← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2025:1944

GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.295.029/03 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/567619 / HA ZA 19-127 Arrest van 30 september 2025 in de zaak van 1 [appellant 1] , 2. [appellante 2], beiden wonend in [woonplaats] , appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. M.M.N.C. Schellekens, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen 1 [geïntimeerde 1] , wonend in [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. W.J.E. van der Werf, kantoorhoudend in Den Haag, en 2 [geïntimeerde 2] , wonend in [woonplaats] , 3. [geïntimeerde 3], gevestigd in [woonplaats] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, advocaat: mr. C.J.J.C. Arnouts, kantoorhoudend in Amsterdam. Het hof noemt appellanten hierna samen [appellanten] . Geïntimeerde 1 wordt hierna [geïntimeerde 1] genoemd en geïntimeerden 2. en 3. worden samen aangeduid als [geïntimeerden 2 & 3] . 1De zaak in het kort 1.1 [geïntimeerde 1] heeft zijn woning, een rijksmonument, verkocht aan [appellanten] [geïntimeerden 2 & 3] was daarbij de verkoopmakelaar voor [geïntimeerde 1] . Na de koop bleek dat de woning (onzichtbare) gebreken had. [appellanten] spreken zowel [geïntimeerde 1] als [geïntimeerden 2 & 3] aan voor de schade in verband met deze gebreken. 1.2 De rechtbank heeft de vordering van [appellanten] tegen [geïntimeerde 1] afgewezen op een relatief kleine post na, en heeft de vordering tegen [geïntimeerden 2 & 3] geheel afgewezen. Het hof is het ermee eens dat de vordering tegen [geïntimeerden 2 & 3] geheel moet worden afgewezen. Bij de vordering tegen [geïntimeerde 1] komt het hof tot een iets andere conclusie dan de rechtbank, maar het resultaat is nog steeds dat veruit het grootste deel van de vordering van [appellanten] wordt afgewezen. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 23 april 2021, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van drie vonnissen van de rechtbank Den Haag, te weten van 11 maart 2020, 10 juni 2020 en 10 maart 2021; het arrest van dit hof van 6 juli 2021, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze is niet gehouden); de memorie van grieven tevens houdende akte wijziging eis van [appellanten] , met bijlagen; het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van [appellanten] ; het verweerschrift inzake het verzoek voorlopig getuigenverhoor van [geïntimeerde 1] ; het verweerschrift inzake het verzoek voorlopig getuigenverhoor van [geïntimeerden 2 & 3] ; de akte overlegging producties voor de mondelinge behandeling van 4 april 2022 van [appellanten] , met bijlagen; de spreekaantekeningen mondelinge behandeling van 4 april 2022 van [appellanten] ; de spreeknotities mondelinge behandeling van 4 april 2022 van [geïntimeerden 2 & 3] ; de beschikking van het hof Den Haag van 17 mei 2022 waarbij het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor is toegewezen; het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor, gehouden op 5 september 2022; de akte voortzetting na enquête van [appellanten] ; de memorie na enquête tevens houdende akte wijziging eis van [appellanten] , met bijlagen; de memorie van antwoord van [geïntimeerden 2 & 3] , met bijlagen; de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 1] , met bijlagen; de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van [appellanten] ; de akte overlegging producties tevens houdende akte wijziging van eis, met bijlagen 102 en 103, die [appellanten] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd; de akte overlegging producties, met bijlagen 27 en 28, die [geïntimeerden 2 & 3] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft overgelegd. 2.2 Op 10 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3Feitelijke achtergrond 3.1 [geïntimeerde 1] is in 2004 eigenaar geworden van de woning gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de woning). De woning dateert uit 1615 en is een rijksmonument. 3.2 In juni 2004 heeft [geïntimeerde 1] bij de gemeente [woonplaats] een bouw- en een monumentenvergunning aangevraagd in verband met het aanbrengen van wijzigingen aan het interieur en het uitvoeren van enkele onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan het exterieur van de woning (hierna: de vergunningaanvraag 2004). Vermeld is dat de volgende werkzaamheden/wijzigingen zullen plaatsvinden: “begane grond - de bestaande keuken wordt verwijderd en een nieuwe geplaatst; - een niet monumentale binnenpui wordt verwijderd; verdieping - de bestaande inrichting van de badkamer wordt verwijderd en een nieuwe geplaatst; - het plaatsen van een deurkozijn voor de trap; zolderverdieping - het plaatsen van een tweede wand ter plaatse van het bestaande spant ten behoeve van het maken van een overloop; - het plaatsen van een nieuwe cv-ketel; - het aanleggen van een badkamer tegen de achtergevel;” De bijlage bij de aanvraag bevat een opsomming van verder uit te voeren werkzaamheden. Daarin is onder meer vermeld: “l. Loodslabben plaatsen over rolgevel voor en achter (advies Monumenten-wacht) 2. Verholen goten maken tussen dak en voor- en achtergevel 3. (...) 4. Gordingankers voorgevel uithakken, ontroesten en conserveren, c.q. vernieuwen (advies Monumentenwacht)” 3.3 De gevraagde vergunningen zijn later in 2004 verleend. De aanleg van de badkamer op de zolderverdieping heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden. 3.4 Begin 2018 heeft [geïntimeerde 1] aan [geïntimeerden 2 & 3] , makelaar te [woonplaats] , opdracht gegeven de woning te verkopen. [geïntimeerden 2 & 3] heeft in juni 2018 zijn onderneming ondergebracht in [geïntimeerde 3] 3.5 In de vragenlijst voor de verkoop van de woning heeft [geïntimeerde 1] onder meer het volgende ingevuld: “ 1. Bijzonderheden (...) o. Zijn er door de overheid of nutsbedrijven verbeteringen of herstellingen voorgeschreven of aangekondigd die nog niet naar behoren zijn uitgevoerd? [geïntimeerde 1] : Nee 2Gevels (...) b. Zijn er (gerepareerde) scheuren/beschadigingen in/aan de gevels aanwezig? Zo ja, waar? [geïntimeerde 1] : Ja, voorgevel. (...) 3Dak(

  1. en)(...) b. Heeft u last van daklekkages (gehad)? Zo ja, waar? [geïntimeerde 1] : Ja, 2 losse dakpannen na storm. c. Zijn er in het verleden gebreken geconstateerd aan de dakconstructie zoals scheve, doorbuigende, krakende, beschadigde en/of aangetaste dakdelen? [geïntimeerde 1] : Nee d. Heeft u het dak al eens (gedeeltelijk) laten vernieuwen c.q. laten repareren? [geïntimeerde 1] : Nee. (…) f. Zijn de regenwaterafvoeren in orde? [geïntimeerde 1] : Ja g. Zijn de dakgoten in orde (bijv. lekkage)? [geïntimeerde 1] : Ja (...) 5Vloeren, plafonds en wanden a. Is er sprake (geweest) van vochtdoorslag of optrekkend vocht op vloeren, plafonds en/of wanden? [geïntimeerde 1] : Nee (...) e. Is er sprake (geweest) van gebreken aan de vloerconstructie, zoals scheve doorbuigende, krakende, beschadigde en/of aangetaste vloerdelen? Zo ja, waar? [geïntimeerde 1] : Ja. Scheve, aangetaste (oud), krakende vloer op zolder. (...) 6Kelder, kruipruimte en fundering (…) f. Is (…) er sprake van wateroverlast geweest? [geïntimeerde 1] : Ja (…) Wat maakt uw huis zo bijzonder? Waarom heeft u het destijds gekocht? Waarom verkoopt u het nu? Etcetera. Vertel wat meer over uw huis...: Het is een heerlijk huis om in te wonen. (...) Helemaal opgeknapt met b.h.v. aannemer, familie en vrienden. (...) Geen problemen of zorgen. (...) 3.6 Met het oog op de verkoop van de woning heeft [geïntimeerde 1] , op advies van [geïntimeerden 2 & 3] , via de Vereniging Eigen Huis (hierna: VEH) een bouwtechnische keuring aangevraagd. Deze keuring is op 7 maart 2018 uitgevoerd door dhr. [inspecteur] (hierna: [inspecteur] ). In het rapport is vermeld dat alleen een visuele inspectie heeft plaatsgevonden. [inspecteur] heeft een aantal gebreken geconstateerd, waaronder: vocht in de dragende wanden op de begane grond; houtrot in de buitenkozijnen; gebrekkige loodaansluitingen bij de schoorsteen; zichtbare scheurvorming in het metselwerk van de gevels. Hij raamt de kosten voor herstel daarvan op € 4.035,-. Verder vermeldt het rapport dat bij de terreinverharding buiten (hof: het erf) het afschot onvoldoende of verkeerd is. Over de aanwezige voorzetwanden meldt [inspecteur] : “Wanneer voorzetwanden tegen de binnenzijde van de buitenmuren zijn aangebracht, is dit in het algemeen toegepast vanwege vochtdoorslag, optrekkend vocht of om de muur te isoleren. Visueel is het vaak niet waarneembaar of de muur gebreken vertoont en/of de bouwfysische opbouw van de wand correct is.”. De conditie van bijna alle onderdelen wordt gewaardeerd met het cijfer 2 of 3, wat staat voor “goede conditie: geen gebreken, incidentele beginnende veroudering” respectievelijk “redelijke conditie: plaatselijk zichtbare veroudering, gebreken kunnen voorkomen”. Verder wordt geadviseerd om specialistisch onderzoek te laten uitvoeren aan dak, gevels en schoorsteen. Bij de algemene uitleg over specialistisch onderzoek (SO) wordt vermeld dat uit het resultaat van het onderzoek hoge reparatiekosten kunnen komen. 3.7 In de verkoopadvertentie op de website van Funda en de website van [geïntimeerden 2 & 3] was onder meer het volgende vermeld: “Aan dit fraaie Rijksmonument gaat u nog veel plezier beleven! Op een prachtige locatie (...) ligt dit zeer goed bewaard gebleven Rijksmonument (...) Dit woonhuis is zeer goed en met veel liefde voor zijn historie, onderhouden. Er is recent een bouwtechnisch onderzoek uitgevoerd om u over de goede onderhoudsstaat te informeren. Dit rapport kunt u van onze website [website] downloaden. Om een heel goed beeld te krijgen, bent u uiteraard ook van harte welkom om het met eigen ogen te aanschouwen. (…) - Ouderdomsclausule (…) van toepassing” 3.8 Op 28 maart 2018 is het pand vrijgegeven op Funda en hebben [appellanten] onder begeleiding van [geïntimeerden 2 & 3] de woning bezichtigd. 3.9 [appellanten] hebben vervolgens op 28 maart 2018 via een e-mailbericht aan [geïntimeerden 2 & 3] een bod op de woning uitgebracht. Het op diezelfde dag door [geïntimeerde 1] gedane tegenbod van € 765.000 is door [appellanten] eveneens op 28 maart 2018 geaccepteerd. 3.10 Op 30 maart 2018 heeft [geïntimeerden 2 & 3] de concept koopovereenkomst aan [appellanten] toegestuurd. [appellanten] en [geïntimeerde 1] hebben vervolgens op 3 respectievelijk 4 april 2018 de koopovereenkomst getekend. 3.11 In de koopovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen: “ artikel 6: Staat van de onroerende zaak/ Gebruik. 6.1. De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van deze koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende (...) zichtbare en onzichtbare gebreken (...). Koper aanvaardt deze staat (…). (...) 6.3. De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als: woonhuis . (...) Verkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn. Gebreken die het normale gebruik belemmeren en die aan koper bekend of kenbaar zijn op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst komen voor rekening en risico van koper. Voor gebreken die het normale gebruik belemmeren en die niet aan koper bekend of kenbaar waren op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst is verkoper uitsluitend aansprakelijk voor de herstelkosten. Bij het vaststellen van de herstelkosten wordt rekening gehouden met de aftrek ‘nieuw voor oud’. Verkoper is niet aansprakelijk voor overige (aanvullende) schade, tenzij verkoper een verwijt treft. (...) artikel 19 Bijlagen Tot deze koopovereenkomst behoren de volgende bijlagen: (…) - vragenlijst verkoop woning (…) - bouwtechnische keuring Vereniging Eigen Huis (…) (…) artikel 23 Bouwtechnische keuring door verkoper ter beschikking gesteld Verkoper heeft de woning bouwtechnisch laten keuren op 7 maart 2018. Koper heeft dit rapport voordat de onderhandeling aanving, ontvangen. Koper is in de gelegenheid gesteld om op eigen kosten en titel een bouwtechnisch onderzoek te laten verrichten. Koper heeft hier geen gebruik van gemaakt. artikel 24 Ouderdomsclausule De woning is ouder dan 75 jaar, dit betekent dat de eisen die aan de (bouw) kwaliteit gesteld mogen worden in het algemeen (aanzienlijk) lager liggen dan bij nieuwe(
  2. re)woningen. Tenzij koper de kwaliteit ervan gegarandeerd heeft, staat hij niet in voor de staat van o.a. de elektriciteits-, gas-,(CV-) en waterinstallatie, niet voor riolering/afvoeren, noch voor de staat van de fundering, het dak/de daken, de muren/gevels, de schoorsteen, de goten, de vloeren, de plafonds, het houtwerk van kozijnen, ramen en deuren, de beglazing, het sanitair en de keuken. Verkoper staat niet in voor de afwezigheid van doorslaand of optrekkend vocht, noch voor de afwezigheid van enig ongedierte/schimmels (houtworm, boktor, zwam etc.). (Eventuele) bouwkundige kwaliteitsgebreken worden geacht niet belemmerend te werken op het woongebruik. In afwijking van artikel 6.3 van deze koopakte en artikel 7:17 lid 2 BW, komt het geheel of ten dele ontbreken van één of meer eigenschappen van de onroerende zaak voor normaal gebruik en bijzonder gebruik en het eventueel anderszins niet-beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst voor rekening en risico van koper. (…) Artikel 27 Bouwregelgeving Verkoper is niet bekend met afwijkingen van bouwregelgeving. Mocht later blijken dat er toch afwijkingen van de bouwregelgeving zijn, dan zijn deze expliciet voor rekening van koper.” 3.12 [appellanten] hebben voor hun hypotheekaanvraag de woning laten taxeren. In het taxatierapport van 16 april 2018 wordt de marktwaarde van de woning getaxeerd op € 765.000,-. Over de onderhoudstoestand van de woning vermeldt het taxatierapport het volgende: “a. In zijn algemeenheid kan de onderhouds- en bouwkundige staat van het object als volgt worden omschreven: - binnenonderhoud : goed - buitenonderhoud: goed - bouwkundige constructie: voldoende - aanvullende toelichting op de onderhouds- Nee en bouwkundige staat van het object: b. De taxateur heeft gebreken waargenomen die Nee de waardeontwikkeling substantieel kunnen beïnvloeden: c. De te verwachten kosten voor direct Nee noodzakelijk herstel van achterstallig onderhoud t.b.v. de instandhouding van het object bedragen meer dan 10% van de getaxeerde marktwaarde: d. De indruk die de taxateur heeft verkregen van Nee het object geeft aanleiding tot nader (bouwkundig) onderzoek: e. Volgens taxateur wordt het object: normaal gebruikt f. De taxateur heeft ernstige gebruiksschade Nee geconstateerd:” 3.13 Op 29 juni 2018 is de woning aan [appellanten] geleverd. [appellanten] zijn vervolgens, na het verrichten van enkele aanpassingen, op 23 juli 2018 in de woning gaan wonen. 3.14 [appellanten] hebben daarna bouwbedrijf [bouwbedrijf] ingeschakeld om een aantal verbouwingen aan de woning te verrichten. In de daartoe opgestelde offerte begroot [bouwbedrijf] de kosten van deze werkzaamheden op € 112.404,23 (inclusief btw). [bouwbedrijf] is eind augustus 2018 begonnen met haar werkzaamheden. 3.15 [bouwbedrijf] heeft [bouwkundig bureau] (hierna: [bouwkundig bureau] ) en VDE Keuring & Advies B.V. (hierna: VDE) gevraagd de woning nader te inspecteren omdat tijdens de verbouwingswerkzaamheden gebreken aan het licht waren gekomen. 3.16 Per brief van 24 oktober 2018 heeft de advocaat van [appellanten] [geïntimeerde 1] gewezen op de non-conformiteit van de woning en heeft hij hem aansprakelijk gesteld voor de door [appellanten] als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade. 3.17 [bouwkundig bureau] heeft op 10 november 2018 een bouwkundig rapport uitgebracht. Volgens [bouwkundig bureau] (en de door haar ingeschakelde constructeur) dienen een aantal werkzaamheden aan de woning plaats te vinden. Het rapport vermeldt onder meer: “ 1. Omschrijving van het werk De woning is door de huidige eigenaar aangekocht als woning. uitgangspunt van de werkzaamheden was het vernieuwen van de sanitaire ruimten, keuken en nieuwe zolderindeling met slaapkamer en 2e badkamer. Om een en ander te kunnen realiseren werden de lichte voorzetwanden verwijderd na deze verwijdering kwamen de oude bouwmuren in het zicht. Ook op zolder werden de betimmeringen van het dak en de voorgevel gedemonteerd. Na deze actie kwamen de gebreken in het zicht. 2Constructieve werkzaamheden: Op basis van een schouw ter plaatse heeft de constructeur (...) een aantal constructieve herstelling aangegeven welke noodzakelijk zijn om eventuele verdere scheuren en verzak[k]ingen te voorkomen. 1. scheurvorming in gevels en bouwmuren; 2. opleggingen vloerbalken en dakgordingen; 3. afmetingen balklaag en raveling ten opzichte van de aanwezige overspanning; 4. twijfelachtige liplas in een herstelde vloerbalk van de tweede verdieping: 5. Herstel verwijderde trekbalken in dakspant: 6. ontbrekende ondersteuning gootbak. 2.1 Scheurvorming in gevels en bouwmuren Zowel in de voor als in de twee bouwmuren naar de naast gelegen panden zitten scheuren die aandacht verdienen. (…) (…) 2.2 Opleggingen vloerbalken en dakgordingen De ople[gg]ing van vloerbalken van de 1e en 2e verdieping in de linker bouwmuur is op een aantal plaatsen minimaal en gezien de scheurvorming is het beter om niet alle afdracht via deze muur te laten verlopen, om deze reden wordt er een houtskeletbouw wand voor deze bouwmuur gezet. (…) (...) De dakkap is in het verleden geheel vervangen, men heeft hierbij de gordingen bevestigd aan de voorgevel, maar dit is op een dergelijke wijze gedaan dat de gordingen nu met spijkers aan de bovendorpel en stijl van het raamkozijn zitten bevestigd. Om deze topgevel weer stabiel te krijgen en te ontlasten van de dakgordingen, wordt er een voorzetwand geplaatst. (…) (…) 2.5 Herstel verwijderde trekbalken in dakspant De dakspanten zijn in de vorige eeuw vernieuwd, men heeft toen een spant samengesteld met spantbenen, een hanenbalk en een trekbalk op vloerniveau, onderling werden de onderdelen gekoppeld door een boutverbinding met kramplaten (…) (…) Het spant heeft men bij het verder in gebruik nemen van de 2e verdieping aangepast, daarbij is de hanenbalk hoger geplaatst en zijn de trekbalken, welke op de vloer lagen, verwijder[d]. Zo kon men op de verdieping lopen zonder te struikelen over de trekbalken en stoot men het hoofd minder tegen de hanenbalk. De constructeur heeft deze aanpassing gecontroleerd, de spantbenen zijn nog voldoende sterk, ondanks dat de hanenbalk is verplaatst, echter dient wel de trekbalk terug gebracht te worden, de spatkrachten (zijwaartse druk) komt nu op de bouwmuren en daar zijn deze niet op berekend, de trekbalken kunnen niet terug gebracht worden zonder het gebruik van de verdieping te beperken, vandaar dat het opvangen van deze trekkracht op een alternatieve wijze wordt opgevangen. Op de restanten van de trekbalken wordt een staalschoen bevestigd waar een koppelstrip naar de andere spant-voet wordt aangebracht, op deze wijze ontstaat er weer een vaste onderlinge verbinding die de trekkracht aan de onderzijde van het dakspant opvangt. (…) 3Bouwkundige onderhoud en verbeteringen Naast de constructieve werkzaamheden welke noodzakelijk is er nog het volgende onderhoud aan de woning noodzakelijk of gewenst: a. Herstel kozijnen, ramen en schilderwerk b. Plaatselijk herstel en inboeten voeg en metselwerk voorgevel c. Isolatieglas voor- en achtergevel d. Herstel lood en zinkwerk e. vervangen begane grond vloer f. verbeteren waterhuishouding in de tuin” 3.18 VDE heeft haar bevindingen van de inspecties die op 27 oktober 2018 en 14 november 2018 hebben plaatsgevonden, vastgelegd in het door haar op 3 december 2018 uitgebrachte rapport. Het rapport vermeldt dat ten tijde van de inspectie sprake was van diverse bouw- en sloopwerkzaamheden. VDE raamt de kosten voor herstel van de door haar geconstateerde gebreken in totaal op € 57.161,-. Het rapport houdt onder meer het volgende in: “ 3. Inspectie (…) Tijdens de inspectie zijn de volgende bevindingen gedaan: Dak en dakgoten - De dakconstructie is niet de originele uit 1615, maar naar alle waarschijnlijkheid uit de eerste helft van de 20e eeuw - De houten dakspanten zijn aangepast, waarbij de dekbalken [hof: de hanenbalken] zijn verhoogd t.b.v. vrije hoogte. De dubbele dekbalken op vloerhoogte [hof: de trekbalken] zijn afgezaagd en niet meer hersteld of aangeheeld. - De gordingen verkeren plaatselijk in zeer slechte slaat en zijn aangetast door houtrot. Ter reparatie zijn de gordingen opgedikt met extra gordingen. Gevolg is dat diverse gordingen met de opdikbalk aan de gevels zijn verankerd. De onderlinge bevestiging tussen gording en opdikbalk is plaatselijk twijfelachtig. - Diverse gordingankers zijn van twijfelachtige kwaliteit en zijn onvoldoende bevestigd aan de gordingen. - Het dakbeschot is op verschillende plaatsen aangetast door houtrot. - Op het dakbeschot ligt een folie, die grotendeels vergaan is. - De regels en panlatten verkeren in matige staat en zijn plaatselijk verrot. - De dakgoten vertonen op diverse plaatsen lekkage. - De dakgootconstructie is plaatselijk aangetast door houtrot en is onvoldoende ondersteund. - Het metselwerk van de schoorstenen verkeert in matige staat en is uit meerdere steensoorten opgebouwd. Het voegwerk vertoont slijtage en schades. - De schoorstenen zijn niet in gebruik. - De loketten, zalinggoot en het voetlood van de schoorstenen verkeren in matige staat en vertonen schades en slijtage. - De dakpannen verkeren in redelijke staat, maar sluiten plaatselijk slecht (gapende pannen) - De dakramen verkeren in matige staat. De ramen sluiten en functioneren matig en vertonen slijtage. - De dakpannen verkeren in matige staat. Er zijn diverse beschadigde pannen waargenomen en pannen van een ander type, die niet aansluiten op de originele pannen. Vloeren - Het houten vloerbeschot is plaatselijk aangetast door vocht. - Het houten vloerbeschot is op meerdere plaatsen aanzienlijk beschadigd als gevolg van boren en breken in het verleden. - De houten vloerbalken zijn deels recentelijk vervangen. - Een groot deel van de houten vloerbalken is bij de oplegging dusdanig verrot dat het draagvermogen van de vloerconstructie in acuut gevaar is. Meerdere balkkoppen zijn in de wand volledig of grotendeels weggerot. Meerdere balken hebben onvoldoende oplegging in de muur. - Enkele vloerbalken zijn midden in het vloerveld provisorisch vermaakt. De koppeling tussen beide balkdelen bestaat uit enkele platen multiplex met boutverbinding. Gevels - De voorgevel is verzakt en helt voorover richting de straat. - Het metselwerk in de voorgevel is op meerdere plaatsen aanzienlijk gescheurd en ontzet. - Deze scheurvorming is ook aan de binnenzijde waarneembaar. - De verankering van gordingen aan de voorgevel is twijfelachtig. Bovendien zijn deze aan het corroderen, waardoor het gevelmetselwerk ook verticaal wordt ontzet. - Het voegwerk in de voorgevel is plaatselijk uitgesleten. - De achtergevel is vermoedelijk in de jaren '70 opnieuw opgemetseld en voorzien van spouw met kalkzandsteen binnenwand. - De verankering van gordingen aan de achtergevel is twijfelachtig. Bouwmuren en vocht - De bouwmuren van het pand vertonen aanzienlijke scheurvorming. - Diverse vochtmetingen in de bouwmuur aan de linkerzijde van het pand wijzen uit dat er tot en met de eerste verdieping erg veel vocht aanwezig is in de wand. Waardes tot over 5% vocht zijn gemeten in het metselwerk. Kozijnen - De kozijnen in de achtergevel zijn vermoedelijk in de jaren ‘70 vervangen. Deze zijn voorzien van draairamen met enkelglas - De kozijnen in de achtergevel verkeren in redelijke staat. Er is plaatselijk houtrot waargenomen - De kozijnen in de voorgevel verkeren in slechte staat. De dorpels zijn ondeskundig hersteld en de dorpels zijn grotendeels verrot. Erf - Het erf aan de achterzijde van het pand loopt af richting de achtergevel. - Bij de achterdeur is een lijngoot aangebracht. De afvoer hiervan is niet zichtbaar. - Het hemelwater van het dak en deels van de daken van naastgelegen panden voeren af naar het erf van onderhavige woning. - De dorpel van de achterdeur is aanzienlijk verhoogd. (…) 4Samenvatting en conclusie Op basis van de inspectie kan de volgende conclusie worden getrokken: Dak De dakconstructie verkeert in slechte staat en is ongeoorloofd aangepast, waarbij de constructieve veiligheid niet in acht is genomen. Het verwijderen van de dubbele dekbalken [hof: de trekbalken op vloerniveau] uit de spanten zorgt voor extra spatkrachten in de bouwmuren. Het verplaatsen van de hoge dekbalken [hof: de hanenbalken] versterkt dit effect. De opgedikte gordingen zijn onvoldoende gekoppeld en de verankering aan de gevels is twijfelachtig. Om de constructieve veiligheid van het dak te kunnen waarborgen, zal deze moeten worden hersteld. Het belangrijkste hierbij is het terugbrengen van de verwijderde dekbalken. Er zal een koppeling moeten worden gemaakt tussen de spantbenen, die de spatkrachten kan opnemen. Daarnaast vertonen diverse onderdelen van het dak, zoals dakramen, dakpannen, dakgoten en schoorstenen dusdanige slijtage en schade dat direct herstel aan deze bouwdelen noodzakelijk is. De gebreken aan de dakconstructie en het pannendak zijn van dusdanige aard dat lekkages op korte termijn niet uit te sluiten zijn. Daarnaast zijn de dakgoten op het moment van de inspectie al lek . (…) D e bovenverdieping is hierdoor onbruikbaar en op de eerste verdieping zal sprake zijn van aanzienlijke wateroverlast. (…) Kosten voor herstel worden geraamd op: € 23.266,00. Vloeren De vloerconstructies van de eerste en tweede verdieping verkeren in slechte staat. De aantasting van de balkkoppen en de matige opleggingen brengen het draagvermogen van de vloer in gevaar. De aanpassingen die zijn gedaan aan de vloerbalken zijn provisorisch, ondeskundig en van slechte kwaliteit. Het deels of geheel bezwijken van de vloeren is een reëel scenario. Genoemde gebreken aan de vloer en vloerconstructie zijn ernstig. De kans op bezwijken van de vloer staat vanzelfsprekend normaal gebruik in de weg. Het houtrot in de balkkoppen ontstaat in een relatief lange periode onder vochtige omstandigheden. De slechte opleggingen zijn ooit ontstaan, echter kan niet worden vastgesteld wanneer. De schades aan het vloerbeschot zijn veroorzaakt door verbouwingen in het verleden en door de lekkages van de dakgoten. (…) Kosten voor herstel worden geraamd op: € 11.314,00. Gevels De verzakking van de voorgevel en het feit dat deze naar voren helt, is geen ongebruikelijk fenomeen bij panden van dergelijke leeftijd. De scheurvorming in de gevel is echter door en door (zichtbaar aan de binnenzijde) en is dusdanig dat er geen homogeniteit bestaat in het metselwerk van de voorgevel. Het gevelvlak is door de kozijnen onderverdeeld in enkele metselvlakken. Deze vlakken zijn echter ook nog eens onderling losgescheurd. Dit in combinatie met het hellen van de gevel en de matige koppeling met de dakconstructie zorgt voor een aanzienlijk risico op het deels bezwijken van de voorgevel. Met stormachtig weer is dit scenario reëel. De gebreken aan de gevels zijn ernstig. Het deels bezwijken van de voorgevel staat vanzelfsprekend normaal gebruik van de woning in de weg. Bovendien is er sprake van een veiligheidsrisico voor verkeer en omwonenden. Aan de meeste scheuren is te zien dat deze in het verleden al eens zijn hersteld. De ontzetting door roestende gordingankers ontstaat in een relatief lange periode. (…) (…) Kosten voor herstel worden geraamd op: € 9.290,00. Bouwmuren en vocht De homogeniteit van het metselwerk in de bouwmuren is plaatselijk dusdanig aangetast dat het draagvermogen in het geding komt. De muren zijn plaatselijk aanzienlijk verbrokkeld. Er is geen sprake van een geheel. Met name bij de oplegging van de vloerbalken is deze situatie niet wenselijk. De hoge vochtpercentages in het metselwerk is waarschijnlijk het gevolg van de porositeit van de oude baksteen. (…) De hoge vochtpercentages in de bouwmuren zorgen voor een ongezonde situatie (…). Vanzelfsprekend kan worden gesteld dat deze gebreken normaal gebruik van de woning in de weg staan. De slechte staat waarin de bouwmuren verkeren kan op den duur verzakking in de vloerconstructie veroorzaken en staat dus aan normaal gebruik van de woning in de weg. (…) Het vocht in de bouwmuren is waarschijnlijk al aanwezig sinds de bouw van de woning omstreeks 1615. De oorzaak is de soort steen en de plaatselijk[e] ondergrond en grondwaterstand. (…) De scheuren in de bouwmuren zijn veroorzaakt door sloopwerkzaamheden bij eerdere verbouwingen. (…) (…) Kosten voor herstel worden geraamd op: € 7.853,00. Kozijnen De kozijnen van de begane grond in de voorgevel verkeren in slechte staat. De dorpels zijn dusdanig slecht hersteld dat vervangen van de dorpels noodzakelijk is. Daarnaast is er geen vochtkering tussen metselwerk en kozijn. Vocht uit het poreuze metselwerk trekt in het houten kozijn en veroorzaakt houtrot. De kozijnen in de achtergevel vertonen plaatselijk houtrot, waarbij herstel noodzakelijk is. De slechte staat van de kozijnen staat normaal gebruik van de woning niet in de weg, echter is direct noodzakelijk herstel wel van toepassing. Houtrot in met name het kozijn in de voorgevel op de begane grond is al geruime tijd aanwezig. (…) (…) Kosten voor herstel worden geraamd op: € 1.717,00. Erf Door het afwateren van diverse daken op het erf van onderhavige woning is wateroverlast aldaar en aan de achterzijde van de woning niet ondenkelijk. Het afschot van de bestrating van het erf richting de woning versterkt dit effect. De verhoogde dorpel in het kozijn van de achterdeur doet vermoeden dat er in het verleden reeds sprake is geweest van wateroverlast. Bij hevige regenval zal er sprake zijn van wateroverlast. Inwateren in de achterkamer zal met enige zekerheid het geval zijn. Normaal gebruik van de achterkamer wordt dan verhinderd. (…) Kosten voor herstel worden geraamd op: € 3.721,00.” 3.19 Ten behoeve van het verkrijgen van een (verdere) hypothecaire lening, hebben [appellanten] een tweede taxatierapport laten opmaken, gedateerd 6 december 2018. Uit de daarin opgenomen foto’s blijkt dat de situatie is getaxeerd nadat voorzetwanden en betimmeringen waren verwijderd. De waardepeildatum is 30 november 2018. De marktwaarde per die datum is getaxeerd op € 730.000,-. De marktwaarde na verbouwing wordt getaxeerd op € 960.000,-. Het rapport vermeldt het volgende over de onderhoudstoestand van de woning: “a. In zijn algemeenheid kan de onderhouds- en bouwkundige staat van het object als volgt worden omschreven: - binnenonderhoud : voldoende - buitenonderhoud: voldoende - bouwkundige constructie: goed - aanvullende toelichting op de onderhouds- Nee en bouwkundige staat van het object: b. De taxateur heeft gebreken waargenomen die Nee de waardeontwikkeling substantieel kunnen beïnvloeden: c. De te verwachten kosten voor direct Nee noodzakelijk herstel van achterstallig onderhoud t.b.v. de instandhouding van het object bedragen meer dan 10% van de getaxeerde marktwaarde: d. De indruk die de taxateur heeft verkregen van Nee het object geeft aanleiding tot nader (bouwkundig) onderzoek: e. Volgens taxateur wordt het object: normaal gebruikt f. De taxateur heeft ernstige gebruiksschade Nee geconstateerd:” 3.20 Per brief van 19 december 2018 heeft de advocaat van [appellanten] [geïntimeerden 2 & 3] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg van de non-conformiteit van de woning hebben geleden. 3.21 Op 28 december 2018 hebben [appellanten] ten laste van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden 2 & 3] conservatoir (derden)beslag gelegd onder verschillende banken en verzekeraars en op aan hen in eigendom behorende onroerende zaken. De ten laste van [geïntimeerden 2 & 3] gelegde beslagen zijn inmiddels opgeheven. 3.22 Naar aanleiding van een door dhr. [appellant 1] tegen [geïntimeerden 2 & 3] ingediende klacht heeft de Raad van Toezicht van de Nederlandse vereniging van makelaars (NVM) bij uitspraak van 20 mei 2019 geoordeeld dat [geïntimeerden 2 & 3] de NVM-Erecode niet heeft overtreden en ook niet anderszins tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. De Raad heeft in zijn uitspraak overwogen dat [geïntimeerden 2 & 3] (onder meer) niet laakbaar heeft gehandeld door de onderhoudstoestand van de woning in de verkoopdocumentatie als goed of zeer goed te kwalificeren. 3.23 Dhr. [appellant 1] is tegen deze uitspraak in beroep gegaan. De Centrale Raad van Toezicht van de NVM komt in zijn uitspraak van 22 december 2020 (onder meer) ook tot het oordeel dat [geïntimeerden 2 & 3] niet laakbaar heeft gehandeld door zijn wijze van aanprijzing van de woning. Ten aanzien van de klacht van dhr. [appellant 1] dat [geïntimeerden 2 & 3] als NVM-makelaar met bouwkundige kennis had moeten zien dat de kapconstructie was aangepast, in de zin dat de hanenbalken hoger waren geplaatst en de trekbalken op vloerniveau waren verwijderd, heeft de Centrale Raad geoordeeld dat ook dat klachtonderdeel ongegrond is. 4Procedure bij de rechtbank De vorderingen in conventie ( [appellanten] tegen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden 2 & 3] ) 4.1 [appellanten] hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden 2 & 3] gedagvaard en gevorderd, samengevat: I. Primair: - veroordeling van [geïntimeerde 1] om aan [appellanten] te voldoen een bedrag van € 545.626,90 vanwege een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst, met rente; II. Subsidiair: - wijziging van de koopovereenkomst op grond van bedrog dan wel dwaling in die zin dat de koopsom wordt verminderd met een bedrag van € 545.626,90, met rente; III. Meer subsidiair: - veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden 2 & 3] , hoofdelijk dan wel afzonderlijk, om aan [appellanten] te voldoen de door hen geleden schade ter hoogte van € 545.626,90, met rente. 4.2 Aan de vorderingen tegen [geïntimeerde 1] hebben [appellanten] primair ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde 1] tekort geschoten is in de nakoming van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst omdat de woning vanwege de vele gebreken ongeschikt is voor bewoning. Subsidiair stellen [appellanten] dat sprake is van bedrog dan wel (wederzijdse) dwaling. Meer subsidiair is volgens [appellanten] sprake van onrechtmatig handelen door [geïntimeerde 1] omdat sprake is van bedrog en [geïntimeerde 1] niet heeft voldaan aan de op hem rustende instandhoudingsverplichting die geldt voor eigenaren van monumenten. 4.3 Aan de vordering tegen [geïntimeerden 2 & 3] hebben [appellanten] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden 2 & 3] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Volgens [appellanten] heeft [geïntimeerden 2 & 3] zich schuldig gemaakt aan bedrog en/of misleidende handelspraktijken en heeft hij niet de zorgvuldigheid betracht die van een redelijk handelend makelaar mag worden verwacht. [geïntimeerden 2 & 3] heeft volgens [appellanten] in de verkoopadvertentie een aantal onjuiste, misleidende mededelingen gedaan over de onderhoudsstaat van de woning. in reconventie ( [geïntimeerde 1] tegen [appellanten] ) 4.4 [geïntimeerde 1] heeft op zijn beurt gevorderd, samengevat: I. opheffing van de ten laste van hem gelegde conservatoire derdenbeslagen onder banken en verzekeraars alsmede het beslag op de hem in eigendom toebehorende woning aan de [straat] te [woonplaats] ; II. [appellanten] te verbieden om ter zake van het onderhavige geschil en op basis van dezelfde feiten opnieuw conservatoir beslag te leggen ten laste van [geïntimeerde 1] ; III. veroordeling van [appellanten] tot betaling van een niet voor matiging vatbare dwangsom van € 25.000,- per overtreding en kalendermaand in geval hij verzuimt de veroordelingen onder I. en II. na te komen. 4.5 [geïntimeerde 1] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het door [appellanten] ingeroepen recht ondeugdelijk is en het beslag onnodig is gelegd. Bovendien meent hij dat zijn belangen bij opheffing van het beslag zwaarder wegen dan de belangen van [appellanten] bij instandhouding ervan. De beslissing van de rechtbank in conventie ten aanzien van [geïntimeerde 1] 4.6 De rechtbank heeft eerst beoordeeld of [geïntimeerde 1] jegens [appellanten] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst omdat de woning niet beantwoordt aan dat wat [appellanten] op grond van de koopovereenkomst mochten verwachten (non-conformiteit). 4.7 De rechtbank heeft overwogen dat daarbij de volgende bepalingen van de koopovereenkomst van belang zijn. Artikel 6.1 bepaalt dat [geïntimeerde 1] niet instaat voor de afwezigheid van (verborgen) gebreken en dat [geïntimeerde 1] als koper het risico draagt van die gebreken. In artikel 6.3 wordt echter een vergaande uitzondering gemaakt op die regel in die zin dat [geïntimeerde 1] wel instaat voor de afwezigheid van gebreken die aan een normaal gebruik van de woning in de weg staan (en die aan [appellanten] niet kenbaar waren bij het tot stand komen van de overeenkomst). Van belang is verder de ouderdomsclausule, opgenomen in artikel 24 van de koopovereenkomst. Volgens de rechtbank moet die zo worden uitgelegd dat [geïntimeerde 1] niet instaat voor de afwezigheid van gebreken die verband houden met de ouderdom van de woning - te weten: ouder dan 75 jaar - en die te duiden zijn als bouwkundige kwaliteitsgebreken, ook als die in de weg staan aan een normaal gebruik van de woning. Deze exoneratie geldt niet voor recente(
  3. re)bouwkundige ingrepen. 4.8 De rechtbank heeft vervolgens de gebreken beoordeeld die in de rapporten van [bouwkundig bureau] en VDE worden vermeld. De gebreken zijn onderverdeeld in constructieve gebreken en andere gebreken. Voor alle constructieve gebreken heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde 1] daarvoor een beroep kan doen op de ouderdomsclausule, zodat hij niet aansprakelijk is voor de kosten die daarmee zijn gemoeid. Voor de andere gebreken heeft de rechtbank [geïntimeerde 1] alleen aansprakelijk geacht voor de herstelkosten van (
  4. i)het pannendak (
  5. ii)de dakgoten inclusief de dakgootconstructie en (iii) de dakramen. Voor deze gebreken kan [geïntimeerde 1] namelijk geen beroep doen op de ouderdomsclausule. Omdat deze gebreken volgens de rechtbank aan een normaal gebruik van de woning in de weg staan, is [geïntimeerde 1] daarvoor aansprakelijk op grond van artikel 6.3 van de koopovereenkomst. De herstelkosten zijn door de rechtbank begroot op totaal € 18.047,12 excl. btw. 4.9 De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de andere grondslagen die [appellanten] aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd geen doel treffen. Er is geen sprake van bedrog. Ook het beroep op dwaling slaagt niet. Voor zover de gebreken vallen onder de ouderdomsclausule faalt het beroep op dwaling vanwege artikel 6:228 lid 2 BW: [appellanten] wisten dat [geïntimeerde 1] zich beoogde te exonereren voor gebreken die niet aan het normaal gebruik van de woning in de weg staan en voor gebreken die verband houden met de ouderdom van de woning, en door de koopovereenkomst te ondertekenen hebben zij die exoneraties aanvaard. Ook het verwijt van [appellanten] dat [geïntimeerde 1] de uit de Erfgoedwet, gelezen in combinatie met de Monumentenwet 1988, voortvloeiende instandhoudingsverplichting voor rijksmonumenten heeft geschonden, gaat niet op. Volgens de rechtbank is niet voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW: de norm strekt tot bescherming van monumenten als zodanig en niet van het vermogensbelang van [appellanten] als kopers van een monument. 4.10 De rechtbank heeft [geïntimeerde 1] veroordeeld om € 18.047,12 (excl. btw) aan [appellanten] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2019, en heeft de proceskosten gecompenseerd in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. ten aanzien van [geïntimeerden 2 & 3] 4.11 De rechtbank heeft de vorderingen tegen [geïntimeerden 2 & 3] afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten. in reconventie 4.12 De rechtbank heeft geoordeeld dat, aangezien de vorderingen van [appellanten] gedeeltelijk worden toegewezen, niet kan worden geconcludeerd dat het door [appellanten] ingeroepen recht ondeugdelijk is of dat het beslag geheel ondeugdelijk is gelegd. De rechtbank heeft het beslag op de woning van [geïntimeerde 1] gehandhaafd, maar heeft het beslag onder banken en verzekeraars opgeheven. 5Vorderingen in hoger beroep het principaal hoger beroep van [appellanten] 5.1 [appellanten] zijn in hoger beroep gekomen (het principaal hoger beroep) en hebben in de memorie van grieven hun eis gewijzigd. [appellanten] willen dat het hof deze gewijzigde vordering toewijst. Deze luidt, samengevat: I. Primair ten aanzien van [geïntimeerden 2 & 3] - een verklaring voor recht dat [geïntimeerden 2 & 3] jegens [appellanten] onrechtmatig heeft gehandeld, en - veroordeling van [geïntimeerden 2 & 3] , hoofdelijk dan wel afzonderlijk, om de door [appellanten] geleden schade ter hoogte van € 918.330,63, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vergoeden, met rente; II. Primair ten aanzien van [geïntimeerde 1] - een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst tussen [appellanten] en [geïntimeerde 1] onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en derhalve vernietigbaar is; - en verder: wijziging van de gevolgen van de koopovereenkomst (in plaats van vernietiging van de overeenkomst) op zodanige wijze dat het nadeel van [appellanten] afdoende wordt opgeheven door vermindering van de koopprijs met een bedrag dat het hof juist oordeelt, en veroordeling van [geïntimeerde 1] om het bedrag waarmee de koopprijs is verminderd aan [appellanten] te betalen, met rente; III. Subsidiair ten aanzien van [geïntimeerde 1] - een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn contractuele verbintenissen, en - veroordeling van [geïntimeerde 1] , hoofdelijk dan wel afzonderlijk voor zover deze schade niet deels dan wel geheel onder vordering I reeds is toegewezen, om aan [appellanten] te voldoen de door hen geleden schade ter hoogte van € 918.330,63, althans een bedrag dat het hof juist acht, met rente; IV. Meer subsidiair ten aanzien van [geïntimeerde 1] - een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn contractuele verbintenissen, en - gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst en vermindering van de koopsom met een zodanig bedrag als het hof juist acht, en - veroordeling van [geïntimeerde 1] tot betaling van het bedrag waarmee de koopsom is verminderd, met rente; V. Uiterst subsidiair ten aanzien van [geïntimeerde 1] - een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 1] onrechtmatig heeft gehandeld, en - veroordeling van [geïntimeerde 1] , hoofdelijk dan wel afzonderlijk voor zover deze schade niet deels dan wel geheel onder vordering I reeds is toegewezen, om aan [appellanten] te voldoen de door hen geleden schade ter hoogte van € 918.330,63, althans een bedrag dat het hof juist acht, met rente; VI. In alle gevallen - veroordeling van [geïntimeerden 2 & 3] en/of [geïntimeerde 1] , hoofdelijk dan wel afzonderlijk, in de proceskosten in beide instanties, die van gelegde beslagen daarbij inbegrepen, met rente en nakosten; - veroordeling van [geïntimeerden 2 & 3] en/of [geïntimeerde 1] , hoofdelijk dan wel afzonderlijk, in de buitengerechtelijke incassokosten conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, althans een bedrag dat het hof juist acht. 5.2 Bij memorie na enquête tevens houdende akte wijziging van eis hebben [appellanten] hun eis nogmaals gewijzigd. Daarbij hebben zij (onder meer) de in de eis genoemde bedragen van € 918.330,63 verhoogd naar € 1.191.995,41. Bij akte overlegging producties tevens wijziging van eis, ingebracht voor de mondelinge behandeling van 10 juli 2025, hebben [appellanten] hun eis weer gewijzigd en de gevorderde bedragen verhoogd naar € 1.267.322,99. 5.3 [appellanten] hebben verschillende bezwaren (grieven) tegen de vonnissen van de rechtbank naar voren gebracht. Deze zullen, voor zover relevant, bij de beoordeling aan de orde komen. het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 1] 5.4 Ook [geïntimeerde 1] is in hoger beroep gekomen (het incidenteel hoger beroep). Hij vindt dat de vorderingen van [appellanten] helemaal moeten worden afgewezen, zijn reconventionele vorderingen alsnog geheel moeten worden toegewezen en [appellanten] in de proceskosten had moet worden veroordeeld. Volgens [geïntimeerde 1] heeft de rechtbank namelijk ten onrechte geoordeeld dat de ouderdomsclausule alleen ziet op gebreken die verband houden met de ouderdom van de woning. Hij meent dat deze bepaling ziet op alle (bouwkundige kwaliteits)gebreken en niet alleen op gebreken die ouder zijn dan 75 jaar. Dat betekent dat de rechtbank het bedrag van € 18.047,12, voor het herstel van (
  6. i)het pannendak (
  7. ii)de dakramen en (iii) de dakgoten inclusief dakgootconstructie, ten onrechte heeft toegewezen. 5.5 Voor het geval dit bezwaar niet zou slagen, werpt [geïntimeerde 1] op dat dan in ieder geval voor de dakramen geldt dat het oordeel van de rechtbank dat die gebrekkig zouden zijn, althans aan normaal gebruik van de woning in de weg zouden staan, onjuist is. De kosten voor vervanging van die ramen had dan ook niet toegewezen mogen worden. Dat betekent dat een bedrag van € 2.138,- exclusief btw op de toegewezen vordering van € 18.047,12 exclusief btw in mindering moet worden gebracht. 6Beoordeling in hoger beroep Ten aanzien van [geïntimeerde 1] 6.1 [geïntimeerde 1] heeft veelvuldig verwezen naar dat wat [geïntimeerden 2 & 3] heeft aangevoerd. Voor zover [appellanten] tegen dat verwijzen bezwaar hebben gemaakt, verwerpt het hof dat bezwaar. Er is geen rechtsregel die zich daartegen verzet en ook met dat verwijzen is voor [appellanten] voldoende duidelijk welke verweren [geïntimeerde 1] bedoelt te voeren tegen de vorderingen van [appellanten] In het principaal hoger beroep Inleiding, aanpak 6.2 De vorderingen van [appellanten] tegen [geïntimeerde 1] zijn in hoger beroep gebaseerd op de volgende juridische grondslagen: (
  8. a)dwaling, (
  9. b)toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst en (
  10. c)onrechtmatige daad. 6.3 Het debat in het principaal hoger beroep gaat voornamelijk over de constructieve gebreken die de woning bleek te hebben. Het gaat daarbij om het volgende:
  11. a)de hanenbalken zijn omhoog geplaatst en de trekbalken zijn verwijderd;
  12. b)de gordingen zijn onvoldoende en onjuist verankerd in de voorgevel;
  13. c)de voorgevel vertoont scheurvorming;
  14. d)de homogeniteit van het metselwerk van de bouwmuren is aangetast;
  15. e)bij de vloeren op de eerste en tweede verdieping is sprake van aangetaste/weggerotte balkkoppen en een matige vloeroplegging. 6.4 Partijen zijn het er niet over eens of [geïntimeerde 1] als verkoper aansprakelijk is voor deze constructieve gebreken (op grond van één van de aangevoerde juridische grondslagen) dan wel of [appellanten] als kopers de kosten daarvan moeten dragen. 6.5 Het grootste deel van de punten die [appellanten] in hoger beroep naar voren hebben gebracht, ziet erop dat deze constructieve gebreken volgens hen - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - niet vallen onder de ouderdomsclausule die is opgenomen in artikel 24 van de koopovereenkomst en dat [geïntimeerde 1] aansprakelijkheid voor deze gebreken niet kan afweren met een beroep op deze clausule. [geïntimeerde 1] meent daarentegen dat hij niet aansprakelijk is voor deze constructieve gebreken, en betoogt dat hij voor al deze gebreken wel een beroep kan doen op de ouderdomsclausule. 6.6 Het hof zal hieronder eerst de reikwijdte van de ouderdomsclausule bespreken (6.8-6.11). Partijen zijn het namelijk niet eens over de uitleg van die clausule. De ouderdomsclausule wordt daarbij geplaatst in de context van de gehele regeling inzake de aansprakelijkheid zoals die in de koopovereenkomst is opgenomen. Vervolgens zal het hof per afzonderlijk constructief gebrek beoordelen of dat valt binnen de reikwijdte van de ouderdomsclausule en zo nee, wat dat dan betekent volgens de in de koopovereenkomst opgenomen aansprakelijkheidsregeling (6.12-6.43). Daarna zal het hof een aantal punten bespreken die [appellanten] hebben aangevoerd om te betogen dat [geïntimeerde 1] voor de gebreken die binnen de reikwijdte van de ouderdomsclausule vallen toch geen beroep kan doen op die clausule (6.44-6.53). Volgens [appellanten] is een beroep op de ouderdomsclausule in dit geval namelijk naar maatstaven en redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW), althans kan [geïntimeerde 1] geen beroep doen op de clausule omdat (
  16. i)[geïntimeerde 1] van een aantal constructieve gebreken op de hoogte was, maar die voor [appellanten] heeft verzwegen, (
  17. ii)de gebreken zo ernstig waren dat sprake was van een bouwval die op instorten stond en niet van een gebouw dat als woning aangeduid kon worden en (iii) [geïntimeerde 1] heeft meegedeeld dat de woning goed onderhouden was, wat niet waar bleek te zijn. Daarnaast hebben [appellanten] aangevoerd dat de rechtbank de ouderdomsclausule ambtshalve had moeten toetsen aan de richtlijn oneerlijke bedingen en dat ten onrechte niet heeft gedaan. 6.7 Het resultaat van de bespreking tot zover zal leiden tot een oordeel over de vraag in hoeverre [geïntimeerde 1] aansprakelijk kan worden gehouden voor de constructieve gebreken op grond van toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst, omdat de woning niet de eigenschappen bezat die [appellanten] op grond van de koopovereenkomst mochten verwachten (non-conformiteit). Daarna zal het hof de argumenten van [appellanten] beoordelen die zij in hoger beroep hebben aangevoerd in het kader van hun beroep op dwaling (6.54- 6.60). Vervolgens komt aan de orde het verwijt van [appellanten] dat [geïntimeerde 1] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld, met name omdat hij niet heeft voldaan aan de instandhoudingsverplichting die geldt voor rijkmonumenten en bouwregelgeving heeft geschonden (6.61-6.65). Daarna volgt een bespreking van de kritiek van [appellanten] op de door de rechtbank toegekende schadevergoeding (6.66-6.70). De ouderdomsclausule (en de artikelen 6.1 en 6.3 van de koopovereenkomst) 6.8 Artikel 6.1 van de koopovereenkomst bepaalt dat de verkoper niet instaat voor zichtbare en onzichtbare gebreken. Artikel 6.3 brengt daarop vervolgens een belangrijke beperking aan voor gebreken die het normale gebruik als woning belemmeren. Artikel 6.3 houdt in dat de verkoper er voor instaat dat de woning geen gebreken heeft die dit normale gebruik belemmeren. Als deze gebreken echter aan de koper bekend of kenbaar zijn, komen die voor rekening van de koper. Zo niet, dan is de verkoper aansprakelijk voor deze gebreken. De verkoper kan dan alleen worden aangesproken voor de herstelkosten en niet voor aanvullende kosten. Dat laatste is echter anders als de verkoper een verwijt treft. Dan is hij ook aansprakelijk voor aanvullende kosten. 6.9 Artikel 24 van de koopovereenkomst bevat de ouderdomsclausule. De tekst hiervan is hiervoor opgenomen bij 3.11. [appellanten] en [geïntimeerde 1] verschillen van mening over de uitleg van deze clausule. [geïntimeerde 1] betoogt dat hij zich volledig heeft vrijgetekend voor àlle (bouwkundige kwaliteits)gebreken die de woning blijkt te hebben, inclusief de in artikel 24 specifiek genoemde gebreken, ongeacht de leeftijd van het specifieke gebrek. Het noemen van “75 jaar” is alleen bedoeld om te duiden vanaf wanneer een pand “oud” is en niet om onderscheid te maken tussen gebreken van voor en na 75 jaar geleden. [appellanten] bestrijden dat en betogen dat de ouderdomsclausule alleen betekent dat [geïntimeerde 1] niet aansprakelijk is voor zover de gebreken dateren van meer dan 75 jaar geleden, maar niet voor zover die gebreken recent, te weten minder dan 75 jaar geleden, zijn ontstaan. [appellanten] wijzen erop dat als de uitleg van [geïntimeerde 1] wordt gevolgd, er in feite geen enkel beroep op non-conformiteit meer mogelijk is. Dat is nooit de bedoeling van partijen, althans [appellanten] , geweest. 6.10 Het hof stelt het volgende voorop. Bij de beantwoording van de vraag hoe een bepaling in een overeenkomst moet worden uitgelegd, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. In dit geval hebben partijen niet onderhandeld over de ouderdomsclausule. Dat maakt dat bij de invulling van deze uitlegmaatstaf veel belang toekomt aan de tekst van de bepaling, bezien in verband met de overige inhoud van de overeenkomst en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe een bepaalde uitleg zou leiden . 6.11 Vaststaat dat de koopovereenkomst, inclusief de ouderdomsclausule, is opgesteld door de makelaar van verkoper [geïntimeerde 1] . Het hof is van oordeel dat de ouderdomsclausule alleen aansprakelijkheid voor de verkoper uitsluit voor zover gebreken verband houden met de ouderdom van de woning van meer dan 75 jaar. De tekst van de clausule vanaf “Tenzij koper de kwaliteit ervan gegarandeerd heeft (…)”, geïsoleerd bezien, zou erop kunnen wijzen dat aansprakelijkheid voor àlle gebreken wordt uitgesloten, ongeacht of die verband houden met de ouderdom van de woning of niet, maar als deze tekst in de context van de rest van de overeenkomst wordt geplaatst, is deze uitleg niet aannemelijk. Een dergelijke ruime uitleg van artikel 24 zou immers iedere betekenis ontnemen aan artikel 6.3 van de overeenkomst. Bij een ruime uitleg blijft namelijk volstrekt onduidelijk waarom artikel 6.3 dan nog is opgenomen in de overeenkomst. Bij de door het hof aangenomen, meer beperkte uitleg heeft artikel 6.3 wel nog betekenis, doordat artikel 24 daarop alleen een uitzondering maakt voor gebreken die het normale gebruik van de woning belemmeren als die gebreken samenhangen met de ouderdom van de woning, en niet voor gebreken die bijvoorbeeld door recente verbouwingen zijn ontstaan. Daarbij komt dat boven artikel 24 de aanduiding “ouderdomsclausule” staat. Die aanduiding is meer in lijn met een uitleg waarbij alleen ouderdomsgebreken worden uitgesloten van aansprakelijkheid en ligt niet voor de hand als de bedoeling zou zijn om daarmee een volledige exoneratie voor alle bouwkundige kwaliteitsgebreken te bewerkstelligen, ook als die recent zijn ontstaan. Al met al hadden [appellanten] als kopers artikel 24 redelijkerwijs zo mogen opvatten dat dit alleen een exoneratie bevatte voor gebreken die verband houden met de omstandigheid dat de woning meer dan 75 jaar oud is, en hadden zij er geen rekening mee hoeven houden dat dit voor alle gebreken zou gelden. De constructieve gebreken apart beschouwd (en beoordeling of deze vallen binnen de reikwijdte van de ouderdomsclausule) 6.12 Het hof zal hieronder de verschillende constructieve gebreken bespreken en beoordelen of de schade in verband met die gebreken binnen de reikwijdte van de ouderdomsclausule valt. Zo nee, dan zal worden bezien wat de koopovereenkomst dan inhoudt voor de aansprakelijkheid voor die gebreken. (
  18. a)omhoog geplaatste hanenbalken en verwijderde trekbalken 6.13 Vaststaat dat op de zolderverdieping (ook wel: de tweede verdieping) tussen de schuine spantbenen van de kapconstructie van het dak op een bepaalde hoogte boven de vloer hanenbalken zaten en op vloerniveau verschillende (dubbele) trekbalken die zich tot zo’n 20 centimeter boven de vloer bevonden. Deze hanenbalken en trekbalken, die over de breedte van de zolderverdieping liepen, hebben met name als doel om de spantbenen van de kapconstructie bij elkaar te houden en spatkrachten (zijwaartse druk) op te vangen. Vaststaat dat op enig moment de hanenbalken hoger zijn geplaatst en de trekbalken op vloerniveau zijn verwijderd. Dit is gebeurd om (sta)ruimte te creëren en op de zolderverdieping te kunnen lopen, zonder te struikelen over de trekbalken. Volgens VDE levert dit een constructief gebrek op en is met name de verwijdering van de trekbalken op vloerniveau problematisch. 6.14 Het hof is van oordeel - anders dan de rechtbank - dat [geïntimeerde 1] voor deze wijzigingen aan de kapconstructie geen beroep kan doen op de ouderdomsclausule en licht dat als volgt toe. [appellanten] hebben gewezen op de bouwtekening uit 1972, waarop te zien is dat de hanenbalken nog op de oorspronkelijke hoogte zitten en de trekbalken nog aanwezig zijn. Daarnaast hebben zij in hoger beroep een vergunningaanvraag uit 1984 overgelegd voor de verbouwing van de zolderverdieping, ingediend door een vorige eigenaar van de woning, mevrouw [voormalig eigenaresse] . Op de tekening van de (destijds) ‘bestaande toestand’ zijn de trekbalken aan de voorzijde en de achterzijde van de zolderverdieping nog ingetekend terwijl op de tekening van de ‘nieuwe toestand’ aan de voorzijde van de zolderverdieping een slaapkamer is ingetekend waarbij de trekbalk aan deze voorzijde is verwijderd. De heer [getuige] heeft als getuige verklaard dat zijn echtgenote van maart 1972 tot om en nabij september 1988 eigenaar van de woning was, dat hij daar toen ook heeft gewoond, dat toen zij in de woning kwamen wonen de zolderverdieping één grote ruimte was en dat zij een kamer aan de voorkant van de zolderverdieping hebben gemaakt. [appellanten] hebben hiermee voldoende onderbouwd dat de (lager geplaatste) hanenbalken en de trekbalken nog aanwezig waren in 1972 en pas na 1984 omhoog zijn geplaatst respectievelijk verwijderd (om sta- en vrije loopruimte te creëren). Daartegenover heeft [geïntimeerde 1] onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat deze wijzigingen niet hebben plaatsgevonden binnen de periode van 75 jaar voor de verkoop van de woning aan [appellanten] Daarmee is komen vast te staan dat de hanenbalken omhoog zijn geplaatst en de trekbalken zijn verwijderd minder dan 75 jaar voor de verkoop van de woning aan [appellanten] en dat dit constructieve gebrek niet valt onder de reikwijdte van de ouderdomsclausule. 6.15 Volgens [appellanten] is [geïntimeerde 1] aansprakelijk voor dit gebrek op grond van artikel 6.3 van de koopovereenkomst, omdat het gaat om een gebrek dat het normaal gebruik van de woning belemmert (en de ouderdomsclausule niet van toepassing is). [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat dit gebrek het normaal gebruik van de woning niet belemmert, maar het hof verwerpt dat betoog. Uit vaste rechtspraak volgt dat ‘normaal gebruik’ betekent dat in een woning gewoond moet kunnen worden op een voldoende veilige manier, met een redelijke mate van duurzaamheid en zonder dat het woongenot wezenlijk wordt aangetast. Uit de rapporten van [bouwkundig bureau] en VDE blijkt - en [geïntimeerde 1] heeft niet betwist - dat met name de verwijdering van de trekbalken zorgt voor extra spatkrachten op de bouwmuren, wat wordt versterkt door de verplaatsing van de hanenbalken, en dat de bouwmuren daar niet op zijn berekend. Daarmee staat vast dat dit gebrek een normaal gebruik van de woning belemmert. Dat de extra spatkrachten mogelijk (nog) niet hebben geleid tot het naar buiten wijken van de bouwmuren omdat de muren van de belendende panden dat hebben voorkomen, maakt niet dat dit geen gebrek is dat aan normaal gebruik van de woning in de weg staat. Het feit dat de eigen bouwmuren van de woning te zwaar worden belast is daarvoor voldoende. 6.16 [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat als dit gebrek wel een normaal gebruik van de woning zou belemmeren, hij dan een beroep kan doen op artikel 27 van de koopovereenkomst omdat sprake is van afwijkingen van de bouwregelgeving waarvoor hij gelet op dit artikel niet aansprakelijk is. Het hof onderschrijft het standpunt van [appellanten] dat een dergelijke uitleg van de koopovereenkomst niet opgaat. In artikel 6.3 is uitdrukkelijk bepaald dat de verkoper aansprakelijk is voor gebreken die het normale gebruik van de woning belemmeren. Dat artikel 27 zou betekenen dat [geïntimeerde 1] zich vervolgens zou hebben vrijgetekend voor gebreken die het normale gebruik belemmeren als die een afwijking opleveren van bouwregelgeving, hebben [appellanten] redelijkerwijs niet hoeven begrijpen. Als [geïntimeerde 1] dat zou hebben bedoeld, dan had het op zijn weg gelegen om dat expliciet in artikel 27 te vermelden, vergelijkbaar met de uitdrukkelijke vermelding in artikel 24 dat met de ouderdomsclausule een afwijking van artikel 6.3 is beoogd. 6.17 [geïntimeerde 1] is dus op grond van artikel 6.3 van de koopovereenkomst aansprakelijk voor de kosten die zijn gemoeid met het herstel van de verplaatste hanenbalken en de verwijderde trekbalken. Artikel 6.3 bepaalt dat [geïntimeerde 1] ook aansprakelijk is voor aanvullende schade als hem een verwijt valt te maken. [appellanten] stellen dat daarvan sprake is omdat (
  19. i)[geïntimeerde 1] zelf in ieder geval de achterste trekbalken heeft verwijderd en daar de hanenbalken hoger heeft geplaatst en (
  20. ii)als dat niet zo zou zijn, [geïntimeerde 1] dan in ieder geval wist van dit gebrek maar dat niet aan [appellanten] heeft gemeld. [geïntimeerde 1] heeft het voorgaande betwist. Het hof overweegt dat het aan [appellanten] is om hun stellingen (
  21. i)en (
  22. ii)voldoende te onderbouwen (en als daaraan kan worden toegekomen: te bewijzen). 6.18 Uit de verklaring die [geïntimeerde 1] als getuige heeft afgelegd, volgt dat hij geen trekbalken heeft weggehaald of hanenbalken omhoog heeft geplaatst. Die verklaring wordt ondersteund door de foto’s van de zolderverdieping die bij de vergunningaanvraag 2004 zijn gevoegd. Daarop is te zien is dat er toen ook aan de achterzijde van de woning geen trekbalken meer aanwezig waren en dat de hanenbalken zich al bevonden op de hoogte waar ze ook bij de verkoop van de woning aan [appellanten] zaten (zie productie 24 bij de inleidende dagvaarding). [appellanten] hebben dat niet (gemotiveerd) weersproken. Dat [geïntimeerde 1] de achterste trekbalken heeft weggehaald en hanenbalken hoger heeft geplaatst is dan ook niet komen vast te staan. Stelling (
  23. i)wordt dan ook verworpen. 6.19 [appellanten] hebben aangevoerd dat [geïntimeerde 1] dan in ieder geval had moeten zien (
  24. a)dat de trekbalken waren verwijderd, omdat de uiteinden van de afgezaagde trekbalken nog aan de zijkanten te zien waren en (
  25. b)dat de hanenbalken waren verhoogd omdat in de spantbenen zichtbaar was waar de kramplaten hadden gezeten waarmee de hanenbalken oorspronkelijk bevestigd waren geweest. Bovendien had het voor [geïntimeerde 1] , als technisch onderlegd persoon, duidelijk geweest moeten zijn dat de constructie niet deugde en dat met name het ontbreken van de trekbalken op vloerniveau een bouwkundige doodzonde was, aldus [appellanten] Het hof is van oordeel dat [appellanten] onvoldoende hebben onderbouwd dat [geïntimeerde 1] op de hoogte was van dit gebrek. [geïntimeerde 1] heeft als getuige namelijk verklaard dat hij de aanwezige stompen van de trekbalken niet als zodanig heeft geduid, dat hij ook niet wist wat trekbalken waren, dat hij zich bij de afdrukken (van de kramplaten) in de spantbenen niet heeft afgevraagd wat die betekenden en dat hij niet heeft gezien dat de hanenbalken omhoog waren geplaatst. De omstandigheid dat [geïntimeerde 1] industrieel ontwerpen heeft gestudeerd, maakt nog niet dat hij zodanig bouwkundig inzicht moet hebben gehad dat hij had moeten opmerken dat de afwezigheid van de trekbalken en de hoogte van de wel aanwezige hanenbalken een constructief probleem opleverden. De suggestie van [appellanten] dat [geïntimeerde 1] bewust op een bepaalde plek een plant had neergezet om te verhullen dat daar een trekbalk was weggehaald, wordt nergens door ondersteund. De conclusie is dat ook stelling (
  26. ii)niet opgaat. 6.20 De conclusie tot zover is dat [geïntimeerde 1] aansprakelijk is voor de herstelkosten die verband houden met de omhoog geplaatste hanenbalken en de verwijderde trekbalken (en niet voor aanvullende kosten). Het hof komt bij 6.72 terug op deze herstelkosten. (
  27. b)de gordingen: onvoldoende en onjuist verankerd in de voorgevel 6.21 De gordingen zijn de balken die horizontaal in de lengterichting van het dak lopen. Deze gordingen dienden aan de uiteinden te zijn bevestigd aan de gevel. Het gebrek bestaat eruit dat deze dakgordingen op onvoldoende en onjuiste wijze zijn verankerd aan de voorgevel. [bouwkundig bureau] rapporteert hierover dat men in het verleden de dakkap geheel heeft vervangen, dat men daarbij de gordingen heeft bevestigd aan de voorgevel, maar dit op zodanige wijze is gedaan dat de gordingen slechts met spijkers zijn vastgezet aan de bovendorpel en stijl van het raamkozijn. Ing. [ingenieur 1] (hierna: [ingenieur 1] ), naar wie [appellanten] verwijzen, omschrijft het gebrek op vergelijkbare wijze: “Bij de voorgevel ontbrak de constructieve verbinding tussen de gording en de gemetselde gevel. De gording werd min of meer op zijn plaats gehouden door een paar draadnagels in de kozijnstijl.” 6.22 De rechtbank heeft over dit gebrek - samengevat - het volgende overwogen (rechtsoverwegingen 4.12 en 4.20 tussenvonnis van 11 maart 2020). Door VDE en [bouwkundig bureau] is vastgesteld dat de dakconstructie is vernieuwd. De bij die vernieuwing aangebrachte gordingen zijn daarbij op onjuiste en onvoldoende wijze aan de voorgevel verankerd. VDE heeft opgemerkt dat de vernieuwde dakconstructie naar alle waarschijnlijkheid uit de eerste helft van de 20e eeuw stamt. Op grond daarvan houdt de rechtbank het er voor dat de (vernieuwde) dakconstructie ouder is dan 75 jaar. Gelet daarop komt de rechtbank tot het oordeel dat de gebrekkige verankering van de gordingen aan de voorgevel (hof: die dus ten tijde van de vernieuwing van de dakconstructie heeft plaatsgevonden) valt onder de ouderdomsclausule. 6.23 [appellanten] zijn het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat dit gebrek valt onder de ouderdomsclausule en hebben hun bezwaren uiteengezet onder grief VI. Het hof begrijpt dat [appellanten] in ieder geval bedoelen aan te voeren dat de gebrekkige verankering pas is ontstaan ten tijde van het verwijderen van de trekbalken en dat dit na 1984 moet hebben plaatsgevonden. [appellanten] schrijven: “Nadat de trekbalken door (een rechtsvoorganger) van [geïntimeerde 1] zijn verwijderd zijn daarbij de gordingen niet, althans onvoldoende en onjuist verankerd aan de voorgevel.”. Dit volgt echter niet uit de door [appellanten] zelf in het geding gebrachte rapportages van VDE en [bouwkundig bureau] over de door hen geconstateerde gebreken. Daaruit volgt juist dat wat de rechtbank ook heeft overwogen: bij de vernieuwing van de dakconstructie begin 20e eeuw zijn de toen aangebrachte gordingen niet juist verankerd. Waaruit [appellanten] opmaken dat dit moet zijn gebeurd ten tijde van het verwijderen van de trekbalken op vloerniveau (en/of het verhogen van de hanenbalken), wordt niet duidelijk gemaakt. Voor zover [appellanten] bedoelen te suggereren dat de verankering van de (in de lengterichting van de zolder lopende) gordingen aan de voorzijde noodzakelijkerwijs aangepast moest worden toen (de in de breedterichting van de zolder lopende) trekbalken op vloerniveau werden verwijderd en/of de (eveneens in de breedterichting lopende) hanenbalken omhoog werden geplaatst en dat daarom de gebrekkige verankering in de voorgevel toen moet zijn ontstaan, oordeelt het hof dat dat niet voor de hand ligt en ook onvoldoende is toegelicht. Dit bezwaar van [appellanten] gaat dus niet op. 6.24 In grief VI verwijzen [appellanten] ook naar de verroeste gordingsankers (muurankers) die [geïntimeerde 1] in strijd met het advies van de Monumentenwacht niet zou hebben hersteld en merken op dat “de scheurvorming in de gevel aldus is verergerd”. Wat de relatie is tussen verroeste gordingsankers en het ontstaan of verergeren van de gebrekkige verankering van de gordingen (met spijkers in het kozijn) wordt echter niet toegelicht. De scheurvorming in de voorgevel is een apart gebrek dat hierna aan de orde komt. Het punt van de verroeste gordingsankers komt daar verder aan de orde. 6.25 De conclusie is dat de bezwaren van [appellanten] worden verworpen. Ook het hof oordeelt dat de gebrekkige verankering van de gordingen aan de voorgevel meer dan 75 jaar vóór de verkoop van de woning aan [appellanten] heeft plaatsgevonden en daarmee valt binnen de reikwijdte van de ouderdomsclausule. (
  28. c)voorgevel: scheurvorming 6.26 Vaststaat dat de voorgevel scheurvorming vertoonde. Deze was gedeeltelijk, aan de buitenzijde, al zichtbaar ten tijde van de verkoop, maar de omvang van het probleem bleek later pas ten volle. Zowel VDE als [bouwkundig bureau] beschrijven het probleem van de scheurvorming: het metselwerk in de voorgevel is op meerdere plaatsen aanzienlijk gescheurd en ontzet, de scheurvorming is door en door en is dusdanig dat er geen homogeniteit bestaat in het metselwerk van de voorgevel. VDE beschrijft dat deze scheurvorming in combinatie met andere factoren - te weten (
  29. a)het hellen van de gevel en (
  30. b)de matige koppeling van de voorgevel met de dakconstructie - zorgt voor een aanzienlijk risico op het deels bezwijken van de voorgevel. 6.27 Het hof begrijpt dat [appellanten] (onder grief VII) aanvoeren dat de scheurvorming niet kan worden toegeschreven aan de ouderdom van de woning, omdat de scheurvorming in de loop van de afgelopen jaren is ontstaan, althans is verergerd, door handelen of nalaten van (een rechtsvoorganger van) [geïntimeerde 1] . 6.28 [appellanten] doelen hierbij in ieder geval op nalaten van [geïntimeerde 1] vanwege het niet herstellen van de verroeste gordingsankers (muurankers). [appellanten] wijzen erop dat de Monumentenwacht [geïntimeerde 1] in 2004 heeft geadviseerd om het roesten van de gordingsankers te verhelpen, maar dat hij dat niet heeft gedaan. Volgens [appellanten] heeft het niet herstellen van deze ankers bijgedragen aan verdere scheurvorming in de voorgevel en moet [geïntimeerde 1] daarom in ieder geval aansprakelijk worden gehouden voor de verergering van dit gebrek. [appellanten] maken in dit verband (onder grief X) bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat de (ten tijde van de verkoop aan [appellanten] niet zichtbare) scheurvorming in de gevel door het roesten van de gordingankers sinds 2004 niet is toegenomen, althans dat die toename van de scheurvorming zo gering was dat dit niet tot extra herstelkosten leidt. 6.29 Niet bestreden is dat een deel van de scheurvorming in de voorgevel, bij de twee gordingsankers tussen de zolderramen, is ontstaan door het roesten van die ankers doordat het gevelmetselwerk door de corrosie van die ankers ook verticaal werd ontzet. Vast staat ook dat de Monumentenwacht in 2004 aan [geïntimeerde 1] het advies heeft gegeven om de gordingsankers in de voorgevel uit te hakken, te ontroesten en conserveren en dat [geïntimeerde 1] dat niet heeft gedaan, naar zijn zeggen omdat dit volgens de aannemer toch niet nodig bleek te zijn. Het hof is het met de rechtbank eens dat [geïntimeerde 1] aansprakelijk kan worden gehouden voor de herstelkosten van de schade door (het ten tijde van de verkoop onzichtbare deel van) scheurvorming in de voorgevel, voor zover die schade na 2004 is ontstaan door het verder roesten van de twee gordingsankers tussen de zolderramen. 6.30 Het hof oordeelt, net als de rechtbank, dat niet is komen vast te staan dat de schade als gevolg van de roestende gordingsankers is toegenomen als gevolg van het nalaten van [geïntimeerde 1] en licht dat als volgt toe. VDE heeft gerapporteerd dat de ontzetting door roestende gordingsankers in een relatief lange periode ontstaat. Daarnaast heeft [geïntimeerde 1] verklaringen overgelegd van dhr. [restauratiearchitect] , (o.a.) restauratiearchitect te [woonplaats] , (hierna: [restauratiearchitect] ) en van dhr. [directeur] , (o.a.) directeur van een bouwbedrijf te [woonplaats] gespecialiseerd in klassiek bouwen en restauratiewerkzaamheden, (hierna: [directeur] ). [restauratiearchitect] heeft verklaard, en [directeur] heeft bevestigd, dat de scheurvorming bij de twee gordingsankers en de daarmee gepaard gaande ontzetting van het gevelmetselwerk na 2004 mogelijk is verergerd, maar dat de totale ontzetting (dus inclusief die van vóór 2004) hooguit enkele millimeters is en de te maken herstelkosten sinds 2004 niet noemenswaardig zijn toegenomen. [appellanten] heeft hiertegenover, evenals bij de rechtbank, een beroep gedaan op de verklaring van [ingenieur 1] inhoudend: “Bij het verwijderen van de voorzetwanden van de voorgevel bleek dat de ijzeren ankers zwaar waren gecorrodeerd. Bij corrosie van ijzer/staal is de volumetoename van ijzer/staal circa twintig keer het volume van het ijzer/staal. Dat betekent dat bij het nalaten van roestwerend onderhoud het metselwerk rondom de ankers door die expansie kapot gedrukt wordt. Bij de [adres 1] had dit tot gevolg dat door het ontbreken van adequaat onderhoud de voorgevel in schijven uit elkaar gedrukt werd, waardoor naast de onvoldoende verankering de expansie van het corroderende ijzer de samenhang in de gevel volkomen verloren was gegaan. Nu nog is aan de reparatie van het metselwerk te zien waar metselwerk is hersteld. Gezien de staat van het oude voegwerk (…) mag aangenomen worden dat het verwaarlozen van onderhoud zich in de afgelopen 20 jaar heeft afgespeeld en de scheurvorming als gevolg daarvan sinds 2004 dus zeker is verergerd.”. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellanten] met het aanhalen van deze passage, het standpunt van [restauratiearchitect] met betrekking tot de mate van verdere ontzetting van het gevelmetselwerk door de verroeste ankers en de (niet noemenswaardige) invloed daarvan op de herstelkosten niet heeft weerlegd. Het hof sluit zich daarbij aan, en stelt vast dat [appellanten] in hoger beroep enkel hebben volstaan met het weer aanhalen van deze passage uit de verklaring van [ingenieur 1] , zonder uit te leggen hoe daaruit kan worden afgeleid dat er sinds 2004 extra kosten voor het herstel van de scheuren in de voorgevel zijn ontstaan door het verder verroesten van de twee muurankers. 6.31 [appellanten] betogen met hun uiteenzetting bij grief VII kennelijk ook dat de scheurvorming in de voorgevel in de afgelopen jaren door toedoen van (rechtsvoorgangers van) [geïntimeerde 1] is verergerd door (
  31. i)“het onjuist verankeren van de gordingsankers” en (
  32. ii)“het verwijderen van de spanten” / “het verwijderen van de trekbalken na 1984” (memorie van grieven nrs. 95 en 104). Dit is waarschijnlijk gebaseerd op de verklaring van [ingenieur 1] die naar aanleiding van het tussenvonnis van de rechtbank van 11 maart 2020 schrijft: “Aan de reparaties in het metselwerk van de voorgevel (is nu erg netjes gedaan) volgt en uit alle deskundigenrapporten blijkt dat de scheurvorming aanzienlijk was. De scheurvorming is een gevolg van het voorover hellen van de woning, het verwijderen van de spanten, het onjuist verankeren van de gordingsankers en het niet herstellen van de verroeste gordingsankers.” 6.32 Het hof neemt aan dat [appellanten] met de “onjuiste verankering van de gordingsankers” doelen op de hiervoor besproken onjuiste verankering van de gordingen aan de voorgevel. In het rapport van VDE wordt de slechte verankering van de (dak)gordingen, en daarmee van de dakconstructie aan de voorgevel, echter niet genoemd als oorzaak van de scheurvorming, maar als een van de factoren die bijdragen aan de instabiliteit van de voorgevel en het gevaar op instorten ervan, naast de scheurvorming in de gevel, die volgens VDE als aparte factor ook bijdraagt aan deze instabiliteit (zie hiervoor bij 6.26). De beschrijving van [ingenieur 1] over de oorzaken van de scheurvorming staat hier haaks op: hij noemt “de onjuiste verankering van de gordingsankers” als een van de oorzaken van de scheurvorming. Zonder nadere uitleg - die [appellanten] niet hebben gegeven - valt echter niet in te zien hoe de onjuiste verankering van de gordingen (met spijkers) heeft bijgedragen aan de (verdere) scheurvorming in de gevel, zodat het hof aan de verklaring van [ingenieur 1] voorbij gaat. Daarbij komt overigens ook nog dat de onjuiste verankering van de gordingen aan de voorgevel niet in de periode van 75 jaar vóór de verkoop aan [appellanten] heeft plaatsgevonden, maar langer geleden (begin 20e eeuw) zoals het hof hiervoor bij 6.23 heeft overwogen. 6.33 Het is voor het hof niet helemaal duidelijk wat [appellanten] bedoelen met “het verwijderen van de spanten”. Voor zover zij daarmee doelen op het geheel vernieuwen van de dakconstructie waarbij de oude spanten zijn verwijderd, overweegt het hof het volgende. Ook hierbij hebben [appellanten] niet toegelicht hoe de vernieuwing van de dakconstructie kan hebben geleid tot scheurvorming in de voorgevel. Bovendien moet worden aangenomen dat deze vernieuwing heeft plaatsgevonden begin 20e eeuw, waardoor het onder de ouderdomsclausule valt. Voor zover [appellanten] hiermee doelen op het verwijderen van de trekbalken, dat na 1984 heeft plaatsgevonden, overweegt het hof dat daarvoor geldt dat zonder nadere toelichting - die niet is gegeven - niet valt in te zien hoe de verwijdering van deze trekbalken, die in de breedte over de zolderverdieping liepen en die de spantbenen van het dak op vloerniveau bij elkaar hielden, heeft bijgedragen aan scheurvorming in de voorgevel. 6.34 De conclusie is dat de oorzaak van de schade door scheurvorming in de voorgevel niet kan worden geplaatst binnen de periode van 75 jaar vóór de verkoop van de woning aan [appellanten] Daarmee valt deze schade binnen de reikwijdte van de ouderdomsclausule. (
  33. d)bouwmuren: aangetaste homogeniteit van het metselwerk 6.35 Dit gebrek houdt in dat de bouwmuren scheuren vertonen waardoor de homogeniteit van het metselwerk is aangetast, met als gevolg dat het draagvermogen van deze muren in het geding komt. 6.36 Volgens [appellanten] heeft de rechtbank ook bij dit gebrek ten onrechte geoordeeld dat het onder de ouderdomsclausule valt. Uit de uiteenzetting van de bezwaren van [appellanten] (onder grief VIII) blijkt echter dat die betrekking hebben op de scheurvorming in de voorgevel, dat hiervoor al als apart gebrek is behandeld, op de balkkoppen, dat onder het hierna te bespreken gebrek valt, en mogelijk ook (dat is het hof niet duidelijk) op het verwijderen van de trekbalken, dat hiervoor als apart gebrek is besproken. [appellanten] hebben hun grief ten aanzien van de bouwmuren niet onderbouwd met argumenten die specifiek daarop betrekking hebben. Deze grief faalt dan ook. (
  34. e)vloeren eerste en tweede verdieping: aangetaste/weggerotte balkkoppen en matige vloeroplegging 6.37 Het gaat er hier om - voor zover in hoger beroep relevant - dat meerdere balkkoppen van de vloerbalken verrot waren en onvoldoende oplegging in de bouwmuren hadden. Als gevolg daarvan komt het draagvermogen van de vloeren in gevaar. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit gebrek valt onder de ouderdomsclausule, maar [appellanten] zijn het daar niet mee eens (grief IV). 6.38 [appellanten] stellen dat de vermindering van de oplegging van de vloerbalken in de muren het gevolg is van een recente gebrekkige aanpassing van de constructie waardoor de muren naar buiten zijn gaan wijken. Volgens [appellanten] zijn de muren gaan wijken door het (na 1984) verwijderen van de trekbalken en de onjuiste verankering van de gordingen door [geïntimeerde 1] . In dit verband hebben [appellanten] (met grief XI) bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de rechtbank dat het verwijderen van de trekbalken niet heeft geleid tot het naar buiten wijken van de muren. 6.39 Wat betreft de verankering van de gordingen heeft het hof hiervoor overwogen dat dat niet recent is gebeurd en dat dit onder de ouderdomsclausule valt, zodat het argument van [appellanten] in zoverre daarom al niet opgaat. Ten overvloede overweegt het hof nog dat ook nergens uit blijkt dat de gebrekkige verankering van de gordingen in de gevel een oorzaak is geweest van het wijken van de bouwmuren waarin de vloerbalken waren opgelegd. 6.40 Wat betreft de stelling van [appellanten] dat de verminderde oplegging van de vloerbalken komt door het wijken van de bouwmuren als gevolg van het verwijderen van de trekbalken (waardoor de spatkrachten op die muren zijn toegenomen), stelt het hof voorop dat het aan [appellanten] is om dat voldoende te onderbouwen. [appellanten] hebben zich hierbij beroepen op de verklaring van [ingenieur 1] die [appellanten] in 2020 in het geding hebben gebracht en een rapport van ir. [ingenieur 2] (hierna: [ingenieur 2] ) van 12 augustus 2022 getiteld “controle berekening houten dakspant”. Daar staat tegenover dat in de eerder door [appellanten] in het geding gebrachte rapporten van VDE en [bouwkundig bureau] , die beide in 2018 de situatie ter plekke hebben gezien en die hebben gerapporteerd over door hen geconstateerde gebreken, helemaal niets staat over het naar buiten wijken van de bouwmuren - terwijl dat toch wel voor de hand zou hebben gelegen als dat het geval was. Voor zover VDE een oorzaak van de verminderde oplegging van de vloerbalken heeft genoemd, heeft zij die verminderde oplegging alleen gerelateerd aan het wegrotten van de balkkoppen en niet aan het wijken van de muren. Bovendien hebben [restauratiearchitect] en [directeur] verklaard dat de extra spatkrachten niet hebben geleid tot het wijken van de bouwmuren, omdat die muren door de belendende panden op hun plaats worden gehouden. Daartegenover heeft [ingenieur 1] verklaard dat het “Bouwbesluit technisch” niet is toegestaan dat (de muren van) een belendend pand de krachten opvangen, maar hoe daaruit zou volgen dat de bouwmuren van de woning zijn gaan wijken wordt niet duidelijk gemaakt. [appellanten] halen uit het rapport van [ingenieur 2] aan dat “het aannemelijk is dat de muren steeds verder naar buiten zijn gaan wijken” als gevolg van de afwezigheid van de trekbalken (memorie na enquête nr. 17), maar waarop die aanname precies is gebaseerd, leggen [appellanten] verder niet uit. Al met al komt ook het hof tot het oordeel dat [appellanten] niet met voldoende concrete feiten hebben onderbouwd dat het verwijderen van de trekbalken heeft geleid tot het naar buiten wijken van de bouwmuren, wat vervolgens tot de verminderde oplegging van de vloerbalken in deze muren heeft geleid. 6.41 [appellanten] hebben ook aangevoerd dat het probleem van de verminderde oplegging van de vloerbalken in de bouwmuren door houtrot in de balkkoppen is verergerd door lekkages vanuit de dakgoten op de bouwmuren die recht onder die goten staan. Daardoor zouden deze muren voortdurend nat zijn geworden met als gevolg het voortdurend nat worden van de balkkoppen van de vloerbalken onder de eerste en tweede etage, wat tot houtrot in deze balkkoppen heeft geleid. Het hof begrijpt dat [appellanten] betogen dat voor zover de verminderde oplegging van de vloerbalken aan houtrot in de balkkoppen is te wijten, dit niet valt onder de ouderdomsclausule omdat deze lekkages het gevolg zijn van het recent onjuist aanbrengen en niet adequaat onderhouden van de dakgoten. [appellanten] merken hierbij op dat de goten aan de oost- en westzijde ernstig zijn beschadigd en dat de goot aan de westzijde onjuist zou zijn aangebracht door [geïntimeerde 1] . 6.42 Het hof oordeelt hierover dat [appellanten] niet hebben aangegeven waarop zij hun stelling baseren dat de bouwmuren en daardoor de balkkoppen (recent) voortdurend nat zijn geworden door lekkages vanuit gebrekkige goten. De van de zijde van [appellanten] ingebrachte rapporten van VDE en [bouwkundig bureau] , die in 2018 de situatie ter plekke hebben geanalyseerd, maken daar geen melding van. VDE vermeldt alleen dat het vocht in de bouwmuren waarschijnlijk al aanwezig was sinds de bouw van de woning omstreeks 1615 en dat de oorzaak is de soort steen en de plaatselijke ondergrond en grondwaterstand. Ook in de verklaring van [ingenieur 1] , die [appellanten] gebruiken om te beargumenteren dat de gebreken niet onder de ouderdomsclausule vallen, is daar niets over vermeld. Bij gebrek aan enige nadere, althans voldoende onderbouwing, wordt deze stelling van [appellanten] dan ook verworpen. 6.43 De conclusie is dat deze grief faalt en dat ook voor dit gebrek geldt dat de schade binnen de reikwijdte van de ouderdomsclausule valt. Bezwaren van [appellanten] tegen toepassing van de ouderdomsclausule 6.44 Uit het voorgaande volgt dat de constructieve gebreken (
  35. b)t/m (
  36. e)vallen binnen de reikwijdte van de ouderdomsclausule. [appellanten] betogen dat er echter andere redenen zijn waarom de ouderdomsclausule desondanks toch niet tot uitsluiting van aansprakelijkheid voor [geïntimeerde 1] kan leiden . 6.45 [appellanten] hebben in de eerste plaats aangevoerd dat [geïntimeerde 1] wist van verschillende constructieve gebreken, maar die voor [appellanten] heeft verzwegen. Dat maakt dat [geïntimeerde 1] in die gevallen geen beroep kan doen op de ouderdomsclausule omdat dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het hof begrijpt dat [appellanten] dit verweer in hoger beroep in concreto hebben aangevoerd voor gebrek (d), de gebrekkige bouwmuren, en gebrek (e), de weggerotte balkkoppen en matige vloeroplegging. Volgens [appellanten] moet [geïntimeerde 1] deze gebreken gezien hebben toen hij voorzetwanden plaatste voor de (bouw)muren. [appellanten] schrijven (in nr. 115 van de memorie van grieven) dat “ [geïntimeerde 1] een dragende voorzetwand heeft geplaatst op de begane grond tegen de oost-muur”. Daarnaast suggereren [appellanten] dat [geïntimeerde 1] ook voorzetwanden op de zolderverdieping heeft geplaatst. 6.46 Het hof verwerpt dit verweer van [appellanten] gelet op het volgende. [geïntimeerde 1] is tijdens het voorlopig getuigenverhoor bij het hof uitgebreid bevraagd. [geïntimeerde 1] heeft toen op vragen van de advocaten van [appellanten] verklaard dat hij op de begane grond geen dragende wand heeft geplaatst om de constructie te waarborgen en dat ook niemand dat in zijn opdracht heeft gedaan. Verder heeft [geïntimeerde 1] verklaard dat de voorzetwanden die er waren, al aanwezig waren toen hij het huis kocht. Hiertegenover hebben [appellanten] onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat [geïntimeerde 1] voorzetwanden heeft geplaatst: waaruit [appellanten] afleiden dat [geïntimeerde 1] een voorzetwand op de begane grond heeft geplaatst blijft volstrekt onduidelijk en dat [geïntimeerde 1] dat op de zolderverdieping heeft gedaan is ook niet (voldoende) onderbouwd. Dat [geïntimeerde 1] zou hebben geweten dat de bouwmuren en de vloerbalken en hun oplegging constructief gebrekkig waren (en dat niet heeft gemeld), is dan ook niet komen vast te staan. 6.47 Het hof begrijpt dat [appellanten] ook betogen dat [geïntimeerde 1] , ook al zou hij niet op de hoogte zijn geweest van de constructieve gebreken, geen beroep kan doen op de ouderdomsclausule omdat die gebreken zo ernstig waren dat het pand niet eens als woning gebruikt kon worden. Volgens [appellanten] was sprake van een bouwval die op instorten stond, en is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde 1] in een dergelijk geval een beroep op de ouderdomsclausule zou kunnen doen om aansprakelijkheid af te wenden. 6.48 Het hof gaat daar niet in mee. Dat de staat van de woning ten tijde van de verkoop door [geïntimeerde 1] alles bij elkaar genomen zo ernstig was dat het pand dat als woning was verkocht in feite een bouwval was die op instorten stond, hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd. Uit de door [appellanten] in het geding gebrachte rapporten van VDE en [bouwkundig bureau] , die de situatie destijds hebben onderzocht en waarin de (verborgen) gebreken waar het in deze procedure over gaat zijn beschreven, blijkt dat niet. Dat de geconstateerde gebreken anderszins zo ernstig waren dat een beroep op de ouderdomsclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is naar het oordeel van het hof evenmin het geval. 6.49 [appellanten] hebben niet aangevoerd dat [geïntimeerde 1] onjuiste mededelingen heeft gedaan over de specifieke constructieve gebreken (
  37. a)t/m (
  38. e)die hiervoor zijn besproken. Zij voeren wel aan dat (namens) [geïntimeerde 1] meer in het algemeen onjuiste mededelingen zijn gedaan over de staat van de woning, waardoor [appellanten] op het verkeerde been zijn gezet. [appellanten] verwijzen hierbij naar de mededeling van [geïntimeerde 1] in de NVM-vragenlijst dat hij de woning helemaal heeft opgeknapt met behulp van aannemer, familie en vrienden, met de opmerking “geen problemen of zorgen”, en de mededeling van zijn verkoopmakelaar dat het gaat om een zeer goed onderhouden woonhuis. Ook het rapport van VEH waarnaar in de verkoopadvertentie wordt verwezen en waarin de meeste onderdelen van het huis worden gewaardeerd met een cijfer 2 of 3 (“goede conditie” respectievelijk “redelijke conditie”) geeft volgens [appellanten] een onjuiste indruk van de werkelijke staat van de woning. [appellanten] betogen dat [geïntimeerde 1] door de voorgaande mededelingen in wezen heeft gegarandeerd dat de woning (onder meer) de hiervoor besproken constructieve gebreken niet zou vertonen, en is de ouderdomsclausule daarom al niet van toepassing op die gebreken, althans is het gelet op die onjuiste mededelingen naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde 1] zich beroept op de ouderdomsclausule voor deze gebreken. 6.50 Het is juist dat door of namens [geïntimeerde 1] uitlatingen zijn gedaan inhoudend dat de woning goed onderhouden is. Op de foto’s en het verkoopfilmpje is te zien dat de woning er ten tijde van de verkoop goed uitziet. Naar achteraf is gebleken, gaven deze algemene uitlatingen een te rooskleurig algemeen beeld van de woning en bleken er onzichtbare gebreken te zijn. De uitlatingen waren evenwel algemene aanprijzingen waarvan [geïntimeerde 1] niet wist en niet kon weten dat die niet (geheel) klopten. Gelet op feit dat [appellanten] uitdrukkelijk is gewezen op de ouderdomsclausule die van toepassing was, dat het rapport van VEH duidelijk aangaf dat slechts een visuele inspectie was uitgevoerd, vermeldde dat op bepaalde punten gespecialiseerd onderzoek aangewezen was en bij de voorzetwanden bovendien ook nog vermeldde dat eventuele daarachter liggende gebreken daardoor niet te zien zijn, mochten [appellanten] uit die algemene positieve uitlatingen redelijkerwijs niet afleiden dat ze een woning kochten waar geen (ouderdoms)gebreken aan zouden kunnen kleven, van de soort en in de mate waarin die achteraf aanwezig bleken te zijn. Het voorgaande brengt mee dat de algemene uitlatingen van de kant van [geïntimeerde 1] en het rapport van VEH niet kunnen worden begrepen als een garantie dat de woning geen onzichtbare constructieve (ouderdoms)gebreken zou kunnen hebben of dat een beroep op de ouderdomsclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. 6.51 [appellanten] hebben er in de memorie na enquête nog een punt van gemaakt dat uit de getuigenverklaring van [geïntimeerde 1] zou blijken dat hij met de mededeling in de NVM-vragenlijst dat de woning is “opgeknapt met behulp van een aannemer, familie en vrienden” onjuiste informatie heeft verstrekt over de betrokkenheid van een aannemer bij de door hem uitgevoerde werkzaamheden. Volgens [appellanten] volgt uit de getuigenverklaring namelijk dat de aannemer alleen de gordingsankers heeft nagekeken, maar verder niets heeft gedaan. [geïntimeerde 1] heeft dit bestreden, en heeft er terecht op gewezen dat de passage in het getuigenverhoor waar [appellanten] naar verwijzen alleen ging over de zolderverdieping (waar de geplande badkamer niet is uitgevoerd) en dus geen betrekking heeft op andere (wel door de aannemer uitgevoerde) werkzaamheden elders in de woning (zie daarvoor de stukken bij de vergunningaanvraag 2004, hiervoor weergegeven bij 3.2). Dit punt van [appellanten] gaat daarom al niet op. 6.52 Volgens [appellanten] had de rechtbank de ouderdomsclausule ambtshalve moeten toetsen aan de richtlijn oneerlijke bedingen zoals verwoord in artikel 6:231 BW e.v. (grief IV). Het hof is het daar niet mee eens. Het gaat hier om een overeenkomst tussen twee particulieren. Weliswaar heeft de verkoopmakelaar de tekst van de overeenkomst met daarin het ouderdomsbeding opgesteld, kennelijk volgens een model dat deze makelaar vaker gebruikt, maar dat is onvoldoende om te oordelen dat de ouderdomsclausule daarom valt onder de algemene voorwaarden-regeling van afdeling 6.5.3 BW. [appellanten] realiseren zich dat zelf ook, aangezien zij opmerken dat op basis van de toelichting van de regering bij artikel 6:231 BW wordt aangenomen dat afdeling 6.5.3 BW niet op een beding als dit van toepassing is, en dat dat de heersende leer is. Het hof ziet geen reden om van die heersende leer af te wijken. 6.53 Tijdens de mondelinge behandeling hebben [appellanten] ook nog aangevoerd dat de ouderdomsclausule in strijd is met de openbare orde en/of goede zeden voor zover deze clausule ertoe strekt een beroep op non-conformiteit (of dwaling) af te snijden, maar die algemene stellingname vindt geen steun in het recht en gaat dus niet op (in de door [appellanten] in voetnoot 53 van de spreekaantekeningen aangehaalde conclusie van de PG bij de Hoge Raad valt dit overigens ook niet te lezen). Voor zover [appellanten] bedoelen dat de omstandigheden van dit geval zodanig zijn dat toepassing van de ouderdomsclausule zou leiden tot strijd met de openbare orde en/of goede zeden, gaat ook dat niet op. Het beroep op dwaling 6.54 Artikel 6:228 lid 2 BW bepaalt - voor zover hier relevant - dat de vernietiging van een overeenkomst niet kan worden gegrond op een dwaling die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven. [appellanten] zijn het er niet mee eens dat de rechtbank heeft geoordeeld dat voor gebreken waarvoor [geïntimeerde 1] een beroep op de ouderdomsclausule kan doen, een beroep op dwaling afstuit op artikel 6:228 lid 2 BW. 6.55 Het hof verwerp dat bezwaar van [appellanten] Zij waren er immers van op de hoogte dat de koopovereenkomst de ouderdomsclausule zou bevatten en wisten dus dat [geïntimeerde 1] als verkoper niet aansprakelijk zou zijn voor gebreken die met de ouderdom van de woning samenhangen. Door de koopovereenkomst te ondertekenen hebben [appellanten] dit aanvaard. [appellanten] hebben ook in dit verband aangevoerd dat een beroep op de ouderdomsclausule gelet op de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, althans dat een dergelijk beroep niet gerechtvaardigd is dan wel in strijd is met de openbare orde en/of goede zeden. Het hof verwerpt die argumenten van [appellanten] en verwijst daarvoor naar wat hiervoor bij 6.44 t/m 6.53 is overwogen. Dit betekent dat voor zover [geïntimeerde 1] een beroep op de ouderdomsclausule kan doen, [appellanten] gelet op artikel 6:228 lid 2 BW ook geen beroep op dwaling toekomt. 6.56 Het voorgaande geldt dus voor de hiervoor besproken constructieve gebreken (
  39. b)t/m (e). Voor het constructieve gebrek onder (a), de omhoog geplaatste hanenbalken en verwijderde trekbalken, heeft het hof hiervoor geoordeeld dat de ouderdomsclausule niet van toepassing is en dat [geïntimeerde 1] op grond van de bepalingen van de overeenkomst aansprakelijk is voor de herstelkosten. Het hof ziet geen aanleiding om in het kader van een beroep op (wederzijdse) dwaling een hoger bedrag toe te kennen dan de herstelkosten van dit gebrek. 6.57 De rechtbank heeft terecht overwogen dat een beroep op (wederzijdse) dwaling ook afstuit op artikel 6:228 lid 2 BW voor die (niet constructieve) gebreken die niet aan een normaal gebruik van de woning in de weg staan (waaronder de gebreken aan het erf). Partijen zijn immers in artikel 6.1 overeengekomen dat [geïntimeerde 1] voor die gebreken niet aansprakelijk zal zijn en [appellanten] hebben het risico op het mogelijk bestaan van die gebreken door het ondertekenen van de koopovereenkomst aanvaard. Dat staat aan een beroep op dwaling in de weg. [appellanten] hebben in hoger beroep hiertegen overigens ook niet - althans niet kenbaar - gegriefd. 6.58 Ten aanzien van de overige gebreken - de niet-constructieve gebreken die een normaal gebruik van de woning belemmeren en die niet vallen onder de ouderdomsclausule - was het aan [appellanten] om voldoende concreet aan te geven waarom zij een beroep op dwaling kunnen doen en dat deze gebreken tot schade hebben geleid die via een vermindering van de koopprijs moet worden vergoed. Dat hebben zij niet (kenbaar) gedaan. 6.59 [appellanten] hebben in de inleidende alinea bij grief XIV opgemerkt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellanten] ten aanzien van het loodwerk, het gescheurde metselwerk van de voorgevel (voor zover dat zichtbaar was), de kozijnen, het erf en het vocht in de bouwmuren geen onjuiste voorstelling van zaken hebben gehad en dus niet hebben gedwaald. De rechtbank heeft uitgelegd waarom [appellanten] bekend moesten worden geacht met deze gebreken. [appellanten] hebben in hoger beroep niet toegelicht waarom die overwegingen van de rechtbank volgens hen niet kloppen, zodat het hof daar niet verder op in hoeft te gaan. Wat [appellanten] onder grief XIV verder nog hebben opgemerkt kan ook niet tot een geslaagd beroep op dwaling leiden . 6.60 De conclusie is dat datgene wat [appellanten] in hoger beroep over dwaling naar voren hebben gebracht, niet tot een andere uitkomst kan leiden dan het oordeel waartoe het hof hiervoor al was gekomen met betrekking tot de constructieve gebreken, en voor het overige niet kan leiden tot een andere uitkomst dan het oordeel waartoe de rechtbank was gekomen. Onrechtmatig handelen door schending regelgeving 6.61 [appellanten] betogen (onder grief XV) dat [geïntimeerde 1] de verplichting tot instandhouding van een rijksmonument heeft geschonden en bij de door hem uitgevoerde verbouwing niet heeft voldaan aan een aantal voorschriften uit het Bouwbesluit 2003 en/of het Bouwbesluit 2012. Volgens [appellanten] wist [geïntimeerde 1] , althans hoorde hij te weten, dat de door hem uitgevoerde verbouwing c.q. de door hem verkochte woning niet voldeed aan de geldende voorschriften en dat de woning daardoor onveilig was en zelfs op instorten stond. Door een dergelijke woning aan [appellanten] te verkopen, heeft [geïntimeerde 1] onrechtmatig gehandeld, aldus [appellanten] 6.62 Uit wat het hof hiervoor heeft overwogen over de constructieve gebreken, volgt dat deze niet door [geïntimeerde 1] zijn veroorzaakt (tijdens een verbouwing of anderszins). Ook heeft het hof geoordeeld - voor zover die gebreken niet kenbaar waren voor [appellanten] - dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde 1] op de hoogte was, of had moeten zijn, van de constructieve gebreken. Dat betekent dat voor zover de woning wat betreft die gebreken niet aan (bouw)regelgeving voldeed, er geen sprake is van omstandigheden die maken dat [geïntimeerde 1] daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden op grond van onrechtmatig handelen of nalaten. Dat geldt dus ook voor de constructieve gebreken die [appellanten] specifiek bij deze grief hebben benoemd (de dakconstructie, balkkoppen, gordingen en de scheurvorming in het metselwerk van de voorgevel). 6.63 [appellanten] hebben aangevoerd dat [geïntimeerde 1] , blijkens de vergunningaanvraag 2004, van de Monumentenwacht kennelijk het advies had gekregen om de verroeste gordingsankers in de voorgevel te herstellen en loodslabben aan te brengen, dat hij dat niet heeft gedaan, dat hij daardoor niet heeft voldaan aan de instandhoudingsverplichting die voortvloeit uit de Erfgoedwet, gelezen in combinatie met de Monumentenwet 1988, en dat [geïntimeerde 1] daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellanten] 6.64 Het hof overweegt hierover dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW, omdat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals [appellanten] die stellen te hebben geleden als gevolg van het gestelde niet naleven van die regelgeving. De norm ziet namelijk op de bescherming van monumenten als zodanig en niet op bescherming van het individuele vermogensbelang van [appellanten] als kopers van het monument. Van bijzondere omstandigheden die kunnen maken dat [geïntimeerde 1] toch aansprakelijk is jegens [appellanten] vanwege het (gestelde) niet naleven van de Erfgoedwet is in dit geval geen sprake. Dat de woning enkel als gevolg van het niet verhelpen van de verroeste muurankers en het niet (correct) aanbrengen van de loodslabben constructief onveilig was, zoals [appellanten] mogelijk bedoelen te suggereren, is onvoldoende onderbouwd. Voor zover [geïntimeerde 1] al niet (volledig) zou hebben voldaan aan enige verplichting van de Erfgoedwet door de verroeste muurankers niet aan te pakken en de loodslabben niet op de vereiste wijze aan te brengen, resulteert dat daarom al niet in onrechtmatig handelen jegens [appellanten] 6.65 [appellanten] hebben ook nog aangevoerd dat [geïntimeerde 1] bij de vergunningaanvraag 2004 tekeningen had gevoegd die de bestaande toestand niet juist weergaven, dat hij hiermee ook regelgeving heeft overtreden - te weten de Gemeentelijke Verordening 2004, de Woningwet en het Bouwbesluit - en dat [geïntimeerde 1] ook daardoor onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellanten] Het hof oordeelt hierover dat voor zover de tekeningen de destijds bestaande toestand niet geheel juist weergaven, ook daarvoor geldt dat geen sprake is van onrechtmatig handelen jegens [appellanten] omdat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW. De norm dat bij een vergunningaanvraag tekeningen van de bestaande situatie moeten worden gevoegd die in alle opzichten correct zijn, dient niet ter bescherming van het vermogensbelang van een latere koper van het pand. Bijzondere omstandigheden die kunnen meebrengen dat in dit geval schending van die norm ten opzichte van [appellanten] toch onrechtmatig is, zijn gesteld noch gebleken. Kritiek van [appellanten] op door de rechtbank toegekende schadevergoeding 6.66 Met de grieven XII en XIII hebben [appellanten] kritiek geuit op de door de rechtbank toegekende schadevergoeding. Met grief XII betogen zij dat [geïntimeerde 1] wel aansprakelijk is voor aanvullende schade omdat hem een verwijt treft als bedoeld in artikel 6.3 van de koopovereenkomst, en zij stellen die aanvullende kosten op totaal € 76.583,68. Met grief XIII betogen zij dat [geïntimeerde 1] ook aansprakelijk is voor de herstelkosten van de gebreken, die [appellanten] stellen op totaal € 841.746,95. De totale schade komt daarmee op € 918.330,63 ( [appellanten] hebben later in de memorie na enquête en daarna nogmaals in de akte voor de mondelinge behandeling aangevoerd dat het totale schadebedrag nog hoger is). 6.67 Voor zover de opmerkingen van [appellanten] betrekking hebben op schade die te maken heeft met gebreken waarvoor [geïntimeerde 1] niet aansprakelijk is, faalt die kritiek al daarom. Dat geldt in de eerste plaats voor de hiervoor besproken constructieve gebreken (
  40. b)t/m (e). Voor het constructieve gebrek (
  41. a)heeft het hof hiervoor geoordeeld dat [geïntimeerde 1] alleen aansprakelijk is voor de herstelkosten, en niet voor aanvullende kosten, en het hof zal die herstelkosten hierna vaststellen. In de tweede plaats geldt dit voor de niet-constructieve gebreken, met uitzondering van (
  42. i)het pannendak en (
  43. ii)de dakgoten (inclusief de dakgootconstructie). Het hof merkt hierbij op dat hieronder bij de bespreking van het incidenteel hoger beroep geoordeeld zal worden dat [geïntimeerde 1] niet aansprakelijk is voor het herstel van de dakramen. 6.68 Wat resteert is (mogelijke) kritiek op de schadeberekening voor (
  44. i)het pannendak en (
  45. ii)de dakgoten (inclusief dakgootconstructie). Het moet dan gaan om kritiek die (voldoende kenbaar) valt te destilleren uit de toelichting van [appellanten] 6.69 De rechtbank heeft (ook) voor deze gebreken geoordeeld dat [geïntimeerde 1] geen verwijt valt te maken (als bedoeld in artikel 6.3 van de koopovereenkomst) en dat [geïntimeerde 1] daarom niet kan worden aangesproken voor aanvullende schade (rechtsoverweging 4.40 van het tussenvonnis van 11 maart 2020). [appellanten] hebben in hoger beroep niet uitgelegd waarom [geïntimeerde 1] voor deze specifieke gebreken - anders dan de rechtbank heeft overwogen - wel een verwijt kan worden gemaakt. Dat betekent dat het oordeel dat [geïntimeerde 1] in verband met deze gebreken geen aanvullende schade hoeft te vergoeden in stand blijft. 6.70 Wat betreft de herstelkosten voor deze gebreken overweegt het hof als volgt. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de herstelkosten voor het pannendak, de dakgoten (inclusief dakgootconstructie) en de dakramen. [appellanten] hebben vervolgens een beroep gedaan op een Excelbestand (productie 51 van [appellanten] ), waaruit een bedrag van € 26.191,36 (excl. btw) is af te leiden voor het herstel van deze gebreken en waarbij [ingenieur 1] zich zou hebben aangesloten. Van de zijde van [geïntimeerde 1] zijn kostenramingen van [restauratiearchitect] en [directeur] in het geding gebracht die deze kosten ramen op € 14.000,- respectievelijk € 13.950,- (beide excl. btw). De rechtbank heeft overwogen dat niet kan worden uitgegaan van het bedrag dat [appellanten] noemen omdat zij niet hebben aangetoond dat dit het bedrag is dat ook werkelijk door de aannemer in rekening is gebracht en door [appellanten] is betaald. De rechtbank heeft vervolgens het gemiddelde van de drie bedragen genomen en heeft het bedrag voor herstel van deze gebreken gesteld op € 18.047,12 (excl. btw). In datgene wat [appellanten] in hoger beroep onder grief XIII hebben aangevoerd, valt niets te onderkennen dat voldoende duidelijk en concreet maakt waarom het door [appellanten] aangevoerde bedrag wel gevolgd zou moeten worden. De enkele overlegging van de betaalbewijzen van alle gemaakte (herstel)kosten, waaruit niet valt af te leiden hoeveel voor het herstel van deze specifieke gebreken in rekening is gebracht, is daartoe onvoldoende. Vergoeding herstelkosten hanenbalken en trekbalken 6.71 De uitkomst van het principaal hoger beroep is dat het vonnis van de rechtbank op één relatief beperkt punt moet worden aangepast, omdat [geïntimeerde 1] de kosten voor het herstel van de verwijderde trekbalken en de omhoog geplaatste hanenbalken moet vergoeden. 6.72 Het hof constateert dat in de kostenbegroting van aannemer [bouwbedrijf] (productie 31 van [appellanten] ) onder nr. 35 is vermeld: terugbrengen trekbalken door aanbrengen staalschoen en koppelstrippen: € 5.039,80 (excl. btw); verplaatsen hanenbalken naar juiste hoogte: € 1.012,-. Volgens die kostenbegroting bedragen de herstelkosten dus € 6.105,80 (excl. btw). Dat bedrag van € 6.105,80 is ook terug te vinden op het Excelbestand dat [appellanten] als productie 51 in het geding hebben gebracht. Het hof kan niet vaststellen of dit bedrag dat in de begroting was opgenomen ook daadwerkelijk door de aannemer in rekening is gebracht voor het herstel van dit gebrek. Uit de door [appellanten] overgelegde betaalbewijzen en andere stukken kan dat niet worden opgemaakt. Mede gelet op het relatief geringe bedrag waar het hier nog maar om gaat (helemaal in het licht van de totale vordering van [appellanten] die inmiddels ca. € 1 miljoen bedraagt), ziet het hof aanleiding om de herstelkosten zelf te begroten en te bepalen op € 6.000,- (excl. btw). In het incidenteel hoger beroep 6.73 [geïntimeerde 1] heeft primair aangevoerd dat ook het door de rechtbank in conventie toegewezen bedrag van (in hoofdsom) € 18.047,12 (excl. btw) geheel had moeten worden afgewezen, omdat op grond van de ouderdomsclausule aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] voor àlle bouwkundige kwaliteitsgebreken is uitgesloten. Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat deze interpretatie van de ouderdomsclausule niet opgaat (zie 6.11), zodat dit standpunt van [geïntimeerde 1] faalt. 6.74 Het subsidiaire betoog van [geïntimeerde 1] dat dan in ieder geval een vergoeding voor de herstelkosten van de dakramen moet worden afgewezen slaagt wel. Voor zover sprake was van gebrekkige dakramen, is namelijk niet komen vast te staan dat dat gebrek aan een normaal gebruik van de woning in de weg stond. [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat in de tijd dat hij in de woning verbleef de dakramen niet lekten en goed open en dicht gingen. In het rapport van VEH wordt de conditie van de dakramen gewaardeerd met een 3 (“redelijke conditie”) en VDE heeft specifiek over de dakramen opgemerkt dat die matig sluiten en functioneren en slijtage vertonen. Dit alles wijst niet op een gebrek dat zodanig ernstig is dat het een normaal gebruik belemmert. Dat in het rapport van VDE de dakramen later samen worden genomen met andere onderdelen van het dak en wordt opgemerkt dat direct herstel noodzakelijk is (“diverse onderdelen van het dak, zoals dakramen, dakpannen, dakgoten en schoorstenen vertonen dusdanige slijtage dat direct herstel aan deze bouwdelen noodzakelijk is”), maakt nog niet dat voor het onderdeel van de dakramen daarmee - tegenover het voorgaande - voldoende is onderbouwd dat die zodanig gebrekkig waren dat een normaal gebruik belemmerd werd (als bedoeld in artikel 6.3 van de koopovereenkomst). Dat betekent dat sprake is van een gebrek waarvoor [geïntimeerde 1] op grond van artikel 6.1 van de koopovereenkomst niet aansprakelijk is. 6.75 [geïntimeerde 1] heeft beargumenteerd dat de herstelkosten van de dakramen moeten worden gesteld op € 2.138,- (excl. btw). [appellanten] hebben in hun memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep niet (voldoende gemotiveerd en concreet) weersproken dat de herstelkosten van de dakramen op dit bedrag moeten worden gesteld. Het hof zal dit bedrag daarom in mindering brengen op het bedrag dat [geïntimeerde 1] volgens de rechtbank aan [appellanten] dient te betalen. In het principaal en incidenteel hoger beroep: conclusie en proceskosten 6.76 Voor zover partijen bewijsaanbiedingen hebben gedaan, gaat het hof daaraan voorbij, omdat deze geen betrekking hebben op concrete, zich voor bewijs lenende feiten en omstandigheden dan wel op (voldoende onderbouwde) stellingen die, als zij worden bewezen, kunnen leiden tot een ander oordeel. 6.77 Voor zover door [appellanten] of [geïntimeerde 1] aangevoerde (procesrechtelijke of inhoudelijke) punten niet zijn besproken, is dat omdat deze niet tot een andere uitkomst van de zaak kunnen leiden . 6.78 De conclusie is dat het principaal hoger beroep van [appellanten] op één (relatief gering) onderdeel slaagt: [geïntimeerde 1] moet de herstelkosten voor de verwijderde trekbalken en de omhoog geplaatste hanenbalken van € 6.000,- (excl. btw) vergoeden. In het incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde 1] deels succes: het bedrag van € 2.138,-. (excl. btw) voor het herstel van de dakramen is ten onrechte toegewezen. Per saldo betekent dit dat de hoofdsom van € 18.047,12 die de rechtbank in conventie heeft toegewezen moet worden verhoogd met een bedrag van (€ 6.000,- minus € 2.138,- =) € 3.862,-. Daarom zal het hof het eindvonnis van de rechtbank in zoverre vernietigen dat de toegewezen hoofdsom wordt aangepast naar een bedrag van (€ 18.047,12 + € 3.862,- =) € 21.909,12. Voor het overige wordt dit vonnis bekrachtigd. 6.79 Het hof wijst af wat [appellanten] in hoger beroep meer of anders hebben gevorderd. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten komen niet voor toewijzing in aanmerking. Het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten is niet van toepassing op de schadevorderingen van [appellanten] en voor toewijzing van deze incassokosten op een andere grondslag is geen aanleiding omdat [appellanten] niet hebben onderbouwd dat zij meer hebben gedaan dan het sturen van een enkele aanmaning (waarvoor de vergoeding is inbegrepen in de proceskostenveroordeling). 6.80 Het hof zal [appellanten] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. Het hof begroot deze proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] op: griffierecht € 1.756,- salaris advocaat € 23.787,- (4,5 punten × tarief VII) nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 25.721,- 6.81 In het incidenteel hoger beroep zal het hof [geïntimeerde 1] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten. Het hof begroot deze proceskosten aan de zijde van [appellanten] op: salaris advocaat € 607,- (1/2 punt x tarief II) nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 785,- Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing. Ten aanzien van [geïntimeerden 2 & 3] 6.82 [appellanten] stellen [geïntimeerden 2 & 3] aansprakelijk voor dezelfde schade die zij ook van [geïntimeerde 1] claimen. Het draait dus om de aansprakelijkheid van [geïntimeerden 2 & 3] voor schade als gevolg van dezelfde gebreken die ook in de zaak tegen [geïntimeerde 1] aan de orde zijn. Wat het hof hiervoor heeft overwogen over deze (constructieve) gebreken, geldt - voor zover relevant - ook in de zaak tegen [geïntimeerden 2 & 3] . Misleidende handelspraktijk 6.83 Volgens [appellanten] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [geïntimeerden 2 & 3] zich niet schuldig heeft gemaakt aan misleidende handelspraktijken (grief XVI). Voor zover [appellanten] deze grief (voldoende) hebben toegelicht, zien de bezwaren die [appellanten] in hoger beroep hebben aangevoerd erop dat [geïntimeerden 2 & 3] als makelaar informatie heeft verstrekt over de woning die onjuist is, althans die de gemiddelde consument misleidt of kan misleiden. [geïntimeerden 2 & 3] heeft namelijk in de advertentie op Funda en op zijn website de onwaarheid verkondigd dat het zou gaan om een zeer goed onderhouden rijksmonument, waarbij hij ook heeft verwezen naar het rapport van VEH. De ‘goede onderhoudsstaat’ van een historisch pand is een dermate essentiële eigenschap van het verkochte object, dat een mededeling daarover, ook nog ondersteund door een deskundigenrapport, niet louter als een algemene aanprijzing opgevat mag worden. Doordat [geïntimeerden 2 & 3] zich tegenover [appellanten] heeft gepresenteerd als specialist in monumentale panden, heeft hij ook nog eens extra vertrouwen gewekt bij [appellanten] dat zijn mededeling over de onderhoudsstaat van de woning juist was, aldus [appellanten] 6.84 Vast staat dat [geïntimeerden 2 & 3] geen onjuiste mededelingen heeft gedaan over het al dan niet aanwezig zijn van de specifieke (verborgen) gebreken die in deze procedure aan de orde zijn. Hij heeft een algemene mededeling gedaan over de algehele onderhoudsstaat van de woning in bewoordingen die achteraf bezien, gelet op gebreken die na de verkoop aan het licht zijn gekomen, te rooskleurig bleken te zijn. Toch kan dit niet worden aangemerkt als een misleidende handelspraktijk van [geïntimeerden 2 & 3] gelet op het volgende. 6.85 Uit de verkoopfoto’s en het verkoopfilmpje van de woning blijkt dat de woning er goed onderhouden uitzag en [appellanten] hebben bevestigd dat het pand er inderdaad mooi uitzag. Dat [geïntimeerden 2 & 3] zou hebben geweten of had moeten weten dat er (verborgen) gebreken waren, is niet komen vast te staan (zie ook hierna onder 6.88). [appellanten] betogen dat zij als leken af mochten gaan op de algemene mededeling van [geïntimeerden 2 & 3] , de verkoopmakelaar voor [geïntimeerde 1] , over de staat van onderhoud van de woning, maar dat gaat eraan voorbij dat bij de regeling over misleidende handelspraktijken uit wordt gegaan van een ‘consument’ die redelijk geïnformeerd, omzichtig en oplettend is. In dat kader is van belang dat in dezelfde verkoopadvertentie waarin [geïntimeerden 2 & 3] rept over de goede onderhoudsstaat van de woning, ook is vermeld dat een ouderdomsclausule van toepassing is. Duidelijk is dat daarmee een voorbehoud wordt gemaakt in verband met de ouderdom van de woning. Vast staat dat [appellanten] zich van die ouderdomsclausule bewust waren voordat zij tot de koop overgingen. Zij waren er dus van op de hoogte dat [geïntimeerde 1] niet aansprakelijk zou zijn voor mogelijke (verborgen) gebreken die samenhingen met de ouderdom van de woning en zij hebben dat risico onder ogen gezien. Ook heeft [geïntimeerden 2 & 3] in de advertentie vermeld dat het rapport van VEH via een link kan worden ingezien. In dat rapport worden nagenoeg alle onderdelen van de woning weliswaar gewaardeerd met het cijfer 2 of 3 (goede respectievelijk redelijke conditie), maar het rapport vermeldt ook dat alleen een visuele inspectie heeft plaatsgevonden en adviseert om voor een aantal wezenlijke onderdelen (dak en gevels) specialistisch onderzoek uit te laten voeren, met daarbij de opmerking dat uit dat onderzoek hoge reparatiekosten kunnen komen. Ook is in dat rapport vermeld - samengevat - dat er voorzetwanden aanwezig zijn en dat eventuele daarachter liggende gebreken daardoor niet te zien zijn. Al deze informatie was door [geïntimeerden 2 & 3] beschikbaar gesteld, en het was de verantwoordelijkheid van [appellanten] - als kopers van een 400 jaar oude woning - om zich daarin te verdiepen en zelfstandig (desnoods met eigen deskundige bijstand) die informatie mee te wegen bij hun beslissing om wel of niet tot aankoop over te gaan. Voor zover [appellanten] dat niet hebben gedaan en zijn afgegaan op de algemene mededeling van verkoopmakelaar [geïntimeerden 2 & 3] over de onderhoudsstaat van de woning, moet dat voor hun rekening en risico blijven. 6.86 Voor zover [appellanten] stellen dat zij op andere wijze door (mededelingen van) [geïntimeerden 2 & 3] zouden zijn misleid (zoals de stelling dat [geïntimeerden 2 & 3] zou hebben geadviseerd af te zien van een eigen bouwkundig onderzoek), is dat - gelet de betwisting door [geïntimeerden 2 & 3] - niet komen vast te staan. De conclusie is dat het argument van [appellanten] dat zij zijn misleid door verkoopmakelaar [geïntimeerden 2 & 3] niet opgaat. Schending zorgplicht 6.87 Met grief XVII voeren [appellanten] aan dat [geïntimeerden 2 & 3] - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - niet heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend makelaar betaamt. Volgens [appellanten] had [geïntimeerden 2 & 3] , die als makelaar bouwkundige kennis had en bovendien jarenlange ervaring had met monumenten, bij zijn bezichtiging van de woning voorafgaand aan de verkoop moeten zien dat de hanenbalken omhoog waren geplaatst (van 168 naar 203 cm boven de vloer) en de trekbalken op vloerniveau waren verwijderd, en dat de dakconstructie daarmee op ongeoorloofde wijze was aangepast. Het hof begrijpt dat [appellanten] betogen dat die constatering [geïntimeerden 2 & 3] er vervolgens toe had moeten bewegen om verder navraag en onderzoek te doen en bouwver

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.