GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/892 Uitspraak van 24 juni 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur van 3 oktober 2024 met referentienummer […] . Procesverloop 1.1. Belanghebbende heeft op 15 juni 2020 een herziene aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2015 ingediend. Deze aangifte is door de Inspecteur aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag (het verzoek om ambtshalve vermindering) als bedoeld in artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). 1.2. Bij beschikking van 29 december 2020 heeft de Inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. 1.3. Bij uitspraak op bezwaar van 23 maart 2021 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van 23 maart 2021 beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 6 april 2023, nummer SGR 21/2467, het beroep ongegrond verklaard. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof (BK-23/492). Het Hof heeft bij uitspraak van 11 juli 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1777, als volgt beslist: “Het Gerechtshof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank; vernietigt de uitspraak op bezwaar; wijst de zaak terug naar de Inspecteur teneinde een hoorgesprek met belanghebbende te voeren en opnieuw uitspraak op bezwaar te doen; bepaalt dat tegen de door de Inspecteur te nemen uitspraak op bezwaar uitsluitend beroep kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 28,32, en gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 185 aan griffierechten te vergoeden.” 1.6. Bij uitspraak op bezwaar van 3 oktober 2024 (de uitspraak op bezwaar) heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. 1.7. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 51 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.8. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 13 mei 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 7 april 2016 aangifte IB/PVV 2015 (de aangifte) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.533. In de aangifte heeft belanghebbende onder meer een giftenaftrek van in totaal € 1.900 vermeld, bestaande uit een gift van € 1.000 aan “ [de vereniging] ” (de vereniging) en een gift van € 900 aan de “ [de kerk] ” (de kerk). Met dagtekening 23 september 2016 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 (de aanslag) overeenkomstig de aangifte vastgesteld. 2.2. De vereniging stond in het onderhavige jaar geregistreerd als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Bij beschikking van 24 oktober 2022 is de ANBI-status van de vereniging ingetrokken met terugwerkende kracht tot 23 maart 2018. De reden van de intrekking van de ANBI-status was dat de vereniging niet voldeed aan de voorwaarden ten aanzien van het voeren van een administratie en niet (volledig) voldeed aan de inlichtingenplicht en verder dat belanghebbende de enige bestuurder van de ANBI was, tot het moment dat belanghebbende op 9 september 2022 met terugwerkende kracht nog twee bestuurders registreerde bij de Kamer van Koophandel. 2.3. Op 15 juni 2020 heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV 2015 ingediend, waarin de gift aan de vereniging is verhoogd naar € 6.000. De Inspecteur heeft deze herziene aangifte aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en belanghebbende bij brief van 9 september 2020 om nadere informatie verzocht over de giften aan de vereniging en de kerk. 2.4. Belanghebbende heeft bij brief van 11 september 2020 gereageerd op het onder 2.3 bedoelde informatieverzoek. Onderaan zijn reactie op het informatieverzoek heeft hij met betrekking tot de gift aan de vereniging de tekst van een onderhandse schenkingsovereenkomst van 1 januari 2015 opgenomen. 2.5. Bij brief van 29 december 2020 heeft de Inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar aangetekend en heeft in zijn bezwaarschrift niet verzocht te worden gehoord. 2.6. Met dagtekening 10 februari 2021 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om nadere informatie met betrekking tot de giften. Hierin heeft de Inspecteur belanghebbende ten aanzien van de giften aan de vereniging verzocht de oorspronkelijke versie van de in 2.4 genoemde schenkingsovereenkomst van 1 januari 2015 te overleggen. 2.7. Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief van 19 februari 2021. In deze brief heeft belanghebbende niet verzocht te worden gehoord. Bij zijn brief heeft hij de ondertekende schenkingsovereenkomst van 1 januari 2015 overgelegd, die voor zover van belang, luidt: “Partijen: [de vereniging] , rsin […] , gevestigd te […] , rechtsgeldig vertegenwoordigd door [belanghebbende] en [A] , hierna de ontvanger; [belanghebbende] , geboren op [geboortedatum] 1987, woonachtig te […] , hierna de schenker; Zijn op 1 januari 2015 het volgende overeengekomen. Schenker doneert voor onbepaalde tijd aan de ontvanger een bedrag van €6.000,-, zegge zes duizend euro. De penningmeester dhr. [A] verklaart op 1 januari 2015 dit bedrag in contanten te hebben ontvangen.” Voorts heeft belanghebbende bij deze brief een schenkingsovereenkomst van 31 december 2015 overgelegd, waarin de schenkingsovereenkomst van 1 januari 2015 wordt bekrachtigd en aangevuld. Deze overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt: “Partijen: [de vereniging] , rsin […] , gevestigd te […] , rechtsgeldig vertegenwoordigd door [belanghebbende] en [A] , hierna te noemen de ontvanger; [belanghebbende] , geboren op [geboortedatum] 1987, woonachtig te […] , hierna te noemen schenker. Wensen op 31 december 2015 de schenkingsovereenkomst van 1 januari 2015 te bekrachtigen en aan te vullen dat het bedrag van €6.000,-, zegge zes duizend euro, op jaarlijkse basis is.” Beide overeenkomsten zijn ondertekend door de penningmeester van de vereniging en door belanghebbende in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van de vereniging. 2.8. De Inspecteur heeft bij brief aan belanghebbende van 1 maart 2021 aangekondigd voornemens te zijn het bezwaar af te wijzen en belanghebbende in de gelegenheid gesteld op de brief te reageren, indien gewenst zijn bezwaar mondeling toe te lichten en daarvoor telefonisch een afspraak te maken. De reactietermijn is door de Inspecteur op 15 maart 2021 gesteld, waarbij de Inspecteur heeft vermeld dat indien voor die tijd geen reactie is ontvangen het bezwaarschrift overeenkomstig de mededeling zal worden afgehandeld. 2.9. Belanghebbende heeft bij brief van 5 maart 2021 gereageerd op de onder 2.8 bedoelde aankondiging en heeft daarin niet verzocht te worden gehoord. 2.10. Tot de gedingstukken behoort een verzendbewijs van 4 maart 2021 van een poststuk via PostNL aan het antwoordnummer van de Belastingdienst. 2.11. Bij uitspraak op bezwaar van 23 maart 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 6 april 2023, nummer SGR 21/2467, het beroep ongegrond verklaard. 2.12. In hoger beroep heeft belanghebbende onder meer overgelegd een financieel overzicht van de vereniging voor de jaren 2015 tot en met 2021 (het financieel overzicht) en een brief van 6 maart 2021, waarin hij in reactie op de onder 2.8 bedoelde brief de Inspecteur verzoekt hem in de bezwaarprocedure te horen. 2.13. Ter zitting van het Hof van 16 mei 2024 heeft belanghebbende onder meer een afschrift overgelegd van een e-mailbericht dat hij op 6 september 2022 heeft ontvangen van het Handelsregister KvK. Daarin staat vermeld: “Naar aanleiding van ons telefoongesprek kan ik u bevestigen dat wij uw schrijven van 23 maart 2018 terug hebben gevonden. Helaas is door ons het formulier inzake de inschrijving van mevrouw [B] en [C] over het hoofd gezien. Helaas mogen wij dat zelf intern niet herstellen. U dient daarvoor opnieuw het formulier 22 moeten indienen. (…)” 2.14. Ter zitting van het Hof van 16 mei 2024 heeft belanghebbende voorts een verzendbewijs van 6 maart 2024 van een poststuk via PostNL aan het antwoordnummer van de Belastingdienst overgelegd. 2.15. Het Hof heeft naar aanleiding van het verhandelde ter zitting de zaak ter zitting van het Hof van 16 april 2024 geschorst en belanghebbende in de gelegenheid gesteld het verzendbewijs van de brief van 5 maart 2021 (zie 2.9) aan de griffier te zenden. 2.16.1. Op 16 mei 2024 heeft belanghebbende bij e-mailbericht de griffier onder meer een verzendbewijs van 5 maart 2021 van een poststuk via PostNL aan het antwoordnummer van de Belastingdienst gezonden. Verder heeft belanghebbende daarbij (ongevraagd) een aantal stukken van de Kamer van Koophandel ingezonden. 2.16.2. De Inspecteur heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, bij brief van 24 mei 2024 op de onder 2.16.1 vermelde stukken gereageerd. 2.17. Het Hof heeft bij uitspraak van 11 juli 2024 de zaak teruggewezen naar de Inspecteur teneinde een hoorgesprek met belanghebbende te voeren en opnieuw uitspraak op bezwaar te doen. 2.18. Bij brief van 17 juli 2024, door de Inspecteur ontvangen op 22 juli 2024, heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld wegens niet tijdig beslissen en de Inspecteur in de gelegenheid gesteld binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. 2.19. Bij brief van 25 juli 2024 heeft de Inspecteur de ontvangst van de onder 2.18 bedoelde brief bevestigd en heeft hij belanghebbende er op gewezen dat een ingebrekestelling niet kan worden ingediend voordat de beslistermijn is verstreken (6 weken na de uitspraak van het Hof). De Inspecteur heeft de ingebrekestelling vervolgens prematuur verklaard. 2.20. Bij brief van 26 juli 2024 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht uiterlijk 14 augustus 2024 contact met hem op te nemen teneinde een datum voor een hoorgesprek te kunnen afspreken. Belanghebbende heeft op 13 augustus 2024 telefonisch contact met de Inspecteur opgenomen. Bij brief van 14 augustus 2024 heeft de Inspecteur de afspraak voor het hoorgesprek op 13 september 2024 om 11.00 uur ten kantore van de Belastingdienst bevestigd. 2.21. Bij brief van 26 augustus 2024, door de Inspecteur ontvangen op 27 augustus 2024, heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld wegens niet tijdig beslissen en de Inspecteur in de gelegenheid gesteld binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. 2.22. Bij brief van 10 september 2024 heeft de Inspecteur de ontvangst van de onder 2.21 bedoelde brief bevestigd. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen: “(…) Uw brief verbaast mij. Niet alleen om de reden dat u zich in uw brief richt tot mevrouw (…), wetende dat u in deze zaak met mij in gesprek bent. Ook omdat u de inspecteur in gebreke stelt (…), terwijl wij eerder, op 13 augustus 2024, voor aanstaande vrijdag 13 september 2024 een hoorgesprek zijn overeengekomen. Ik vind dit alles opmerkelijk. Temeer daar u in ons telefoongesprek van 13 augustus 2024 geenszins blijk heeft gegeven van uw wens het hoorgesprek eerder te doen plaatsvinden (dan wel afhandeling van uw zaak (meer) te bespoedigen). Wat hiervan ook zij, ik meen dat uw ingebrekestelling prematuur is. De werking van de uitspraak van het Hof wordt namelijk opgeschort totdat de termijn voor het instellen van beroep in cassatie is verstreken. Daarna gaat de bezwaarbeslistermijn lopen. Tot aanstaande vrijdag.” 2.23. Op 13 september 2024 heeft een telefonisch hoorgesprek plaatsgevonden. 2.24. Bij brief van 13 september 2024, door de Inspecteur ontvangen op 17 september 2024, heeft belanghebbende een klacht ingediend over het hoorgesprek van 13 september 2024. De inhoud van de brief luidt als volgt: “(…) De heer (…) begon het gesprek met verwijten. Hij zette de toon zo scherp in dat ik mij door hem namens uw voltallige organisatie geschoffeerd voelt. (…) Uw behandelaar schoffeerde mij (…) ook al op de zitting bij het hof. Sarcastisch en lacherig doen over mijn verletkosten claim. Nu kwam meneer mij verwijten dat ik een ingebrekestelling heb gestuurd. Het was toch zijn vakantie die in de weg zat. Wat kan ik daar aan doen? Ik heb puur de procedure gevolgd die ik in elk bestuursrechtelijk geschil volg, namelijk het scherp zitten op de termijnen. Door mij is nadrukkelijk aangegeven geschoffeerd te zijn. Door mij is nadrukkelijk aangegeven dat het nu daarom wijs is dat dit gesprek met een collega van de heer (…) plaatsvindt. Als wij fysiek in een ruimte waren geweest was ik de kamer uitgelopen. Zo begin je namelijk in mijn perceptie geen gesprek. Je hebt inhoud met elkaar, maar je gaat niet de ander lopen schofferen. Soms is het niet eens de woorden die gebruikt worden maar de belerende toon. Als u mij een schoon digitaal opslag element verstrekt zal ik u een kopie van deze opname verstrekken. Ook als ambtenaar heb je je aan fatsoensnormen te houden. Stelt u eens voor dat ik de andere kant op zo was begonnen, had u in mijn perceptie ook het recht gehad om het gesprek te beëindigen. Kennelijk in de perceptie van de heer (…) heb ik dat van de belastingdienst kennelijk te slikken.” 2.25. Bij brief van 16 september 2024 heeft de Inspecteur een afschrift van het hoorverslag aan belanghebbende gezonden. Volgens het hoorverslag waren bij het hoorgesprek namens de Belastingdienst twee personen aanwezig, die tijdens het gesprek beiden het woord hebben gevoerd. Belanghebbende heeft bij brief van 19 september 2024 gereageerd op het hoorverslag. 2.26. Bij de uitspraak op bezwaar (van 3 oktober 2024) heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. 2.27. Bij brief van 5 december 2024 is door de afdeling Particulieren, Ondersteuning Burgers en Klachtbehandeling, van de Belastingdienst de door belanghebbende ingediende klacht (zie 2.24) afgehandeld. De conclusie van de brief is dat, gelet op de inhoud van de klachtenbrief en door het ontbreken van een mondelinge toelichting, geen oordeel kan worden gegeven over de klacht nu aan de beleving van belanghebbende niet meer of minder waarde is toe te kennen dan aan de beleving van de medewerkers van de Belastingdienst die bij het hoorgesprek van 13 september 2024 aanwezig waren. Geschil in beroep en conclusies van partijen 3.1. In geschil is of de hoorplicht wederom is geschonden en de zaak om die reden dient te worden teruggewezen naar de Inspecteur. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend; de Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend. In het geval het Hof het verzoek om terugwijzing van de zaak afwijst, is verder in geschil of het verzoek om ambtshalve vermindering terecht is afgewezen en meer in het bijzonder of het verzoek van belanghebbende tot toekenning van een nadere giftenaftrek van € 5.000 terecht is afgewezen. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend; de Inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend. 3.2. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, primair tot terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur in verband met schending van de hoorplicht en subsidiair tot toekenning van het verzoek tot ambtshalve vermindering en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. Voorts heeft belanghebbende verzocht om een vergoeding voor de door hem gemaakte proceskosten in bezwaar en (hoger) beroep en om toekenning van een vergoeding wegens immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 3.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Beoordeling van het beroep Afwijzing uitstelverzoek zitting 4.1. Partijen zijn bij bericht van 27 maart 2025 uitgenodigd voor een mondelinge behandeling van de zaak op 13 mei 2025. Bij brief van 5 april 2025, ingekomen op 8 april 2025, heeft belanghebbende om uitstel van de zitting gevraagd. 4.2. Bij bericht van 8 april 2025 heeft het Hof het verzoek om uitstel van de zitting afgewezen bij gebreke van een dwingende reden tot uitstel. De door belanghebbende genoemde reden kan niet als zodanige reden dienen. Belanghebbende is ter zitting verschenen en heeft in de afwijzing van het uitstelverzoek berust. Schending hoorplicht 4.3.1. Belanghebbende stelt primair dat de hoorplicht in de bezwaarfase wederom is geschonden. Tijdens het hoorgesprek verhief, aldus belanghebbende, de bezwaarbehandelaar zijn stem. Daarop heeft belanghebbende tijdens het hoorgesprek meermaals verzocht of een andere behandelaar kon worden aangewezen. Dit werd door de Inspecteur afgewezen. Ondanks het verzoek om een andere behandelaar heeft de Inspecteur op 3 oktober 2024 toch uitspraak op het bezwaar gedaan. Belanghebbende meent dat de Inspecteur hem in elk geval nog in de gelegenheid had moeten stellen zich schriftelijk over de zaak uit te laten, nadat het hoorgesprek voortijdig was beëindigd. Belanghebbende stelt daarom dat (wederom) sprake is van schending van de hoorplicht en wenst in verband hiermee terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur. 4.3.2. De Inspecteur stelt dat geen sprake is van schending van de hoorplicht. Belanghebbende is op 13 september 2024 gehoord. Op initiatief van belanghebbende heeft dit gesprek telefonisch en niet ten kantore van de Belastingdienst plaatsgevonden. In het hoorgesprek is belanghebbende niet inhoudelijk ingegaan op de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Dit omdat belanghebbende meent dat hij is geschoffeerd door een van de bij het hoorgesprek aanwezige medewerkers van de Belastingdienst doordat deze volgens belanghebbende een scherpe toonzetting voerde. 4.4. Ingevolge artikel 7:2, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord. Ingevolge artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt een belanghebbende in afwijking van artikel 7:2 Awb gehoord op zijn verzoek. 4.5. Het Hof heeft in de eerdere hogerberoepsprocedure ten aanzien van het onderhavige verzoek tot ambtshalve vermindering geoordeeld dat sprake is geweest van een schending van de hoorplicht als hiervoor vermeld, waarna het Hof de zaak heeft teruggewezen naar de Inspecteur teneinde belanghebbende alsnog te horen en opnieuw uitspraak op bezwaar te doen (zie 2.17). Op 13 september 2024 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. 4.6. Belanghebbendes primaire standpunt faalt. Daartoe overweegt het Hof het volgende. Er is een hoorgesprek gevoerd, weliswaar telefonisch, maar dat is, in afwijking van de gemaakte afspraak (zie 2.20), op initiatief van belanghebbende op die wijze gebeurd. In dit hoorgesprek is de inhoud van de zaak (de giftenaftrek) niet aan bod gekomen, om reden dat de introductie van het gesprek volgens belanghebbende schofferend was gelet op de toonzetting waarmee hij zou zijn aangesproken omtrent de premature ingebrekestelling van 17 juli 2024 (zie 2.18). Uit het verslag van het hoorgesprek (zie 2.25) blijkt dat belanghebbende dit gevoel tijdens het hoorgesprek heeft benoemd en dat de Inspecteur heeft getracht dit gevoel weg te nemen en heeft benadrukt dat dit geen reden is het gesprek niet voort te zetten teneinde het over de inhoud te hebben. Belanghebbende heeft dit categorisch geweigerd. Gelet op de verdere inhoud van het hoorverslag is het Hof van oordeel dat het aan belanghebbende is toe te rekenen dat het hoorgesprek niet heeft geleid tot de gewenste, en met terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur beoogde, discussie over de inhoud van de zaak. De door belanghebbende ingediende klacht bij de Belastingdienst inzake het hoorgesprek is afgehandeld en de uitkomst daarvan leidt het Hof niet tot een ander oordeel. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof de vraag wat hij tijdens het hoorgesprek ten aanzien van de inhoud had willen aanvoeren in het geval het aldaar wel tot een inhoudelijke beoordeling was gekomen, beantwoord met enkel een herhaling van argumenten die eerder in de hogerberoepsprocedure met kenmerk BK-23/492 (zie 1.5) door hem zijn aangevoerd. Anders dan belanghebbende betoogt, bestaat er geen rechtsregel die de Inspecteur verplicht belanghebbende, nadat deze zelf een hoorgesprek voortijdig heeft beëindigd, de gelegenheid te bieden tot een schriftelijke reactie. Het Hof ziet dan ook geen enkele reden tot terugwijzing. Giftenaftrek 4.7. De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op belanghebbende. Belanghebbende stelt dat hij in het jaar 2015 een gift in contanten aan de vereniging heeft gedaan van € 6.000. Hij stelt dan ook dat zijn verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag, waarin reeds een bedrag van € 1.000 als gift aan de vereniging in aftrek is toegestaan, moet worden toegekend, zodat het totaal van het in zijn aanvullende aangifte vermelde bedrag van € 6.000 in aanmerking komt voor aftrek. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst hij naar de door hem overgelegde schenkingsovereenkomst(en), waarin de penningmeester van de vereniging heeft verklaard dat hij een bedrag van € 6.000 in ontvangst heeft genomen. Verder verwijst hij ter onderbouwing naar het onder 2.12 bedoelde financieel overzicht van de vereniging. 4.8. Op grond van artikel 6.32 Wet IB 2001 zijn aftrekbare giften (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.