Rolnummer: 22-002987-23 Parketnummer: 09-282838-21 Datum uitspraak: 8 juli 2025 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 22 september 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, BRP-adres: [woonadres], [woonplaats]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: zij op of omstreeks 17 december 2020 te ‘s-Gravenhage, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig de onder haar gezag staande hond [hond] (ras [hondenras]), onvoldoende onder controle heeft gehad/gehouden, waardoor haar hond tegen [slachtoffer] (geboren [geboortedatum slachtoffer] 2011) is opgesprongen en/of heeft aangevallen en/of vervolgens meermalen (althans eenmaal) in de (onder)armen van die [slachtoffer] heeft kunnen bijten en/of heeft gebeten, terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemde hond zonder strikte (volwassen) begeleiding en/of controle een gevaar voor de omgeving vormt, waardoor het aan haar schuld te wijten is (geweest) dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten (diepe) vleeswonden in haar onderarmen, heeft opgelopen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: zij op of omstreeks 17 december 2020 te `s-Gravenhage geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder haar hoede staande gevaarlijk dier, te weten een hond ([hondenras] genaamd [hond]), immers heeft zij, verdachte, de hond zonder onbegeleid los laten lopen en/of onvoldoende onder controle en/of toezicht gehouden tengevolge waarvan de hond een minderjarige persoon [slachtoffer] (geboren [geboortedatum slachtoffer] 2011) gebeten waardoor die [slachtoffer] letsel (diepe vleeswonden in haar onderarmen) heeft opgelopen. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uur, subsidiair veertig dagen hechtenis, waarvan zestig uur, subsidiair dertig dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak primair tenlastegelegde De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld en dat zij derhalve dient te worden veroordeeld voor het primair tenlastegelegde feit. De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig haar overgelegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit. Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 17 december 2020 heeft er een bijtincident plaatsgevonden in het huis waar de verdachte op dat moment woonde. De verdachte was toen aan het werk en niet in de woning aanwezig. Wel in de woning aanwezig waren de hond [hond], de drie minderjarige kinderen van de verdachte en twee minderjarige vriendinnetjes van haar dochters, waaronder het 9-jarige slachtoffer [slachtoffer]. De hond zat aanvankelijk in een bench en had daar gepoept. Nadat de verdachte daarvoor aan een van haar dochters telefonisch toestemming had gegeven, werd de hond daarom uit de bench gelaten. De hond heeft zich vervolgens direct op [slachtoffer] gericht en heeft haar meerdere malen gebeten. Zij heeft daarvan zwaar lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van elf wonden op haar beide onderarmen, waarvan één wond reikte tot op het bot. Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 308, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “aan wiens schuld te wijten is” vast dient komen te staan dat het letsel bij [slachtoffer] is ingetreden door veroorzakend aanmerkelijk onzorgvuldig/onvoorzichtig handelen van de verdachte. Die aanmerkelijke onvoorzichtigheid dient voorts voldoende verwijtbaar te zijn. Naar het oordeel van het hof is niet vast komen te staan dat het handelen van de verdachte dusdanig onvoorzichtig is geweest dat daarmee sprake is van schuld als bedoeld in artikel 308, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij weegt het hof mee dat er voorafgaand aan het onderhavige bijtincident geen andere bijtincidenten zijn voorgevallen. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op of omstreeks 17 december 2020 te ‘s-Gravenhage geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder haar hoede staand gevaarlijk dier, te weten een hond ([hondenras] genaamd [hond]), immers heeft zij, verdachte, de hond zonder onbegeleid los laten lopen en/of onvoldoende onder controle en/of toezicht gehouden ten gevolge waarvan de hond een minderjarige persoon, te weten [slachtoffer] (geboren [geboortedatum slachtoffer] 2011), heeft gebeten waardoor die [slachtoffer] letsel (diepe vleeswonden in haar onderarmen) heeft opgelopen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Nadere bewijsoverweging Voor de vaststelling dat de verdachte niet voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder haar hoede staand gevaarlijk dier, zoals bedoeld in artikel 425, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht, hoeft geen sprake te zijn van aanmerkelijke onvoorzichtigheid, maar is bepalend dat het handelen van de verdachte in enige mate als verwijtbaar aan te merken is. Het antwoord op de vraag of hiervan sprake is, is naar het oordeel van het hof afhankelijk van de mate waarin degene onder wiens hoede het dier staat bekend was, of had moeten zijn, met de gevaarlijkheid van het dier, alsmede in hoeverre die persoon heeft voldaan aan de zorgplicht om het dier onschadelijk te houden. Volgens vaste jurisprudentie vereist het bepaalde in artikel 425, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht, niet dat het desbetreffende dier zijn potentieel gevaarlijke karakter eerder heeft geopenbaard door een mens of ander dier aan te vallen. Ook een dier waarvan op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert die de genoemde wetsbepaling in het algemeen heeft willen voorkomen, moet als gevaarlijk in de zin van die wetsbepaling worden aangemerkt. Hiertoe overweegt het hof als volgt. Gevaarlijk dier Op 26 januari 2021 is door gedragsexperts van het Riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht een risicoanalyse van de hond opgesteld. De conclusie van de gedragsexperts luidt dat het risico op een bijtincident zeer hoog naar mensen en kinderen is. Blijkens het rapport is de hond onvoorspelbaar, wisselt hij van angstig tot agressief gedrag en kan hij opvallend snel opgewonden raken als hij zich bedreigd voelt. Bij de opslaghouder heeft de hond zonder aanleiding een verzorger gebeten waarbij er sprake was van een lichte verwonding. Volgens informatie van de (vaste) verzorger aldaar kan de hond ineens raar reageren en ‘je moet dus erg goed opletten’. De hond vertoont veel dreiggedrag, ook in de kennel als hij positief benaderd wordt, wat wijst op territoriale agressie. Daarnaast vertoont de hond prooivanggedrag naar andere honden. De onderzoekers concluderen dat de hond te risicovol is om te herplaatsen, zodat alleen euthanasie als optie overblijft. Gelet op de bevindingen in het rapport kwalificeert het hof de hond als “gevaarlijk dier” in de zin van voormelde wetsbepaling. Hoede De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat de hond onder de hoede van de verdachte stond, omdat zij niet de (juridische) eigenaar was en de hond haar opgedrongen was door haar toenmalige partner. In dit verband wijst het hof op de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd. Zij heeft de vraag of de hond onder haar hoede stond, bevestigend beantwoord. Ook heeft zij verklaard dat haar toenmalige partner en zij altijd met zijn tweeën zijn geweest. Uit de verklaringen van de verdachte blijkt voorts dat zij sinds de afwezigheid van haar toenmalige partner de dagelijkse zorg voor en het toezicht op [hond] op zich heeft genomen en dat zij ook zeggenschap heeft gehad over de wijze waarop de hond onschadelijk werd gehouden. Zo bepaalde zij wanneer de hond in de bench werd gezet. Daarmee had zij [hond] naar het oordeel van het hof onder haar hoede, ook tijdens het bijtincident. Dat zij niet de juridische eigendom van de hond had en de zorg en zeggenschap eigenlijk niet wilde hebben, doet daar niet aan af. Verwijtbaarheid Uit de verklaring van de verdachte bij de politie en haar verklaring tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte zich bewust was van het feit dat [hond] moeilijk onder controle te houden was. Zij heeft verklaard dat de hond sterk was, vaak tegen mensen op sprong en dat zij regelmatig geen grip op de hond had. Voornamelijk als er visite in de woning aanwezig was, wat regelmatig voorkwam, was de hond erg druk en deed zij hem in de bench. De verdachte omschreef de woning als een ‘inloop/doorloophuis’ waar veel vriendjes en vriendinnetjes van haar kinderen in- en uitliepen. Als ze niet thuis was, zat de hond eveneens in de bench, ook om te voorkomen dat hij weg zou lopen. Voorts heeft zij verklaard dat de hond te sterk was om uitgelaten te worden door haar dochters. Op de vraag van verbalisanten of zij vond dat ze [hond] fysiek en mentaal aan kon, heeft de verdachte verklaard dat dit op dat moment niet het geval was. Door de afwezigheid van haar toenmalige partner moest zij veel werken en de kinderen alleen opvoeden; zij had eigenlijk geen tijd voor de hond. Over het bijtincident heeft de verdachte nog verklaard dat als zij had geweten dat [slachtoffer] in huis was zij nooit toestemming zou hebben gegeven de bench te openen omdat zij wist dat [slachtoffer] erg bang was voor de hond. Gebleken is dat het gedrag van de hond voor de verdachte vaak aanleiding was om hem in de bench te doen. Zij wist dat in ieder geval een vriendinnetje dat vaak over de vloer kwam, erg bang voor de hond was. Voorts staat vast dat op de dag van het incident de minderjarige kinderen alleen met de hond in de woning waren en dat de verdachte, voordat zij ging werken, de hond in de bench had gedaan. Zij wist dat de hond druk was, te sterk voor de kinderen was, niet naar hen luisterde en dat zij dus geen controle over de hond hadden. Ook wist zij dat er in ieder geval een ander kind dat niet tot het gezin behoorde in huis was. Zonder zich ervan te vergewissen wat de verdere situatie in huis was, heeft zij desondanks een van haar dochters toestemming gegeven de hond uit de bench te laten, waardoor het bijtincident zich kon voordoen. Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof voldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Het getuigt niet van verantwoord houderschap om een hond met de gedragskenmerken zoals door de verdachte naar voren zijn gebracht, over te laten aan minderjarige kinderen. Zij hadden de hond immers in het geheel niet onder controle waardoor er een serieuze kans of een aanmerkelijk risico op schade bestond. Hiervan kan de verdachte een verwijt worden gemaakt. Dat het gedrag van de hond als onvoorspelbaar en agressief te duiden was – en niet zoals de verdachte meende ‘speels’- vindt bovendien bevestiging in de risicoanalyse van gedragsexperts van het Riskassessmentteam van de Universiteit van Utrecht van 26 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.