GERECHTSHOF DEN HAAG meervoudige strafkamer PROCES-VERBAAL van de op 18 augustus 2025 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof. Tegenwoordig zijn: mr. E.C. van Veen, voorzitter, mr. R. van der Hoeven en mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, leden, en mr. M. Bazuin, griffier. Voorts is aanwezig mr. H.H.J. Knol, advocaat-generaal. De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen. De verdachte, genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ([land]), thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfplaats], is niet ter terechtzitting verschenen. De voorzitter maakt melding van een door de verdachte ondertekende afstandsverklaring voor de terechtzitting van heden. Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, die mededeelt door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. […] De voorzitter deelt omtrent het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis het volgende mede. In de onderhavige strafzaak is de verdachte op 30 maart 2023 in verzekering gesteld, gevolgd door een voorlopige hechtenis die tot op heden voortduurt. Hij is door de rechtbank Rotterdam op 25 maart 2025 wegens gewoontewitwassen veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Tegen dit vonnis zijn zowel de verdachte als de officier van justitie in hoger beroep gekomen. Een van de grieven van de officier van justitie betreft de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf: de officier van justitie heeft een straf van zeven jaren geëist. Namens de verdachte is een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis ingediend met als doel de vrijheidsbeneming te laten voortduren maar met als titel de executie van het restant van een gevangenisstraf uit een eerdere strafzaak. Dat restant is ontstaan doordat de voorlopige invrijheidstelling van de verdachte in die eerdere strafzaak is herroepen c.q. niet is verleend plus 7 dagen die nog niet zijn geëxecuteerd. Het restant bedraagt in totaal 859 dagen. Schorsing van de voorlopige hechtenis zal geen verandering van regime meebrengen nu de verdachte op dit moment reeds in een “executie-regime” zit. De raadsman heeft, onder verwijzing naar diverse uitspraken van feitenrechters, betoogd dat toepassing van voorlopige hechtenis als ultimum remedium dient te gelden en dat om die reden het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf de voorkeur geniet boven het ondergaan van de voorlopige hechtenis en gezien kan worden als alternatief voor de voorlopige hechtenis nu de verdachte feitelijk niet op vrije voeten wordt gesteld. De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen toewijzing van het verzoek. Het hof overweegt als volgt. Executie van straffen en maatregelen, alsmede de volgorde waarin die executie plaatsvindt, behoren in beginsel tot het domein van de minister van rechtsbescherming. Artikel 1.4. lid 1 Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen bepaalt in dit verband dat de tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis (sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.