Rolnummer: 22-003797-21 Parketnummer: 10-143817-21 Datum uitspraak: 9 september 2025 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 16 december 2021 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Beoordeling van het verzoek om terugwijzing van de zaak De raadsman heeft – kort en zakelijk weergegeven - verzocht de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) terug te wijzen naar de rechtbank Rotterdam, nu de politierechter niet aan de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak had mogen toekomen. Hiertoe is door de raadsman aangevoerd dat hij zich op 20 april 2021 bij het openbaar ministerie heeft gesteld, waarbij hij heeft verzocht op de hoogte te worden gehouden van het verdere verloop van de zaak, waaronder de eventuele vervolgingsbeslissing. Het openbaar ministerie heeft echter nagelaten te voldoen aan het verzoek van de verdediging op grond van de artikelen 30 en 31 Sv, waardoor het voor de raadsman niet mogelijk was zich ook bij de griffie van de rechtbank te stellen. Derhalve is hij niet op de hoogte gesteld van de voortgang en behandeling in eerste aanleg van de onderhavige zaak. De verdachte was eveneens niet op de hoogte gesteld van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg. Gelet op deze omstandigheden was de raadsman niet in staat ter terechtzitting bij de politierechter de verdediging namens zijn cliënt te voeren. Naar de mening van de raadsman heeft deze handelwijze van het openbaar ministerie de verdedigingsbelangen van de verdachte geschaad en een inbreuk gemaakt op diens recht op berechting in twee feitelijke instanties. Het hof overweegt het volgende. De raadsman heeft zich ten tijde van de aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte bij het openbaar ministerie gesteld door middel van een aan de officier van justitie gezonden stelbrief van 20 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.