grond van het vermelde arrest niet toereikend als bewijs voor een waardevermindering in verband met een schadeverleden. Ook het taxatierapport van de taxateur biedt onvoldoende grond om aan te nemen dat de auto in wezen een wrak is, dat nooit tot de Europese Unie had mogen worden toegelaten, zoals de gemachtigde en de taxateur van belanghebbende ter zitting eensgezind hebben verklaard. Het betoog van belanghebbende faalt. Percentage schade-aftrek 5.
- Belanghebbende betwist dat het percentage van de schade van 72 dat standaard in aftrek komt, in overeenstemming is met het Unierecht. Belanghebbende betoogt dat 100% van de schade in aftrek komt. Het Hof verwerpt dit standpunt. De bewijslast rust op belanghebbende (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, r.o. 2.3.4 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Als hij meent dat 100% van de schade voor aftrek in aanmerking komt, is het aan hem om dat te onderbouwen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Het percentage van 72 is te beschouwen als een gemiddelde, gebaseerd op onderzoek naar de invloed van schade op de handelswaarde van voertuigen. De Inspecteur hoeft dit percentage niet te onderbouwen. Conclusie naheffingsaanslag 5.
- De naheffingsaanslag is terecht en tot een juist bedrag vastgesteld. Er bestaat geen aanleiding voor een vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. Rentevergoeding wegens vermindering naheffingsaanslag 5.
- Belanghebbende heeft voor het geval zijn hoger beroep gegrond is, verzocht om toekenning van een passende rentevergoeding over de vernietiging/vermindering van de naheffingsaanslag. Belanghebbende heeft geen recht op een teruggaaf, dus dit standpunt behoeft geen bespreking. Proceskosten bezwaarfase 5.
- Belanghebbende heeft, gelijk hij terecht in hoger beroep heeft aangevoerd, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, recht op een hogere vergoeding voor de bezwaarfase. Verzoek vergoeding van immateriële schade 5.
- Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade in haar overwegingen 16 en 17 op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het Hof tot een ander oordeel leiden. Griffierecht 5.
- Belanghebbende klaagt dat de heffing van griffierecht een belemmerend effect heeft. Gelijk het Hof reeds in zijn uitspraken van onder meer 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1406 en 10 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:410, heeft bepaald, treft deze klacht geen doel. Gesteld noch gebleken is dat de heffing van de onderhavige griffierechten het voor belanghebbende uiterst moeilijk heeft gemaakt om de rechtsmiddelen van beroep en hoger beroep aan te wenden. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Voor een rentevergoeding over het geheven griffierecht bestaat geen aanleiding op grond van het nationale recht. Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente (vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, BNB 2019/171). Slotsom 5.
- Gelet op hetgeen overwogen in 5.11 is het hoger beroep is gegrond. Proceskosten
- 6.
- Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase vast op € 1.294 (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) à € 647 x 1 (gewicht van de zaak) (vgl. HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060). 6.
- Het Hof laat de beslissing van de Rechtbank over de proceskostenvergoeding in beroep in stand. 6.
- Het Hof stelt de kosten voor de hogerberoepsfase vast op € 181,40 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 0,1 € 907). Aangezien de uitspraak van de Rechtbank waartegen het hoger beroep zich richt is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de proceskostenvergoeding acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat sprake is van een bijzonder geval. De gemachtigde, een no cure no pay bureau, heeft zich in zijn beroepschrift en hogerberoepschrift overwegend bediend van standaardgrieven, zodat niet aannemelijk is dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:
- Van strijd met het Unierecht is evenmin sprake. 6.
- Voorts dient het door belanghebbende betaalde griffierecht in hoger beroep te worden vergoed. Het Hof laat de beslissing omtrent de vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht van de Rechtbank in stand. 6.
- Het Hof als bestuursrechter is niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag (zie HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4). Beslissing Het Gerechtshof: bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing inzake de proceskosten in bezwaar; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar tot een bedrag van € 1.294; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 181,40; gelast de Inspecteur het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 279 te vergoeden; en bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak. Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. De griffier, de voorzitter, T.S.K.L. Tjon W. de Wit De beslissing is op 20 maart 2025 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.