← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2025:2099

GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.336.492/01 Arrest van 1 juli 2025 in de zaak van 1Anton Dürbeck GmbH, gevestigd in Bad Homburg, Duitsland,

  1. Elkemar for Export and Import of Foodstuff,gevestigd in Tripoli, Libië,
  2. Premium Banana Shipping S.A.,gevestigd in Guayaquil, Ecuador,
  3. Gaede & Glauerdt Assecuradeur GmbH & Co. KG, gevestigd in Hamburg, Duitsland, eiseressen, advocaat: mr. J.J.O. Zandt, kantoorhoudend in Rotterdam, tegen Shipstar Limited, gevestigd in Monrovia, Liberia, gedaagde, advocaat: mr. A. Jumelet, kantoorhoudend in Rotterdam. Het hof noemt eiseressen hierna afzonderlijk Anton Dürbeck, Elkemar, Premium Banana respectievelijk Gaede & Glauerdt, en gezamenlijk Anton Dürbeck c.s., en gedaagde Shipstar. 1De zaak in het kort 1.1 Tussen partijen heeft een arbitrage plaatsgevonden. Daarin hebben Anton Dürbeck c.s. als ladingbelanghebbenden schadevergoeding gevorderd van Shipstar als vervoerder van een lading bananen. Zij stelden dat Shipstar tijdens het vervoer van de bananen van Ecuador naar Libië in strijd met de temperatuurinstructies had behandeld als gevolg waarvan de bananen vroegtijdig rijp waren geworden. Ter onderbouwing van hun schade beriepen zij zich op rapporten van verschillende experts die hadden vastgesteld dat de bananen in een bepaald aantal – ongeveer 20% van de hele partij – na aankomst vroegrijp waren. Zij stelden dat hun schade bestond uit de minderopbrengst van de (gehele) partij bananen. Het scheidsgerecht oordeelde dat alleen Anton Dürbeck vorderingsgerechtigd was. Het achtte Shipstar aansprakelijk en begrootte de schade aan de hand van het aantal dozen waarvan het bewezen achtte dat deze door verkeerd temperatuurmanagement vroegrijp waren geworden. Omdat het scheidsgerecht een aanmerkelijk lager bedrag dan gevorderd toewees, paste het bij begroting van de gevorderde arbitrage- en overige kosten van een matigingsfactor toe. 1.2 In deze zaak vorderen Anton Dürbeck c.s. vernietiging van het arbitrale eindvonnis en enkele arbitrale tussenvonnissen. Zij voeren aan dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden. Volgens hen is het scheidsgerecht ten onrechte ervan uitgegaan dat Anton Dürbeck c.s. de vordering tot schadevergoeding hadden beperkt tot het aantal dozen bananen waarvan de experts hadden vastgesteld dat deze vroegrijp waren, terwijl aan die vordering ten grondslag lag dat alle bananen vroegrijp waren. Volgens hen heeft het scheidsgerecht aldus een oordeel gegeven over iets anders dan was gevorderd, althans nagelaten te beslissen op een essentiële stelling, en daardoor ook ten onrechte een matigingsfactor toegepast bij de vaststelling van de door Shipstar te vergoeden (arbitrage)kosten. Het hof wijst de vordering van Anton Dürbeck af. De overige eiseressen worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering. 2Procesverloop 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 28 september 2023; de inventarislijst producties bij dagvaarding, met producties; de conclusie van antwoord van Shipstar; de conclusie van repliek van Anton Dürbeck c.s.; de conclusie van dupliek van Shipstar; de schriftelijke toelichting van Anton Dürbeck c.s.; de schriftelijke toelichting van Shipstar. 3Vaststaande feiten 3.1 Op 5 januari 2012 is een bevrachtingsovereenkomst gesloten tussen Premium Banana als bevrachter en Seatrade als vervrachter. Seatrade heeft voor de verscheping in mei/juni 2012 naar Tripoli het reeferschip ‘Wind Frost’, eigendom van Shipstar, genomineerd. 3.2 Blijkens twee kapiteinscognossementen, gedagtekend Guayaquil 25 mei 2012 respectievelijk Puorto Bolivar 31 mei 2012, zijn aan boord van het ms. ‘Wind Frost’ door Shipstar als vervoerder ten vervoer in ontvangst genomen: - in Guayaquil (Ecuador) 34.313 dozen bananen met bestemming Tripoli, consignee Elkemar; - in Puerto Bolivar (Ecuador) 204.623 dozen bananen met bestemming Tripoli, consignee Elkemar. Aan de kapitein zijn schriftelijk temperatuurinstructies gegeven die op 23 mei 2012 door hem voor ontvangst zijn ondertekend. 3.3 De cognossementen bevatten op de voorzijde de clausule: ‘All terms, conditions, clauses and exceptions, including arbitration clause (...) contained in the Charter Party dated Antwerp 05.01.2012 and all addendum thereto are hereby expressly included in this Bill of Lading and are deemed to be incorporated herein (...)’. Artikel 44 van de Rider behorend bij deze Charter Party, gesloten tussen Seatrade en Premium Banana, bepaalt: ‘The Contract shall be governed by and construed in accordance with Dutch law and any dispute arising out of or in connection with the Contract shall be referred to Arbitration in Rotterdam in accordance with the TAMARA Arbitration Rules (...)’. 3.4 De ‘Wind Frost’ vertrok op 31 mei 2012 om 11.20 uur uit Puerto Bolivar en arriveerde op 20 juni 2012 voor de kust van Tripoli, waar het schip op 24 juni om 08.00 uur afmeerde. De lossing ving aan op 25 juni om 11.10 uur en werd voltooid op 2 juli 2012 om 19.55 uur. 3.5 Tijdens de lossing op 26 juni 2012 troffen de ontvangers rijpe bananen aan. Anton Dürbeck heeft Seatrade direct hiervoor aansprakelijk gesteld, waarna Seatrade de kapitein heeft geïnformeerd. 3.6 Volgens de bevindingen van de experts van [naam 3] namens ladingverzekeraars, Cpt. [naam 1] namens ontvangers en [naam 2] namens de P&I club aan boord van de ‘Wind Frost’ respectievelijk de diverse opslaglocaties in de periode van 29 juni tot 4 juli 2012 bedroeg het aantal dozen met gele en/of zachte en/of bedorven bananen 49.
  4. 3.7 In een rapport van Dekra Experts B.V. (hierna: Dekra) is het volgende vastgesteld: - de belading van de 34.313 dozen in Guayaquil vond geheel plaats in de D-decks van alle vier de ruimen, met dien verstande dat in deck 3-D tevens 12.395 dozen in Puerto Bolivar werden bijgeladen; de overige lading uit Puerto Bolivar werd verdeeld over de andere dekken van alle vier de ruimen; - naar schatting van de expert van [naam 3] was van ruim 1 ca. 80% (29.495 dozen) beschadigd en van de ruimen 2, 3 en 4 gezamenlijk ca. 10% (20.293). 3.8 Anton Dürbeck c.s. hebben gezamenlijk, als ladingbelanghebbenden, bij brieven van 26 april 2016 een arbitrage aanhangig gemaakt tegen (aanvankelijk: onder meer) Shipstar bij de Stichting Transport And Maritime Arbitration Rotterdam-Amsterdam (TAMARA). Anton Dürbeck c.s. en Shipstar hebben elk een arbiter benoemd en deze twee arbiters hebben gezamenlijk de derde arbiter benoemd. De arbiters – hierna gezamenlijk ook: het scheidsgerecht – hebben hun benoeming aanvaard. De plaats van arbitrage was Rotterdam. 3.9 In de arbitrage vorderden Anton Dürbeck c.s., voor zover hier van belang, Shipstar hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 999.999,99, met wettelijke rente, en tot vergoeding van de kosten van de arbitrage, met wettelijke rente. Zij hebben daartoe gesteld dat de bananen zich bij inlading in vervoersgeschikte staat bevonden en dat de schade aan de bananen is ontstaan tijdens het vervoer als gevolg van een verkeerde behandeling, dat wil zeggen in strijd met de temperatuurinstructies. Volgens Anton Dürbeck c.s. bedroeg hun directe schade door vroegtijdige rijping US$ 1.219.745,42 en bedroegen hun kosten € 52.671,
  5. Om proceseconomische redenen hebben zij hun vordering beperkt tot € 999.999,
  6. 3.10 Bij arbitraal tussenvonnis van 20 mei 2019 (hierna: arbitraal tussenvonnis I) heeft het scheidsgerecht geoordeeld dat niet is aangetoond dat Gaede & Glauerdt is getreden in de oorspronkelijk aan de cognossementshouder Elkemar toekomende rechten jegens Shipstar en dat daarom (alleen) Anton Dürbeck als rechtsopvolger van Elkemar vorderingsgerechtigd is (rov. 7.3.4). Het scheidsgerecht heeft Anton Dürbeck c.s. toegelaten te bewijzen dat de bananen ten tijde van de inlading in de ‘Wind Frost’ zich in goede vervoersgeschikte staat bevonden (rov. 8 jo. 7.4.9). 3.11 Bij arbitraal tussenvonnis van 26 augustus 2021 (hierna: arbitraal tussenvonnis II) heeft het scheidgerecht het door Anton Dürbeck c.s. geleverde bewijs gewaardeerd. Het heeft geconcludeerd dat met redelijke mate van zekerheid is bewezen dat de bananen ten tijde van de inlading in Guayaquil en Puerto Bolivar zich in goede vervoersgeschikte staat bevonden en dat daarmee Anton Dürbeck c.s. aan de bewijsopdracht hebben voldaan (rov. 2.2.15). Het scheidsgerecht heeft vervolgens Shipstar toegelaten te bewijzen dat de schade is toe te schrijven aan inherent vice (rov. 3 jo. 2.3.2). Het heeft verder Shipstar toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat de lading niet aan te hoge temperaturen voorafgaand aan de inlading is blootgesteld geweest, in die zin dat Shipstar mocht bewijzen dat de lading, c.q. welk deel van de lading, aan te hoge temperaturen voorafgaand aan de inlading is blootgesteld doordat deze lading langer dan de toelaatbare 36 uur op de kade heeft gestaan (rov. 3 jo. 2.3.4).Over de schadeomvang heeft het scheidsgerecht in arbitraal tussenvonnis II het volgende overwogen: ‘2.4.2 In de memorie van eis sub 14 wordt gesteld dat het aantal dozen met rijpingsschade in aanwezigheid van alle experts, inclusief de P&I-expert is vastgesteld op 49.
  7. Dit geschiedde blijkens het DEKRA-rapport […] tijdens een gezamenlijke inspectie in alle vijf cool stores op 3 juli
  8. Bij de berekening van de schade gaan ladingbelanghebbenden evenwel niet uit van de beschadigde ban[an]en in de 49.788 cartons, maar van de minderopbrengst van USD 1.219.745,42 voor alle 238.841 dozen, dus de gehele lading […]. Bij memorie van dupliek sub 31 erkent Shipstar dat het aantal beschadigde dozen 49.788 bedraagt. Overigens betwist zij de bedragen waarvoor de gezonde en minder gezonde lading werd verkocht en stelt zij dat Dekra ten onrechte een depreciatie heeft toegepast op de gehele lading in plaats van op de “affected” dozen. Daarbij lijkt het er volgens Shipstar op dat er geen rekening mee is gehouden dat de bananen niet gekoeld zijn afgenomen en zijn opgeslagen zonder separatie in “stores” waarvan de koeling sporadisch werkte […]. 2.4.
  9. Ladingbelanghebbenden hebben niet toegelicht waarom de schade zou bestaan uit de minderwaarde van de gehele lading, terwijl zij zelf hebben gesteld dat de beschadigde lading bestaat uit 49.788 dozen. Voor zover er na 3 juli 2012 zou zijn gebleken dat bananen uit meer dozen beschadigd waren, is deze schade op geen enkele wijze onderbouwd, daargelaten de vraag of deze meerdere schade bij lossing reeds aanwezig was of is toe te schrijven aan de conditie van de ban[an]en op het moment van lossing. Deze vraag klemt te meer, nu - naar lading belanghebbenden zelf stellen sub 38 van de memorie na enquête - bij slecht temperatuurmanagement ziektes (die op de foto’[s] zichtbaar zijn) tot expressie kunnen komen, “zeker natuurlijk twee weken na lossing in slecht gekoelde opslagloodsen”. Nu tussen partijen vaststaat dat het beschadigde aantal dozen 49.788 bedraagt, nemen arbiters als uitgangspunt dat de schade op basis daarvan dient te worden berekend. Omdat echter het debat over de schadeomvang tot heden slechts summierlijk is gevoerd, zullen partijen, afhankelijk van de uitkomst van de bewijslevering door Shipstar, daartoe bij akte alsnog in de gelegenheid worden gesteld, waarbij partijen geacht worden zich met name uit te laten over de berekening van de gezonde waarde ter destinatie. Ook over een eventuele schadevermeerdering die in de periode na de lossing tot de vaststelling van de schade op 3 juli 2021 zou kunnen zijn opgetreden, waarop Shipstar in de memorie na enquête sub 61-63 wijst, dienen partijen zich nader uit te laten.’ 3.12 Bij arbitraal tussenvonnis van 26 september 2022 (hierna: arbitraal tussenvonnis III) heeft het scheidsgerecht geoordeeld: ‘3.1 Hetgeen hierboven is overwogen leidt tot het oordeel dat Shipstar het vermoeden dat de lading niet aan te hoge temperaturen voorafgaand aan de inlading is blootgesteld geweest, heeft ontzenuwd voor zover het betreft 2.691 dozen bananen die in Guayaquil in ruim 1D zijn ingeladen. In zoverre is zij geslaagd in het te leveren tegenbewijs en zal de vordering die betrekking heeft op deze 2.691 dozen bananen, worden afgewezen. Voor het overige is Shipstar niet geslaagd in het te leveren (tegen)bewijs. Dit betekent dat de vordering met inachtneming van het hierna in rov. 3.2-3.3 is overwogen en onder reservering van het oordeel over de toe te wijzen kosten, in beginsel voor toewijzing gereedligt. 3.2 Ten processe staat vast dat het totaal aantal dozen met rijpingsschade 49.788 bedraagt. Uit het voorgaande vloeit voort dat hetgeen ladingbelanghebbenden van Shipstar te vorderen hebben betrekking heeft op 47.097 dozen bananen. Arbiters verwijzen daarbij naar hetgeen zij in het vonnis van 26 augustus 2021 onder het kopje “Schadeomvang” in rov. 2.4.1-2.4.3 hebben overwogen. 3.3 Overeenkomstig hetgeen in rov. 2.4.3 van het voornoemd vonnis is overwogen, zullen partijen bij akte alsnog in de gelegenheid worden gesteld het debat over de schadeomvang te voeren, met inachtneming van het uitgangspunt dat de schade op basis van een beschadigd aantal dozen van 47.097 dient te worden berekend.’ 3.13 Bij arbitraal eindvonnis van 28 juni 2023 (hierna: het arbitraal eindvonnis) heeft het scheidgerecht op een verzoek van Anton Dürbeck c.s. tot heroverweging van een eindbeslissing als volgt beslist:‘2.1.1 In het tussenvonnis van 26 augustus 2021 hebben arbiters, na vastgesteld te hebben dat tussen partijen vaststaat dat het beschadigde aantal dozen 49.788 bedraagt, tot uitgangspunt genomen dat de schade op basis daarvan dient te worden berekend (rov. 2.4.3). Na bewijslevering van Shipstar met betrekking tot het aantal dozen waarvan de “cut to cool” periode langer dan 36 uur is geweest, hebben arbiters in het tussenvonnis van 26 september 2022 beslist dat hetgeen ladingbelanghebbenden van Shipstar te vorderen hebben, betrekking heeft op 47.097 dozen bananen en dat de schade op basis van dit aantal dozen dient te worden berekend. 2.1.2 Ladingbelanghebbenden betwisten in de hun akte van 31 januari 2023 de juistheid van dit uitgangspunt. Zij stellen zich op het standpunt dat de schade berekend moet worden op basis van de minderwaarde van de gehele lading en verzoeken daarom, voor zover het geformuleerde uitgangspunt als bindende eindbeslissing heeft te gelden, op dit uitgangspunt terug te komen. Arbiters overwegen daaromtrent als volgt. De klacht van ladingbelanghebbenden komt erop neer dat arbiters zijn uitgegaan van een onjuiste lezing van de gedingstukken. Arbiters hadden, zo begrijpen zij de klacht, in de gedingstukken van ladingbelanghebbenden voorafgaande aan de onderhavige akte, moeten lezen de stelling dat het aantal dozen waarvan de inhoud beschadigd was, niet beperkt was tot 49.788, maar dat ook de overige 189.140 dozen bij lossing rijpingsschade hadden in die zin dat de GSL (green storage life) door verkeerd temperatuurmanagement bekort was en - mede - daardoor een minder opbrengst bij verkoop hadden. Ladingbelanghebbenden miskennen daarbij dat zij in de memorie van eis (13- 15) onder meer hebben gesteld

(1)dat tijdens de lossing werd geconstateerd dat veel bananen reeds rijpingsverschijnselen vertoonden,
(2)dat uit de rapporten van Dekra, [naam 3] en Capt. [naam 1] blijkt dat het aantal dozen met rijpingsschade in aanwezigheid van alle experts, inclusief de P&I-expert, is vastgesteld op 49.788, en
(3)dat als gevolg daarvan Elkemar schade heeft geleden. Daarin past dat voor beide partijen in het debat over de schade- omvang bij antwoord, repliek en dupliek de focus lag op de vraag naar het precieze aantal beschadigde dozen en het debat niet ging over de vraag of en in welke mate de gehele lading als gevolg van een verkorte GSL was beschadigd. Het bewijsaanbod betrof telkens het bewijs van de schadeomvang en (bij pleidooi op 22 maart 2019) het kwantum, waarmee ladingbelanghebbenden het oog hadden op het gestelde - en door Shipstar op dat moment nog betwiste - aantal van 49.788 dozen, en maakte niet duidelijk dat het aangeboden bewijs mede omvatte het bewijs van schade aan de overige 189.140 dozen. In alle expertiserapporten wordt melding gemaakt van schade aan 49.788 dozen. In de memorie van repliek (sub 22) stellen ladingbelanghebbenden wel dat het Dekra-rapport in detail beschrijft hoe de schade op basis van de gezonde marktwaarde en de gerealiseerde verkoopopbrengst is berekend, maar het enkele gegeven dat Dekra, zonder nadere toelichting, een minder opbrengst voor de totale lading vermeldt zonder onderscheid tussen de 49.788 dozen en de overige dozen, maakt evenmin inzichtelijk dat deze 189.140 dozen een minderwaarde hadden ten gevolge van een verkorte GSL. Daarbij komt dat de namens Dekra aangestelde [naam 3] in zijn rapport […] met betrekking tot deze 189.140 dozen vermeldt “Rest remained as Sound Cargo”. In de akte van 31 januari 2023 stellen ladingbelanghebbenden dat de lading niet gedoseerd op de markt kon worden gebracht en daardoor de markt in korte tijd met een zeer grote hoeveelheid bananen werd overspoeld (voor zover de bananen niet al direct moesten worden vernietigd) en dat bovendien iedereen in de markt wist van de problemen rondom de “Wind Frost” en van het feit dat alle bananen afkomstig van dat schip een kortere levensduur hadden dan normaal. Deze stellingen van ladingbelanghebbenden laten zich moeilijk rijmen met de eerdere stellingname zoals die hierboven kort is weergegeven. Zij kunnen ook niet als een wijziging van de (feitelijke) gronden van de eis worden aangemerkt, nu dit in de akte niet met zoveel woorden is vermeld en daarom aan de aan een eiswijziging te stellen eisen niet is voldaan. Bovendien zou een eiswijziging in dit stadium van de procedure naar het oordeel van arbiters in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde, omdat deze een heropening van het debat over de omvang van de schade en de schadeoorzaak alsmede eventuele nadere bewijslevering noodzakelijk zou maken, waardoor het geding onredelijk zou worden vertraagd (art. 1038d Rv). (In dit verband merken arbiters op dat de stelling dat de overige lading een verkorte GSL heeft gehad, gebaseerd is op de - door Shipstar betwiste - aanname dat de gehele lading was blootgesteld aan een verkeerd temperatuurmanagement). 2.1.4 Gelet op het vorenstaande oordelen arbiters dat een redelijke uitleg van de gedingstukken meebrengt dat de door ladingbelanghebbenden gestelde schade aan de bananen alleen betrekking had op de bananen waarvan bij/na de lossing door alle experts werd geconstateerd dat zij rijpingsverschijnselen vertoonden, te weten een aantal van 49.788 dozen. Ook Shipstar heeft dit aldus begrepen. Arbiters zijn dan ook van mening dat hun oordeel niet is gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan arbiters overtuigd zijn dat die ondeugdelijk zou zijn. Zij wijzen daarom het verzoek tot heroverweging af. 3.14 Het scheidsgerecht heeft in het arbitraal eindvonnis de schade van Anton Dürbeck als volgt begroot: ‘2.3.3 […] Arbiters hebben eerder beslist dat van de 49.788 dozen met schade Shipstar niet aansprakelijk is voor de schade aan 2.691 dozen. Van deze dozen is niet bekend welk deel geen dan wel een minder waarde had. Van de 49.788 dozen waren er 13.562 ofwel 27,24% zonder waarde. Schattenderwijs wordt daarom aangenomen dat van de 2.691 dozen eenzelfde percentage, dus 733 dozen geen waarde meer hadden en 1.958 dozen een waarde van USD 4,00 per doos. Dit betekent dat van de 47.097 dozen 12.829 (13.562 - 733) zonder waarde en 34.268 (36.226 - 1.958) met een minderwaarde van USD 5,50 (USD 9,50 - USD 4,00) waren. De schade bedraagt dan: (12.829 x USD 9,50) = USD 121.875 + (34.268 x USD 5,50) = USD 188.474, derhalve in totaal USD 310.349,00.’ 3.15 Wat betreft de betaling heeft het scheidsgerecht in zijn arbitraal eindvonnis overwogen, onder verwijzing naar zijn beslissing in arbitraal tussenvonnis I dat uitsluitend Anton Dürbeck vorderingsgerechtigd is, dat het verzoek om aan de veroordeling van Shipstar tot betaling van het gevorderde toe te voegen dat betalingen moeten worden gedaan op de derdenrekening van de gezamenlijke advocaat niet voor toewijzing vatbaar is (rov. 2.7). Een wettelijke grondslag om Shipstar te verplichten aan een ander dan de schuldeiser te betalen is gesteld noch gebleken, aldus het scheidsgerecht.Het scheidsgerecht heeft Shipstar veroordeeld om aan Anton Dürbeck te betalen:
(1)US$ 310.349 met wettelijke rente;
(2)2/3 van de arbitragekosten, begroot op € 77.690, dus € 51.793; en
(3)2/3 van de (overige) kosten van Anton Dürbeck, begroot op € 117.848, dus € 78.
  1. Het scheidsgerecht heeft het anders of meer gevorderde afgewezen. 4De vordering en het verweer 4.1 Anton Dürbeck c.s. hebben Shipstar gedagvaard en gevorderd dat het hof:
  2. het arbitraal eindvonnis gedeeltelijk vernietigt, namelijk voor zover het betreft:a. het uitgangspunt dat aan toewijzing van de hoofdsom van US$ 310.349 onder
(1)van dit vonnis ten grondslag ligt, te weten dat de schade slechts bepaald moet worden ten aanzien van de 49.788 dozen die direct bij lossing al rijpe bananen bevatten;b. de toewijzing van de hoofdsom van US$ 310.349 onder
(1)van dit vonnis; c. de toegepaste matigingsfactor 2/3 bij de toegewezen kostenvergoeding onder
(2)en
(3)van dit vonnis;d. de toewijzing van de arbitragekosten van € 51.793 onder
(2)van dit vonnis;e. de toewijzing van de overige kosten van € 78.565 onder
(3)van dit vonnis;
  1. arbitraal tussenvonnis II gedeeltelijk vernietigt, namelijk voor zover het betreft de overweging dat Anton Dürbeck zou hebben gesteld dat de schade zich beperkte tot 49.788 dozen en de daaruit voortvloeiende overweging dat dit aantal dozen tussen partijen vast zou staan (rov. 2.4.3);
  2. arbitraal tussenvonnis III gedeeltelijk vernietigt, namelijk voor zover het betreft de overwegingen 3.2 en 3.3;
  3. Shipstar veroordeelt in de kosten en de nakosten, een en ander zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. 4.2 Anton Dürbeck c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat arbiters zich niet aan hun opdracht hebben gehouden en dat dit grond oplevert voor vernietiging van de arbitrale tussenvonnissen II en III en het arbitrale eindvonnis. Zij stellen dat de vordering tot schadevergoeding van € 999.999,99 onmiskenbaar was gebaseerd op een schadeberekening ten aanzien van de hele lading en dat arbiters in rov. 2.4.3 van arbitraal tussenvonnis II ten onrechte hebben vastgesteld dat de schade slechts 49.788 dozen bananen betrof, daarbij uitgaande van een verkeerde lezing van het in de memorie van eis onder 14 gestelde. Uit de context blijkt zonder meer dat de schade niet beperkt is tot 49.788 dozen: dit aantal betrof het door de experts vastgestelde aantal ten tijde van de lossing van de bananen. Arbiters hebben eraan voorbijgezien dat alle bananen een verkort GSL hadden als gevolg van het verkeerde temperatuurmanagement, dus niet slechts de bananen die bij lossing geel waren. In arbitraal tussenvonnis III hebben arbiters een conclusie verbonden aan hun verkeerde uitgangspunt door te beslissen dat het debat over de schadeomvang beperkt was tot dit aantal. In het arbitraal eindvonnis zijn arbiters ten onrechte niet op deze bindende eindbeslissing teruggekomen. Daardoor hebben arbiters een oordeel gegeven over iets anders dan aan hen was voorgelegd en hebben zij zich niet aan hun opdracht gehouden. Deze schending van hun opdracht is ernstig omdat deze doorwerkt in de hele schadeberekening en in de kostenvergoeding. De schade is aanzienlijk lager vastgesteld dan reëel was geweest; arbiters hebben van de vordering van US$ 999.999,99 slechts US$ 310.349 toegewezen, wat hun vervolgens aanleiding gaf een matigingsfactor van 2/3 toe te passen. Als zij zich aan hun opdracht hadden gehouden, was er voor deze matiging geen aanleiding geweest. Anton Dürbeck wijst erop dat zij in de procedure bezwaar heeft gemaakt tegen deze schending van de opdracht. 4.3 Shipstar voert gemotiveerd verweer. Van schending van de opdracht van arbiters is volgens haar geen sprake. Naar zij stelt, hebben arbiters na uitgebreid debat op basis van de bevindingen van de verschillende experts geconcludeerd dat tussen partijen vaststaat dat het aantal beschadigde dozen 49.788 bedraagt en dit aantal terecht tot uitgangspunt genomen voor de schadeberekening. Zoals arbiters hebben overwogen, heeft Anton Dürbeck haar stelling dat meer dozen bananen beschadigd waren op geen enkele wijze onderbouwd. Shipstar wijst er verder op dat de namens Dekra aangestelde expert in zijn rapport met betrekking tot de overige 189.140 dozen expliciet vermeldt: ‘rest remained as sound cargo’. Shipstar betwist dat zij de schadevordering van Anton Dürbeck heeft begrepen als te zijn gebaseerd op de hele lading. Volgens haar ging het bij het partijdebat over de schadeomvang om de vraag hoeveel dozen waren beschadigd en gold dat ook voor het bewijsaanbod van Anton Dürbeck; zo heeft zij het begrepen en mocht zij dat ook begrijpen. Het verzoek van Anton Dürbeck om terug te komen op hun oordeel en de schade te berekenen op basis van de minderwaarde van de gehele lading hebben arbiters weloverwogen afgewezen. In deze vernietigingsprocedure, waarin de burgerlijk rechter zich terughoudend moet opstellen, bestaat geen ruimte voor een inhoudelijke toetsing van de arbitrale vonnissen, aldus Shipstar. Zij stelt dat Anton Dürbeck deze vernietigingsprocedure gebruikt om alsnog te onderbouwen dat haar schade zou bestaan uit de minderwaarde van de gehele lading, dus als een verkapt hoger beroep. Daar is deze procedure niet voor bedoeld. 5Beoordeling Bevoegdheid van hof Den Haag; ontvankelijkheid Anton Dürbeck c.s. 5.1 Het hof is bevoegd kennis te nemen van de vordering van Anton Dürbeck c.s. tot vernietiging van de tussen Anton Dürbeck c.s. en Shipstar gewezen arbitrale vonnissen omdat de plaats van arbitrage – Rotterdam – was gelegen binnen het ressort van dit hof (artikel 1064a lid 1 Rv). 5.2 In arbitraal tussenvonnis I heeft het scheidsgerecht beslist dat uitsluitend Anton Dürbeck, als rechtsopvolger van Elkemar, vorderingsgerechtigd is. In het arbitraal eindvonnis zijn de vorderingen van Anton Dürbeck gedeeltelijk toegewezen; de vorderingen van Elkemar, Premium Banana en Gaede & Glauerdt zijn afgewezen. Omdat de vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen geen betrekking heeft op de beslissing van het scheidsgerecht in arbitraal tussenvonnis I dat alleen Anton Dürbeck vorderingsgerechtigd is, hebben Elkemar, Premium Banana en Gaede & Glauerdt geen belang bij hun vordering. Zij zullen om die reden daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarom wordt hierna alleen Anton Dürbeck als eiseres in deze vernietigingsprocedure aangemerkt. Vernietiging arbitraal vonnis; toetsingskader 5.3 Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad geldt als algemeen uitgangspunt dat de burgerlijke rechter terughoudendheid moet betrachten bij de beoordeling van een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis. Een vernietigingsprocedure mag niet worden gebruikt als een verkapt hoger beroep. Het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging brengt immers mee dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. 5.4 Artikel 1065 lid 1 onder c Rv voorziet in de mogelijkheid vernietiging van een arbitraal vonnis te vorderen in het geval dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden. Bij de beoordeling of het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden worden een formele en een materiële zijde onderscheiden. Bij de formele zijde van de opdracht gaat het om de wettelijke en overeengekomen procedureregels die het scheidsgerecht in acht moet nemen. De materiële zijde van de opdracht heeft betrekking op de grenzen van de rechtsstrijd en de beslissingsmaatstaf die het scheidsgerecht moet aanleggen. Van schending daarvan is sprake als het scheidsgerecht meer of anders heeft toegewezen dan gevorderd. Ook schendt een scheidsgerecht zijn opdracht als het heeft nagelaten op een of meer (tegen)vorderingen te beslissen. Een vordering tot vernietiging op die grond kan alleen worden toegewezen als een aanvullend vonnis is gewezen, dan wel een eerder verzoek tot aanvulling van het vonnis is afgewezen (artikel 1065 lid 6 Rv). Het nalaten te beslissen op een uitdrukkelijk voorgedragen essentiële stelling kan eveneens grond opleveren voor vernietiging van het arbitraal vonnis wegens schending van de opdracht. 5.5 Bij de beoordeling of het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden, moet de rechter zich – volgens het algemene uitgangspunt – terughoudend opstellen. Verder geldt dat een schending van de opdracht alleen tot vernietiging van een arbitraal vonnis kan leiden als die schending van ernstige aard is (artikel 1065 lid 4 Rv). Daarvan is sprake als de schending van de opdracht van substantiële betekenis is. Beslissend is of de uitspraak anders had kunnen uitvallen als de arbiters zich aan hun opdracht hadden gehouden. In het geval dat een partij al in de arbitrale procedure ermee bekend is dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht houdt, is vernietiging op de voet van art. 1065 lid 1, onder c, Rv alleen mogelijk is als dit ook in de arbitrale procedure al is aangevoerd (art. 1065 lid 4 Rv). Omdat deze bepaling, die het oog heeft op een vorm van rechtsverwerking, de openbare orde niet raakt, mag de rechter deze niet ambtshalve toepassen. Verder moet de partij die zich op de schending van de opdracht door het scheidsgerecht beroept, een redelijk belang hebben bij de daarop gebaseerde vordering tot vernietiging. Schending opdracht? 5.6 In de arbitrage heeft Anton Dürbeck vergoeding gevorderd van schade als gevolg van een verkeerd temperatuurmanagement van een partij bananen tijdens het vervoer per schip van Ecuador naar Tripoli (Libië). Zij stelden dat de directe schade door vroegtijdige rijping van de bananen US$ 1.219.745,42 bedroeg en dat zij daarnaast (expertise)kosten hebben gemaakt. Zij hebben hun vordering tot schadevergoeding evenwel beperkt tot € 999.999,99, te vermeerderen met rente en kosten. Het scheidsgerecht heeft de rijpingsschade begroot op US$ 310.349 en dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, toegewezen, en daarnaast € 51.793 aan arbitragekosten en € 78.565 aan overige kosten. 5.7 Het hof stelt voorop dat het scheidsgerecht niet meer of anders heeft toegewezen dan gevorderd, maar minder toegewezen dan gevorderd. Het heeft de schade van Anton Dürbeck begroot op een lager bedrag dan gevorderd en de vordering tot betaling van schadevergoeding gedeeltelijk toegewezen. Het hof verwerpt dan ook de stelling van Anton Dürbeck c.s. dat arbiters een oordeel hebben gegeven over iets anders dan aan hen was voorgelegd. Het scheidsgerecht heeft in het arbitraal eindvonnis in dat verband nog overwogen dat in de akte van Anton Dürbeck c.s. van 31 januari 2023 niet een wijziging (van de grondslag) van de eis kan worden gelezen, daargelaten dat een eiswijziging in dat stadium van de procedure ook niet toelaatbaar zou zijn geweest wegens strijd met de goede procesorde. 5.8 Blijft over de vraag of het scheidsgerecht heeft nagelaten te beslissen op een essentiële stelling van Anton Dürbeck c.s. en zich om die reden niet aan zijn opdracht heeft gehouden. Het hof is van oordeel dat ook dat niet het geval is. Anton Dürbeck c.s. hebben gesteld dat het aantal dozen met rijpingsschade in aanwezigheid van alle experts, inclusief de P&I-expert, is vastgesteld op 49.788 (memorie van eis onder 14). In het kader van de schadeberekening hebben zij verder gesteld dat de gezonde marktwaarde van de totale lading van 238.936 dozen US$ 2.883.957,52 zou zijn geweest en dat de beschadigde bananen zijn verkocht voor US$1.664.212,10, oftewel tegen een minderwaarde van US$ 1.219.745,42 (memorie van eis 51-52). Ter onderbouwing van (de omvang van) de schade hebben zij zich beroepen op de rapporten van de experts die het aantal dozen met beschadigde bananen op 3 juli 2012 hebben vastgesteld. Shipstar heeft erkend dat bij aankomst in Tripoli 49.788 dozen bananen rijpingsschade vertoonden. Zij betwistte dat deze schade het gevolg was van verkeerd temperatuurmanagement tijdens het vervoer en betwistte eveneens de hoogte van de door Anton Dürbeck c.s. gestelde schade. Het scheidsgerecht heeft de stelling van Anton Dürbeck c.s. over het aantal dozen bananen met rijpingsschade (49.788 dozen) en de schadeberekening, die was gebaseerd op dat de gehele lading (238.841 dozen), besproken in rov. 2.4.2 van tussenvonnis II. Het heeft vervolgens in rov. 2.4.3 overwogen dat Anton Dürbeck c.s. niet hebben toegelicht waarom de schade zou bestaan uit de minderwaarde van de gehele lading, terwijl zij zelf hebben gesteld dat 49.788 dozen bananen beschadigd zijn, en dat voor zover zou zijn gebleken dat na 3 juli 2023 bananen uit meer dozen beschadigd waren, die schade op geen enkele wijze is onderbouwd. Met andere woorden: het scheidsgerecht heeft de stelling van Anton Dürbeck c.s. dat alle 238.936 dozen rijpingsschade hadden opgelopen verworpen en voor de schadeberekening tot uitgangspunt genomen dat 49.788 dozen bananen beschadigd waren. Na (tegen)bewijslevering door Shipstar met betrekking tot het aantal dozen waarvan de ‘cut to cool’ periode langer dan 36 uur is geweest, heeft het scheidsgerecht in arbitraal tussenvonnis III beslist dat hetgeen ladingbelanghebbenden van Shipstar te vorderen hebben, betrekking heeft op 47.097 dozen bananen en dat de schade op basis van dit aantal dozen dient te worden berekend (rov. 3.2-3.3). Het heeft daarmee op de stelling van Anton Dürbeck c.s. dat alle 238.936 dozen rijpingsschade hadden opgelopen beslist. 5.9 Dat geldt eens te meer nu Anton Dürbeck c.s. het scheidsgerecht bij akte van 31 januari 2023 hebben verzocht op deze (bindende eind)beslissing terug te komen en de schade (alsnog) te bepalen op basis van de minderwaarde van de gehele lading, daartoe aanvoerend dat het scheidsgerecht is uitgegaan van een onjuiste uitleg van haar stellingen. Het scheidsgerecht heeft dat verzoek tot heroverweging gemotiveerd afgewezen in rov. 2.1.3 van het arbitraal eindvonnis (hiervoor geciteerd onder 3.13). 5.10 Kortom: het scheidsgerecht heeft de stelling van Anton Dürbeck c.s. dat alle 238.936 dozen rijpingsschade hadden opgelopen en dat de schade moet worden bepaald op basis van de minderwaarde van de gehele lading, verworpen en dus wel degelijk op die stelling beslist.Conclusie 5.11 Elkemar, Premium Banana en Gaede & Glauerdt zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering tot vernietiging van de arbitrale tussenvonnissen en het arbitraal eindvonnis. De vordering van Anton Dürbeck zal worden afgewezen. Anton Dürbeck c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Die proceskosten worden begroot op: griffierecht € 5.689 salaris advocaat € 13.284 (3 punten × tarief VI) nakosten € 178 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 19.
  4. 6Beslissing Het hof: verklaart Elkemar, Premium Banana en Gaede & Glauerdt niet-ontvankelijk in hun vordering; wijst de vordering van Anton Dürbeck af; veroordeelt Anton Dürbeck c.s. in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Shipstar begroot op € 19.151; bepaalt dat als Anton Dürbeck c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Anton Dürbeck c.s. de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 92; verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Verduyn, M.E. Honée en A.J.P. van Beurden en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2025 in aanwezigheid van de griffier. Zie bijvoorbeeld HR 4 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:
  5. HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:
  6. HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:
  7. HR 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8097.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.