GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.336.580/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C0/09/640145 / HA ZA 22-1069 Arrest van 19 augustus 2025 in de zaak van [appellante] , wonend in [woonplaats], appellante, advocaat: mr. M.R. Dill, kantoorhoudend in Dordrecht, tegen [geïntimeerde] , wonend in [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. M.F. Laning, kantoorhoudend in Voorschoten. Het hof noemt partijen hierna [appellante] en [geïntimeerde]. 1De zaak in het kort 1.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellante] aanspraak kan maken op de contractuele boete vanwege het niet (tijdig) nakomen van een koopovereenkomst door [geïntimeerde]. [geïntimeerde] vindt van niet en beroept zich op een (niet ondertekend) ontbindingsdocument waarin staat dat partijen in goed overleg de koopovereenkomst ontbinden en dat de ‘waarborgsom’ van € 35.000,- aan [geïntimeerde] zal worden terugbetaald. 1.2 De rechtbank heeft [appellante] veroordeeld tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 35.000,-. Het hof bekrachtigt die beslissing. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 21 december 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 oktober 2023; het arrest van dit hof van 27 februari 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 april 2024; de memorie van grieven tevens akte houdende vermeerdering van eis van [appellante], met bijlagen; de memorie van antwoord van [geïntimeerde]. 3Feitelijke achtergrond 3.1 [geïntimeerde] en [appellante] hebben in november 2021 een schriftelijke koopovereenkomst gesloten, waarbij [geïntimeerde] van [appellante] een woon-winkelpand aan de [adres] heeft gekocht voor een bedrag van € 450.000,-. 3.2 [geïntimeerde] is bij de onderhandelingen bijgestaan door [A] en [appellante] door haar makelaar [B] van [makelaardij 1] (hierna: [B] of de makelaar). 3.3 In de koopovereenkomst is onder meer opgenomen dat de koopsom € 450.000,- bedraagt en dat de akte van levering gepasseerd zal worden op 27 december 2021 of zoveel eerder of later als door partijen overeengekomen. Verder is opgenomen dat [geïntimeerde] verplicht is uiterlijk 20 december 2021 een waarborgsom onder de notaris te storten dan wel een bankgarantie te stellen voor een bedrag van € 45.000,- (artikel 4 lid 1). 3.4 Artikel 12 van de koopovereenkomst bepaalt, voor zover van belang, het volgende: “1. Een partij is in verzuim jegens de wederpartij als hij, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig is of blijft aan zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst te voldoen. Ingebrekestelling moet schriftelijk geschieden met inachtneming van een termijn van acht dagen. (…) 3. Wanneer het verzuim betrekking heeft op het meewerken aan de feitelijke en/of juridische levering (…) zal de nalatige partij (…) ten behoeve van de wederpartij, een zonder rechterlijke tussenkomst opeisbare boete verbeuren. De hoogte van deze boete is gelijk aan tien procent van de totale koopprijs. (…)” 3.5 [geïntimeerde] heeft niet uiterlijk 20 december 2021 een waarborgsom gestort of bankgarantie afgegeven. Het pand is niet op 27 december 2021 geleverd. 3.6 Bij e-mail van 8 januari 2022 heeft [B] het volgende bericht aan [A] gestuurd: “Naar aanleiding van een eerder uitstel van levering, welke afgelopen vrijdag 7 januari afliep, wijs ik je op de termijn van 8 werkdagen waarin het object afgenomen dient te worden. Voorts wijs ik je op artikel 4 uit de koopovereenkomst inzake de termijn waarbinnen de waarborgsom op de derdengeldrekening van de notaris diende te zijn gestort. Deze termijn is ruim verstreken en dient per omgaande te worden voldaan. Graag aandacht voor de volgende termijnen: Storting waarborgsom à € 45.000,- uiterlijk maandag 10 januari voor 17.00 uur. Overdracht uiterlijk woensdag 19 januari (8 werkdagen na 7 januari) De verkoper lijdt momenteel schade door betalingsverplichtingen die door de late levering niet nagekomen kunnen worden. Ik stel voor dat een aanzienlijk deel van de waarborgsom, per direct beschikbaar wordt gesteld ten bate van verkoper, teneinde de schade te beperken. (…)” 3.7 Bij brief van 10 januari 2022 heeft [B] aan [geïntimeerde] een brief gestuurd waarin onder meer het volgende staat: “Betreft: aanbetaling en verlate levering inzake [adres]. (…) Namens verkoper krijgt u akkoord om uiterlijk woensdag 19 januari 2022 bovengenoemd object te laten passeren, op voorwaarde dat vandaag een deel van de waarborgsom groot € 35.000,- direct op rekening van verkoper gestort wordt. [bankrekeningnummer] t.n.v. [appellante]. Deze waarborgsom zal in mindering gebracht worden op de totale koopsom. (…)” 3.8 Op 10 januari 2022 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 35.000,- overgemaakt op de bankrekening van [appellante] met als omschrijving “aanbetaling [adres]”. 3.9 Op 19 januari 2022 heeft geen levering plaatsgevonden. 3.10 [appellante] heeft een koopovereenkomst gesloten met [makelaardij 2] B.V. (hierna: [makelaardij 2]) waarbij het pand is verkocht voor een bedrag van € 450.000,-. In de (schriftelijke) koopovereenkomst staat “die [verkoper en koper, hof] verklaren op 27-01-2022 van verkoper te hebben gekocht”. Deze koopovereenkomst is op 31 januari 2022 ondertekend door [appellante] en op 1 februari 2022 door [makelaardij 2]. Bij allonge van 16 maart 2022 is de koopprijs verlaagd naar € 425.000,-. Het pand is op 23 maart 2022 aan [makelaardij 2] geleverd. 3.11 [B] heeft aan [geïntimeerde] een conceptovereenkomst voorgelegd met dagtekening 31 januari 2022 waarin [appellante] en [geïntimeerde] als partijen worden genoemd (hierna: het ontbindingsdocument). Hierin is onder meer het volgende opgenomen: “De ondergetekenden, (…) verklaren de overeenkomst inzake [adres], getekend op 15-11-2021 in goed overleg te ontbinden. De gestorte waarborgsom van € 35.000,- zal uiterlijk 24 maart 2022 geretourneerd aan koper worden, doch eerder indien bovenstaand object eerder overgedragen wordt aan de nieuwe koper. Verkoper behoudt het recht de wettelijke rentederving in rekening te brengen vanaf 31 januari 2022.” 3.12 Op 31 januari 2022 is tussen [appellante] en [B] contact geweest via WhatsApp. Het gesprek omvat onder meer het volgende: “31-01-2022 15:10 – [[appellante]]: Hoi [B], heb je van [naam 1] de koopovereenkomst al ontvangen, zo ja dan kan ik er van uitgaan dat de overeenkomst met “[geïntimeerde]” [[geïntimeerde], hof] is ontbonden? Ik wil nu toch wel graag zekerheid hebben. (…) 31-01-2022 15:12 – [[B]]: Hi [appellante], ik krijg hem einde dag terug. Waren weer wat details die niet klopten. (…) 31-01-2022 15:32 – [[appellante]]: (…) Om de vaart er in te houden is het idd fijn als ik de overeenkomst kan tekenen, en ga ik ervan uit dat “[geïntimeerde]” en ik ontbonden zijn. (…)” 3.13 Op 5 februari 2022 heeft [B] aan […] Beheer een e-mail gestuurd met de volgende inhoud: “Geachte heer [geïntimeerde], Gezien het niet nakomen van de voorwaarden uit de koopovereenkomst inzake de [adres], bevestig ik hierbij de ontbinding van de overeenkomst per 31 januari jongstleden. Dit betekent dat wij vanaf 1 februari 2022 in onderhandeling met derden mogen zijn. Verkoper behoud het voorbehoud van rechten met betrekking tot een schadevergoeding (zie art. 12 sub 3), te rekenen acht werkdagen na de laatste datum van uitstel te weten: 31 januari 2022 (19 januari plus acht werkdagen). (…)” 3.14 [B] heeft de advocaat van [geïntimeerde] bij e-mail van 12 juni 2023, onder meer, als volgt bericht: “Geachte heer [naam 2], U vraagt mij hoe de door u bijgevoegde overeenkomst tot ontbinding van de koopovereenkomst tot stand is gekomen. Het is als volgt gegaan. Mevrouw [appellante] heeft mij opdracht gegeven de verkoop van de betreffende woning te begeleiden. Uiteraard neem ik alleen bepaalde acties in en na overleg met haar. De ontbindende voorwaarde was reeds tweemaal verlengd op verzoek van de zaakwaarnemer van de heer [geïntimeerde] (Dhr. [A]). Dat vond mevrouw [appellante] lastig maar het had te maken met de instemming van de gemeente voor de herontwikkeling van het pand. Wel was er om de verkoop voor verkoper en koper toch nog aantrekkelijk te houden door de heer [geïntimeerde] een bedrag als voorschot op de koopsom betaald van 35.000,-. Toch wilde mevrouw [appellante] op een gegeven moment niet langer doorgaan, zeker omdat er een tweede koper in de wacht stond die bereid was dezelfde prijs te betalen. Ik heb mevrouw [appellante] toen geadviseerd voordat aan deze koper zou worden verkocht – om geen problemen met de heer [geïntimeerde] te krijgen – eerst zijn instemming te hebben de koopovereenkomst te ontbinden waarbij het voorgeschoten bedrag dan zou worden terugbetaald. Dat was akkoord. Ik heb toen de overeenkomst opgesteld en is deze op mijn kantoor door de heer [geïntimeerde] getekend. Vervolgens heb ik deze aan mevrouw [appellante] gezonden (of afgegeven, dat weet in niet meer). Mevrouw [appellante] is er kennelijk later op terug gekomen om het voorgeschoten bedrag terug te betalen. (…)” 4Procedure bij de rechtbank 4.1 [geïntimeerde] heeft [appellante] gedagvaard en gevorderd haar te veroordelen tot betaling van € 35.000,-. Daarnaast heeft [geïntimeerde] betaling van € 1.125,- als vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke kosten gevorderd en veroordeling van [appellante] in de proceskosten. [geïntimeerde] legt aan zijn vordering, kort gezegd, ten grondslag dat partijen zijn overeengekomen dat de koopovereenkomst is ontbonden en de aanbetaling zou worden terugbetaald. 4.2 In reconventie vordert [appellante] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 10.000,-. Aan die vordering legt zij, kort gezegd, ten grondslag dat [geïntimeerde] op grond van de koopovereenkomst een boete van € 45.000,- verschuldigd is vanwege het niet tijdig afnemen van het pand. Na verrekening van de aanbetaling resteert nog een vordering van € 10.000,-, aldus [appellante]. 4.3 De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en de vordering van [appellante] afgewezen. [appellante] is zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat [geïntimeerde] zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst niet is nagekomen, dat de e-mail van 8 januari 2022 als ingebrekestelling geldt en dat [geïntimeerde] in beginsel de boete van 10% verschuldigd is. [appellante] is echter gebonden aan de inhoud van het ontbindingsdocument, ook al heeft zij dit niet ondertekend. [geïntimeerde] mocht erop vertrouwen dat de ontbindingsafspraak tussen partijen daadwerkelijk tot stand is gekomen omdat [B] hem (namens [appellante]) een schriftelijk stuk voorlegde waarin de afspraak stond en hij daarna, toen hij dat voorstel aanvaardde en het document had ondertekend, niets meer hoorde. Daar komt bij dat hij wist dat [appellante] er belang bij had dat zij niet meer aan [geïntimeerde] hoefde te leveren vanwege de verkoop aan een derde. De rechtbank heeft het ontbindingsdocument zo uitgelegd dat [appellante] geen aanspraak meer kan maken op de contractuele boete. 5Vorderingen in hoger beroep 5.1 [appellante] vordert vernietiging van het vonnis en afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] en toewijzing van haar vordering. Na eiswijziging vordert zij [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 45.000,-, te verhogen met wettelijke rente vanaf 27 januari 2022 en de buitengerechtelijke kosten ad € 1.225,-. Ook vordert zij dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in alle proceskosten. 5.2 Kort gezegd voert [appellante] aan dat de koopovereenkomst niet met wederzijds goedvinden is ontbonden, dat [B] zonder haar medeweten en in strijd met haar belangen heeft gehandeld, dat [geïntimeerde] niet te goeder trouw was omdat hij onder één hoedje met [B] heeft gespeeld en dat hij er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [B] een volmacht van [appellante] had om de koopovereenkomst te ontbinden onder de voorwaarde van terugbetaling van € 35.000,- (grief 1). [appellante] maakt ook bezwaar tegen de uitleg van het ontbindingsdocument (grief 2) en tegen afwijzing van het gevorderde bedrag van € 10.000,- (grief 3). Tot slot is [appellante] het niet eens met de proceskostenveroordeling (grief 4). 6Beoordeling in hoger beroep 6.1 [appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling (in 2.4 van het vonnis) door de rechtbank dat [geïntimeerde] geen waarborgsom heeft betaald. Dit bezwaar kan niet tot vernietiging van het vonnis leiden. Uit de opsomming van feiten volgt dat de rechtbank heeft bedoeld dat er uiterlijk 20 december 2021 geen waarborgsom is betaald. Hoe de rechtstreekse betaling aan [appellante] door [geïntimeerde] op 10 januari 2022 van een bedrag van € 35.000,- moet worden gekwalificeerd (als waarborgsom, voorschot of als aanbetaling) is verder niet relevant en kan in elk geval niet tot vernietiging van het vonnis leiden. 6.2 [appellante] heeft verder aangevoerd dat [geïntimeerde] geen door hem ondertekend ontbindingsdocument heeft ingebracht zodat het er volgens haar voor moet worden gehouden dat hij nimmer heeft ingestemd met dat document. De verklaring van [B] (zie hiervoor onder 3.14) op dit punt is volgens [appellante] nietszeggend omdat hij zonder haar medeweten en in strijd met haar belangen heeft gehandeld. Het hof volgt dat betoog niet. [appellante] heeft zelf de e-mail van [B] aan […] Beheer (gericht aan [geïntimeerde]) van 5 februari 2022 overgelegd waarin de ontbinding per 31 januari 2022 wordt bevestigd. Ook volgt uit de stukken dat [appellante] en [makelaardij 2] hebben verklaard dat zij op 27 januari 2022 een koopovereenkomst ter zake van het pand aan de [adres] hebben gesloten, dat [appellante] op 31 januari 2022 deze koopovereenkomst met [makelaardij 2] heeft getekend en dat het pand in maart 2022 is geleverd. Zou de koopovereenkomst met [geïntimeerde] niet ontbonden zijn, dan had [appellante] de koopovereenkomst met [makelaardij 2] niet kunnen nakomen. De ontbinding wordt overigens ook bevestigd door het WhatsApp-contact tussen [B] en [appellante] op 31 januari 2022. [appellante] appt namelijk op die datum om 15:32 uur dat, om de vaart erin te houden, het inderdaad fijn is dat zij de overeenkomst kan tekenen zodat zij ervan uit kan gaan dat [geïntimeerde] en zij ontbonden zijn. Gerechtvaardigd vertrouwen? 6.3 Het hof begrijpt de stellingen van [appellante] aldus dat zij weliswaar niet meer gebonden wilde blijven aan de koopovereenkomst maar dat zij niet akkoord was met de voorwaarde van terugbetaling van het bedrag van € 35.000,- (althans dat zij aanspraak wilde maken op de contractuele boete). [appellante] voert aan dat [geïntimeerde] er ook niet (gerechtvaardigd) op mocht vertrouwen dat zij instemde met terugbetaling omdat hij niet te goeder trouw was en met [B] onder één hoedje heeft gespeeld. Dat blijkt volgens haar uit het feit dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.