GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.332.303/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/637459 / HA ZA 22-918 Arrest van 5 augustus 2025 in de zaak van [appellant] , wonend in [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. H.J. Hagemans, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen 1 [geïntimeerde 1] , wonend in [woonplaats] , 2. [geïntimeerde 2], wonend in [woonplaats] , 3. Vereniging van Eigenaars [adres 1] , gevestigd in [vestigingsplaats] , geïntimeerden, advocaat: mr. I.R. Köhne, kantoorhoudend in Voorburg. Het hof noemt partijen hierna [appellant] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en de VvE. Het hof noemt geïntimeerden gezamenlijk [geïntimeerden] 1De zaak in het kort 1.1 [appellant] heeft een bedrijfsruimte. De kelder daarvan is alleen toegankelijk via de oprit van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] (zijn buren). [appellant] stelt dat hij door verjaring een erfdienstbaarheid heeft en dat zijn buren onrechtmatig handelen als zij hem niet onbeperkt en onbelemmerd over de oprit naar zijn kelder laten gaan. 1.2 De rechtbank oordeelde dat er geen verkrijgende verjaring is en dat de buren niet onrechtmatig handelen. Het hof bekrachtigt dat vonnis. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 24 juli 2023, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 april 2023; het arrest van dit hof van 3 oktober 2023, waarin een mondelinge behandeling is gelast; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 januari 2024; de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen; de memorie van antwoord van [geïntimeerden] ; de bijlage 24 die [appellant] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd. 2.2 Op 26 juni 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3Feitelijke achtergrond 3.1 [appellant] is sinds 2015 eigenaar van het appartementsrecht met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [adres 2] . [appellant] woont boven de bedrijfsruimte. 3.2 De bedrijfsruimte van [appellant] bestaat uit een ruimte op de begane grond (hierna: de bedrijfsruimte) en een kelder (hierna: de kelder). [appellant] verhuurt de bedrijfsruimte aan een derde en heeft de kelder in eigen gebruik voor onder andere opslag. 3.3 De zijgevel van de bedrijfsruimte grenst aan een bestrate oprit (hierna: de oprit). De bedrijfsruimte en de oprit behoorden in het verleden toe aan dezelfde eigenaar en zijn in 2006 kadastraal gesplitst in verschillende percelen. Na splitsing waren de oprit en de bedrijfsruimte in eigendom van één van de rechtsvoorgangers van [geïntimeerden] , JPM Management en Beheer B.V (hierna: JPM). 3.4 Op 14 februari 2007 is de oprit tezamen met de [adres 1] geleverd aan Youngstreet Monumenten B.V. (hierna: Youngstreet). De bedrijfsruimte en de kelder zijn daarna, in 2008, verkocht aan Bronston Holding B.V. 3.5 [appellant] heeft de bedrijfsruimte en de kelder gekocht van Bronston Holding B.V. en geleverd gekregen op 12 maart 2015. 3.6 Youngstreet heeft de [adres 1] in 2020 verkocht aan Woonholland Delfland B.V. (hierna: Woonholland). [adres 1] is vervolgens gesplitst in drie appartementsrechten, [adres 1] , [adres 1] en [adres 1] .Woonholland heeft de drie appartementsrechten en de oprit verkocht aan 2K B.V (hierna: 2K). 3.7 [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn sinds 2021 eigenaar van het appartementsrecht met betrekking tot de woonruimte gelegen op de begane grond en het souterrain met tuin aan de [adres 1] (hierna: [adres 1] ) en van de oprit. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn de bewoners van [adres 1] . 3.8 In artikel 28 van de koopovereenkomst tussen [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en 2K ten aanzien van [adres 1] en de oprit (hierna: koopovereenkomst) staat: “Het is koper genoegzaam bekend dat er m.b.t. de bestaande uitgang van [adres 2] nog een afspraak met de eigenaar dient te worden vastgelegd.” 3.9 De deur in de zijgevel van de bedrijfsruimte en de toegangsdeur tot de kelder komen uit op de oprit. De oprit wordt aan de straatzijde (de [adres 2] ) afgesloten met een hek. 3.10 [appellant] heeft in het verleden van de oprit gebruik gemaakt om van en naar de bedrijfsruimte en de kelder te gaan. 3.11 [geïntimeerden] hebben het hek van de oprit medio 2022 afgesloten waardoor [appellant] geen toegang meer heeft tot de oprit. Vervolgens is tussen partijen discussie ontstaan of [appellant] gerechtigd is om via de oprit toegang tot de bedrijfsruimte en de kelder te krijgen. 3.12 Bij brief van 18 augustus 2022 heeft (de advocaat van) [appellant] , voor zover van belang, het volgende aan [geïntimeerden] bericht: “(...) Vanwege het feit dat de bedrijfsruimte uitsluitend via uw binnenplaats te bereiken is, is cliënte er bij de splitsing van de appartementsrechten met de rechtsvoorganger van uw rechtsvoorganger overeengekomen dat cliënte gerechtigd is om op de sinds jaar en dag gebruikelijke wijze te komen en te gaan van de [adres 2] naar de bedrijfsruimte. Aan dit recht van overpad is door partijen steeds uitvoering gegeven. Om er zeker van te zijn dat cliënt zijn bedrijfsruimte blijvend kan bereiken wenst cliënt tot vastlegging van het recht van overpad over te gaan. Hoewel vastlegging, naar mededeling van de makelaar en aannemer van uw rechtsvoorganger, bij akte van splitsing zou worden vastgelegd, heeft notariële vastlegging vooralsnog niet plaatsgevonden. Cliënt heeft recent moeten constateren dat het recht om te komen en te gaan naar de bedrijfsruimte onmogelijk is gemaakt. Cliënt heeft hierdoor geen vrije toegang meer tot de aan hem in eigendom toekomende bedrijfsruimte, hetgeen voor cliënte onacceptabel is. Namens cliënt verzoek - en voor zover nodig sommeer - ik u het daarheen te leiden dat (de leden van de VvE) aan cliënt met onmiddellijke ingang de ongestoorde toegang tot de bedrijfsruimte wordt verleend en blijft worden.” 3.13 Daarna hebben (de advocaten) van partijen nader gecorrespondeerd. Dit heeft niet tot afspraken tussen partijen geleid. 4Procedure bij de rechtbank 4.1 [appellant] heeft [geïntimeerden] gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: i. primair verklaart voor recht dat een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan als gevolg van verkrijgende verjaring op grond waarvan [appellant] (en/of zijn rechtsopvolgers) gerechtigd zijn tot onbeperkte en onbelemmerde toegang tot de binnenplaats, zulks om te komen van en te gaan naar de kelder en de bedrijfsruimte vanaf en naar de openbare weg, welk recht door [geïntimeerden] dient te worden gerespecteerd, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding daarvan; en ii. gedaagden gebiedt om hun medewerking te verlenen aan de notariële vastlegging van dit recht van erfdienstbaarheid, binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat zij daarmee in gebreke blijven, tot een maximum van € 100.000,-; iii. subsidiair verklaart voor recht dat [appellant] (en/of zijn rechtsopvolgers) en of de feitelijke gebruikers van de bedrijfsruimte en/of de kelder, recht hebben op een uitweg c.q. noodweg over de binnenplaats om te komen van en te gaan naar de bedrijfsruimte en de kelder vanaf en naar de openbare weg, welk recht door gedaagden dient te worden gerespecteerd, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding daarvan; iv. meer subsidiair verklaart voor recht dat [geïntimeerden] onrechtmatig jegens hem handelen door hem de onbelemmerde en onbeperkte toegang tot de binnenplaats te ontzeggen en het toegangshek waarmee de binnenplaats wordt afgesloten van de openbare weg, middels een slot te vergrendelen en gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade en te lijden schade, primair in natura door het gebruiksrecht van [appellant] alsnog te respecteren, subsidiair nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. v. [geïntimeerden] veroordeelt in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis. 4.2 [appellant] stelt, voor zover in hoger beroep nog van belang, onder andere dat hij de bezitter is van een erfdienstbaarheid in de zin van artikel 3:108 BW en dat hij ten aanzien van dit bezit te goeder trouw is omdat JPM bij overdracht van het perceel aan Youngstreet het gebruiksrecht van [appellant] vast zou laten leggen in een notariële akte van levering door het vestigen van een erfdienstbaarheid. Verder voert hij aan dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] voorafgaand aan de koop van [adres 1] zijn geïnformeerd over het gebruiksrecht van [appellant] en hebben aangegeven dit gebruiksrecht te respecteren. Dat zij [appellant] de toegang tot de binnenplaats ontzeggen is onrechtmatig en [appellant] lijdt daardoor schade. [geïntimeerden] betwisten dat [appellant] een erfdienstbaarheid bezit en dat er sprake is van goede trouw. Over het gestelde onrechtmatig handelen voeren [geïntimeerden] aan dat zij meermaals hebben aangegeven in redelijkheid afspraken te willen maken over het incidenteel verlenen van toegang tot de kelder. 4.3 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. 5Vorderingen in hoger beroep 5.1 [appellant] vordert hetzelfde als bij de rechtbank. [appellant] heeft zes grieven (bezwaren) aangevoerd tegen het vonnis van de rechtbank. Kort gezegd zien de bezwaren van [appellant] op het volgende. Er is wel degelijk een recht van erfdienstbaarheid ontstaan door verkrijgende verjaring. [geïntimeerden] handelen onrechtmatig en in strijd met de redelijkheid en billijkheid jegens [appellant] door [appellant] de toegang tot de binnenplaats te ontzeggen. 6Beoordeling in hoger beroep Omvang geschil in hoger beroep 6.1 [appellant] vordert een verklaring voor recht dat een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan als gevolg van verkrijgende verjaring op grond waarvan [appellant] het recht heeft om te komen van en te gaan naar de kelder en de bedrijfsruimte. Zijn grieven betreffen met name het recht om naar de kelder te komen en te gaan. [appellant] heeft niet betwist dat de zijdeur van de bedrijfsruimte al geruime tijd van binnenuit is geblokkeerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] verklaard dat hij zich in hoger beroep alleen nog richt op het door hem gestelde recht om te komen van en te gaan over de oprit naar de kelder. De stelling dat er een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan als gevolg van verkrijgende verjaring op grond waar [appellant] het recht heeft om te komen van en te gaan naar de bedrijfsruimte, is dus in hoger beroep uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgegeven. Het hof zal daarom alleen voor de kelder beoordelen of een erfdienstbaarheid is ontstaan als gevolg van verkrijgende verjaring. 6.2 [appellant] vordert verder (subsidiair) een verklaring voor recht dat [appellant] recht heeft op een uitweg c.q. noodweg over de oprit om te komen van en te gaan naar de bedrijfsruimte en de kelder vanaf en naar de openbare weg. [appellant] richt geen grief tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen recht bestaat op een noodweg als bedoeld in artikel 5:57 BW en heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de noodweg geen rol meer speelt in hoger beroep. Het oordeel van de rechtbank hierover staat in hoger beroep dan ook vast. Recht van overpad door verjaring 6.3 Artikel 5:72 BW bepaalt dat erfdienstbaarheden kunnen ontstaan door vestiging (in een akte) en door verjaring. Tussen partijen staat vast dat de erfdienstbaarheid waar [appellant] zich op beroept, niet daadwerkelijk bij akte was gevestigd. Het hof neemt bij de beoordeling of een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan als gevolg van verjaring tot uitgangspunt dat tot 2007 deze vraag niet speelde. Tot 21 april 2006 bevonden de kelder en de oprit zich immers op hetzelfde perceel. Het perceel waarop de kelder en de oprit zich bevinden is gesplitst op 21 april 2006. Na de splitsing waren de oprit en de kelder in eigendom van dezelfde eigenaar, JPM. JPM heeft het appartementsrecht van de [adres 1] en de oprit verkocht op 14 februari 2007. Pas vanaf dat moment was het eigendom van de oprit en de kelder niet langer in één hand. Dit betekent dat een verjaringstermijn niet eerder kan zijn gaan lopen dan op 14 februari 2007. Van bevrijdende verjaring kan in elk geval geen sprake zijn omdat de termijn van 20 jaar nog niet is verstreken (artikel 3:105 BW jo. artikel 3:306 BW). 6.4 Het beroep op verkrijgende verjaring van een registergoed slaagt als er sprake is van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.