← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2025:2001

GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.352.816/01 Rekestnummer rechtbank : C/09/679966 / FT RK 25/116 Beschikking van 20 mei 2025 in de zaak van [verzoekster] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] en kantoorhoudend in [plaats] , verzoekster, advocaat: mr. C.N.M. Kras, kantoorhoudend in Zwaagdijk-Oost, tegen [verweerster] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] en kantoorhoudend in [plaats] , verweerster, advocaat: mr. O.J.W. Reijnders, kantoorhoudend in Eindhoven. Het hof noemt partijen hierna [verzoekster] en [verweerster] . 1Het procesverloop 1.

  1. Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 18 maart 2025 is het verzoek van [verzoekster] om [verweerster] in staat van faillissement te verklaren, afgewezen. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 maart 2025, is [verzoekster] van deze beschikking in hoger beroep gekomen en heeft zij het hof verzocht deze beschikking te vernietigen en alsnog het faillissement van [verweerster] uit te spreken. 1.
  2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 mei 2025, waarbij zijn verschenen: namens [verzoekster] : - [bestuurder verzoekster] , bestuurder, - mr. Kras, voornoemd, - [aandeelhouder] , aandeelhouder, namens [verweerster] : - [bestuurder verweerster] , bestuurder. [bestuurder verweerster] heeft op de zitting een brief (met bijlage) van mr. Reijnders van 12 mei 2025 overhandigd aan het hof en aan de advocaat van [verzoekster] . 2De beoordeling van het hoger beroep procedureel 2.
  3. [verweerster] heeft geen verweerschrift ingediend. Met betrekking tot de brief (met bijlage) die door hem op de zitting in hoger beroep is overhandigd heeft de heer [bestuurder verweerster] gezegd dat daarin staat waarom mr. Reinders niet aanwezig is. Dat was om kosten te besparen vertelde hij vervolgens. Omdat de vordering van [verzoekster] bij de rechtbank al gemotiveerd was betwist, leek hun dat verantwoord. Gelet op die mededeling is bij de beoordeling geen acht geslagen op de inhoud van bedoelde brief (met bijlage), waarmee is tegemoetgekomen aan het bezwaar van de advocaat van [verzoekster] dat hij de brief niet heeft kunnen bestuderen. inhoudelijk 2.
  4. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat het vorderingsrecht van [verzoekster] niet (summierlijk) kan worden vastgesteld, gelet op de gemotiveerde en gedocumenteerde betwisting daarvan door [verweerster] . Daarom wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de pluraliteit van schuldeisers en de toestand van te hebben opgehouden te betalen, aldus de rechtbank. 2.
  5. [verzoekster] is het hier niet mee eens. Volgens haar heeft [verweerster] de koopovereenkomst – waarvan zij nakoming verzoekt – erkend en volgt de openstaande betalingsverplichting van [verweerster] voldoende uit de door haar overgelegde stukken. [verweerster] is opgehouden te betalen en laat meerdere schuldeisers onbetaald, aldus [verzoekster] . 2.
  6. [verweerster] betwist dat [verzoekster] een vordering op haar heeft en dat zij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Zij heeft haar eerdere betwisting gehandhaafd. 2.
  7. Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van het bepaalde in artikel 1 en artikel 6 lid 3 Fw is voor een faillietverklaring vereist dat summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden met betalen. Om deze toestand te kunnen aannemen, moet zijn voldaan aan twee voorwaarden:

(1)er moet sprake zijn van meerdere schuldeisers (pluraliteit) en
(2)de schuldenaar betaalt niet meer. Wanneer, zoals in dit geval, het verzoek tot faillietverklaring door een (beweerdelijke) schuldeiser wordt gedaan, is ook vereist dat summierlijk van diens vorderingsrecht blijkt. Summierlijk blijken betekent dat het bestaan van de vordering na een kort, eenvoudig onderzoek duidelijk is. 2.
  1. Het hof is van oordeel dat niet summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van [verzoekster] . Dit wordt als volgt toegelicht. 2.
  2. [verzoekster] en [verweerster] hebben op 1 november 2020 een verklaring getekend waarin de intentie wordt uitgesproken om te komen tot een doorstart van ‘ [website] ’. Dat was de handelsnaam waaronder [verzoekster] via (onder andere) haar dochtervennootschap [vennootschap 1] B.V. een kopieerwinkel exploiteerde. Voor die doorstart zou een nieuwe vennootschap worden opgericht, waarin [verzoekster] (volgens de intentieverklaring) als kapitaal zou inbrengen: inventaris, licenties en klanten, met een totale inbrengwaarde van € 40.
  3. Bij de door [verzoekster] in te brengen inventaris (activa) ging het om printers, bedrijfsinrichting en productiematerialen, aldus [verzoekster] , die stelt dat partijen er uiteindelijk voor hebben gekozen om geen samenwerking in de vorm van een joint venture aan te gaan, maar in plaats daarvan zijn overeengekomen ‘dat [verweerster] de voor de voortzetting benodigde apparatuur kocht en geleverd kreeg van [verzoekster] tegen de in de intentieovereenkomst vermelde koopsom van € 40.000,- […].’ De intentieverklaring noemt dat bedrag echter als inbrengwaarde van inventaris én lincenties en klanten. Een toelichting hoe dit zich tot elkaar verhoudt ontbreekt. 2.
  4. Onduidelijk is eveneens wanneer de koopovereenkomst zou zijn gesloten. Er is geen schriftelijke koopovereenkomst getoond. [verzoekster] noemt 6 december 2021 als datum waarop de activa zouden zijn geleverd, maar zij wijst tegelijk op een op 12 december 2020 (dus een jaar eerder) verrichte ‘eerste betaling van de koopsom […] voor geleverde apparatuur.’ Dat bedrag is in de intentieverklaring evenwel genoemd in het kader van de aandelenovername. Een erkenning van de door [verzoekster] gestelde koopovereenkomst kan hieruit niet worden afgeleid. 2.
  5. Anders dan [verzoekster] stelt is die erkenning ook niet gelegen in het e-mailbericht van 10 december 2020 van [verweerster] . Daarin wordt gesproken over een eerste storting, waarmee de in de intentieverklaring bedoelde eerste betaling lijkt te zijn bedoeld. Het e-mailbericht spreekt niet over een koopovereenkomst, wel over een aandelenconstructie. 2.
  6. Het door [verzoekster] in punt 10 van haar beroepschrift gegeven overzicht van betalingen noemt als laatste betaling een op 30 november 2020 betaald bedrag van € 5.
  7. Met daarbij in de omschrijving de vermelding: ‘Eindbetaling’. Van wie deze omschrijving is, is niet toegelicht. Niet blijkt van aanmaningen en sommaties van nadien om meer te betalen. Wel is er het bij het inleidende verzoekschrift gevoegde e-mailbericht van 5 februari 2025 van de advocaat van [verzoekster] aan de heer [betrokkene] waarin hij schrijft dat [verzoekster] hem heeft meegedeeld ‘dat … [verweerster] […] inzake bijgevoegde overeenkomst een aan haar verschuldigd bedrag van € 19.000,- onbetaald heeft gelaten, ondanks herhaald verzoek daartoe […]’. Wat de ‘bijgevoegde overeenkomst’ is, die in deze cryptische zin wordt bedoeld, is onduidelijk. De reactie van de heer [betrokkene] bij e-mailbericht van 7 februari 2025 roept eveneens vragen op. Hij schrijft – in dat overigens niet namens [verweerster] geschreven/getekende bericht – dat hij ‘de rekeningen’ heeft bekeken en dat hij het bedrag van € 19.965, niet kan voldoen, maar wel een bedrag van € 3.000 in het kader van een betalingsregeling. Onduidelijk is op welke rekeningen de heer [betrokkene] doelt. Die onduidelijkheid is er eens te meer, nu [verzoekster] (eerst) op 21 maart 2025 een factuur aan [verweerster] heeft gestuurd, onder mededeling in haar beroepschrift (punt 15): ‘Omdat verweerster zich beklaagde over het feit dat er geen factuur was, heeft appellante deze op 21 maart 2025 aan verweerster gestuurd’. 2.
  8. [verweerster] heeft er in dit verband op gewezen dat [vennootschap 2] B.V. (de vennootschap van de heer [betrokkene] ) in januari 2025 – dus voordat [betrokkene] het e-mailbericht stuurde – is veroordeeld om mee te werken aan de verkoop en levering van de aandelen in [verweerster] aan de heer [bestuurder verweerster] . Volgens de heer [bestuurder verweerster] is hij niet in kennis gesteld van de e-mailcorrespondentie tussen de advocaat van [verzoekster] en [betrokkene] en de daarop volgende betaling van € 3.
  9. [verweerster] heeft ook overigens aandacht gevraagd voor een al langer lopend conflict, waarbij zij de voorgeschiedenis van de mislukte samenwerking en de problemen rond de aandelenoverdracht heeft toegelicht.Naar haar mening is sprake van een samenspanning van de heer [betrokkene] en (de aandeelhouder van) [verzoekster] (de heer [aandeelhouder] ). De faillissementsaanvraag is volgens haar niets meer dan het sluitstuk van deze samenspanning. 2.
  10. [verzoekster] beroept zich ten slotte in haar beroepschrift ook op alinea 16 van het verweerschrift van [verweerster] uit de eerste aanleg voor zover inhoudend: ‘De beoogde doorstart heeft nooit plaatsgevonden en ongedaanmaking van de al wel geleverde prestaties vertaalt zich in het terugbetalen door [verzoekster] van de van [verweerster] ontvangen bedragen en het ophalen door [verzoekster] van de door haar in [plaats] gestalde apparatuur.’ [verzoekster] ziet hierin een erkenning van de door haar gestelde koopovereenkomst. Ook daarin heeft zij ongelijk: het citaat gaat niet over een koopovereenkomst, maar over de in de intentieverklaring bedoelde doorstart en over de gevolgen van het niet doorgaan ervan voor de uitvoeringshandelingen die reeds waren verricht. 2.
  11. Het geheel overziende moet de conclusie zijn dat niet kan worden uitgegaan van het bestaan van de door [verzoekster] gestelde koopovereenkomst en daarom evenmin van haar daarop gestoelde vorderingsrecht. Zoals hiervoor aan de orde kwam moet in het kader van een faillissementsaanvraag de vordering na een kort, eenvoudig onderzoek kunnen blijken. Dat is hier niet mogelijk. Er is niet summierlijk gebleken dat [verzoekster] een vordering heeft op [verweerster] . 2.
  12. Bij deze uitkomst is een beoordeling van de aangedragen steunvorderingen niet meer nodig en behoeft de door [verweerster] gemotiveerd betwiste stelling dat zij verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden met betalen ook overigens geen nader onderzoek. 2.
  13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. 3De beslissing Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 18 maart
  14. Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J. van Harten, J.M. van der Klooster en A.J. Swelheim, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2025 in aanwezigheid van de griffier. Bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer Inl. verzoekschrift punt 2.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.