← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2025:1824

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie zaaknummer : 200.349.123/01 rekestnummer rechtbank : JE RK 24-2028 zaaknummer rechtbank : C/09/675494 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op grond van artikel 29a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op de zitting van 2 april 2025 Tegenwoordig: mr. H.J.M. Smid-Verhage, voorzitter, mrs. I. Reijngoud en K.J.T.M. Pijls-olde Scheper, leden, en mr. M.J. Warning, griffier. Behandeling van het verzoekschrift van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. J.E. Kötter te Amsterdam, tegen Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden, gevestigd te Eindhoven, verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: - [de vader] , hierna te noemen de vader, verblijvende op een bij het hof bekend adres, advocaat mr. R.A. Korver te Amsterdam, - Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, hierna te noemen de gecertificeerde instelling. Deze zaak is gezamenlijk (mondeling) behandeld met de zaak met zaaknummer 200.350.186/

  1. Partijen zijn op de mondelinge behandeling verschenen/vertegenwoordigd. Zij hebben tijdens die mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht, gereageerd op de standpunten van de wederpartij en eventuele vragen van het hof beantwoord. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Daarna heeft het hof de zitting voor korte tijd geschorst voor overleg in raadkamer. Na hervatting van de mondelinge behandeling heeft het hof met toepassing van artikel 29a Rv de hierna volgende mondelinge uitspraak gedaan. 1Inleiding Het hof heeft zich over de zaak beraden en de uitkomst daarvan is dat het hof de ondertoezichtstelling over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige) zal beëindigen met ingang van heden. Het hof legt hieronder uit hoe het tot deze beslissing is gekomen. 2Achtergrond van de zaak 2.1 Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de minderjarige onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling met ingang van 19 november 2024 tot 19 november
  2. De moeder is het niet eens met die beslissing en is in hoger beroep gegaan. Feiten 2.2 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 2.3 De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige. 2.4 De minderjarige woont bij de moeder. 2.5 De kinderrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 4 september 2024 de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld tot 23 november 2024 alsmede een machtiging verleend de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een ziekenhuis tot 23 november
  3. 2.6 De kinderrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij een spoedbeschikking van 17 oktober 2024 machtiging verleend de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 31 oktober 2024 en heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden. De kinderrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 25 oktober 2024 het aangehouden deel afgewezen. 3De motivering van de beslissing Standpunten van partijen 3.1 De moeder heeft naar voren gebracht dat van de gronden van de ondertoezichtstelling zoals opgenomen in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen sprake is. De minderjarige wordt in haar ontwikkeling niet ernstig bedreigd en de moeder accepteert de benodigde hulp ook in het vrijwillige kader. Het letsel van de minderjarige is door de vader toegebracht en de moeder had dit niet kunnen voorkomen. De moeder en haar kinderen zaten in een situatie van intieme terreur. De vader zit in voorlopige hechtenis waardoor hij geen gevaar meer voor de minderjarige vormt. De vader zal niet op korte termijn vrij komen. De moeder zorgt goed voor de minderjarige en geeft de benodigde extra zorg. Dit wordt ook gezien door de gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling heeft nog geen hulpverlening ingezet en helpt de moeder niet. De moeder heeft zelf instanties benaderd om haar te helpen. De moeder is weerbaar voor eventuele veranderingen in de toekomst en werkt nauw samen met de politie. 3.2 De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht van mening te zijn dat een ondertoezichtstelling in het belang van de minderjarige is. De raad ziet positieve ontwikkelingen bij de moeder, maar meent dat deze positieve ontwikkelingen binnen de ondertoezichtstelling zijn gezet. Voor de ondertoezichtstelling wilde de moeder niet meewerken met de hulpverlening. De kwetsbaarheid en de leeftijd van de minderjarige maken het noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling toezicht blijft houden op de minderjarige en de moeder. Het is te voorbarig om de ondertoezichtstelling te beëindigen terwijl de toekomst nog onduidelijk is. 3.3 De vader heeft naar voren gebracht dat geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de minderjarige. De bedreiging kwam vanuit de vader, maar de vader zit in voorlopige hechtenis en zal voorlopig niet vrij komen. Daarnaast heeft de vader een contactverbod met de minderjarige en de moeder. De moeder is een geschikte moeder en er bestaat geen reden om de moeder in het gedwongen kader te houden. De ondertoezichtstelling is in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De advocaat van de vader doet tijdens de mondelinge behandeling het verzoek om direct mondeling uitspraak te doen. 3.4 De gecertificeerde instelling heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de veiligheid van de minderjarige in het hier en nu in orde is, maar dat de ondertoezichtstelling van belang is om toezicht te houden op de minderjarige en de moeder. De huidige situatie is nog erg kwetsbaar omdat de moeder haar weerbaarheid nog niet heeft kunnen laten zien in een situatie waarin er geen contactverbod meer is met de vader of waarin hij uit voorlopige hechtenis is. Toezicht is noodzakelijk zodat de minderjarige niet nog een keer in deze situatie terecht komt. Onderzocht moet worden welke hulpverlening passend is voor alle betrokkenen. Er kan geen inschatting gemaakt worden over de veiligheid van de minderjarige op de langere termijn. Te veel risicofactoren zijn aanwezig waardoor de ondertoezichtstelling gehandhaafd dient te worden. Oordeel van het hof 3.5 Het hof is tot het volgende oordeel gekomen. Het hof zal de ondertoezichtstelling van de minderjarige met ingang van heden beëindigen omdat niet meer wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. Het hof licht dat als volgt toe. De gecertificeerde instelling heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de veiligheid van de minderjarige ‘in het hier en nu in orde’ is. Hieruit volgt dat geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, hetgeen wettelijk is vereist voor een ondertoezichtstelling. Bovendien is onvoldoende gebleken dat de moeder de hulpverlening die nodig is voor haar en of de minderjarige niet accepteert of zal accepteren in het vrijwillige kader. 4De beslissing Het hof: vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de duur van de ondertoezichtstelling en, in zoverre opnieuw beschikkende: wijst alsnog af het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarige voor zover dit betrekking heeft op de periode met ingang vanaf heden; bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige. Deze uitspraak is op 2 april 2025 mondeling in het openbaar gedaan door mrs. H.J.M. Smid-Verhage, I. Reijngoud en K.T.J.M. Pijls-olde Scheper, in aanwezigheid van mr. M.J. Warning, de griffier. Dit proces-verbaal van deze uitspraak is op 15 april 2025 ondertekend door mr. H.J.M. Smid-Verhage.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.