← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2025:2142

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-24/972 tot en met BK-24/976 Uitspraak van 26 juni 2025 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 oktober 2024, nummers SGR 23/7558, SGR 23/7559, 23/7561, SGR 23/7562 en SGR 23/

  1. Procesverloop 1.
  2. Aan belanghebbende is ten aanzien van vijf voertuigen een drietal naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van in totaal € 21.052 (de naheffingsaanslagen). 1.
  3. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslagen gehandhaafd. 1.
  4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 365 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond voor zover deze zijn gericht tegen de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de naheffingsaanslagen 1 en 3; - verklaart de beroepen voor het overige ongegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover ze betrekking hebben op de voertuigen 2 en 5; - vermindert naheffingsaanslag 1 tot een bedrag van € 9.274; - vermindert naheffingsaanslag 3 tot een bedrag van € 4.118; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.998; en - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.” 1.
  5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 559 geheven. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 13 mei
  6. 1.
  7. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 20 mei
  8. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten Volkswagen Golf (BK-SGR 24/972) 2.1.
  9. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 3.257 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Volkswagen Golf (auto 1). De datum van eerste toelating is 26 februari
  10. 2.1.
  11. In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 1] . Daarin is de historische nieuwprijs van auto 1 vastgesteld op € 50.862 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 27.
  12. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 8.282 in mindering gebracht in verband met schade aan auto 1, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 1 is bepaald op € 19.
  13. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 8.662 (CO2-uitstoot van 167 gr/km). 2.1.
  14. De Inspecteur heeft ter zake van auto 1 een bedrag van € 232 aan bpm nageheven. Daarbij is de bpm berekend op basis van een (historische) bruto bpm van € 9.478, gebaseerd op de CO2-uitstoot van 171 gr/km die door de RDW is vastgesteld. De Inspecteur heeft een extra leeftijdskorting van € 75 toegekend. BMW X5 XDrive 40i (BK-SGR 24/973) 2.2.
  15. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 5.014 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte BMW X5 XDrive 40i (auto 2). De datum van eerste toelating is 27 november
  16. 2.2.
  17. In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 1] . Daarin is de historische nieuwprijs van auto 2 vastgesteld op € 105.487 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 36.
  18. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 17.614 in mindering gebracht in verband met schade aan auto 2, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 2 is bepaald op € 18.
  19. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 28.623 (CO2-uitstoot van 197 gr/km). 2.2.
  20. DRZ heeft op 6 januari 2022 een hertaxatie uitgevoerd. De Inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ ter zake van auto 2 een bedrag van € 5.659 aan bpm nageheven. Daarbij is de bpm berekend op basis van een historische nieuwprijs van € 110.063 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 41.050 (XRay (Marge)). DRZ heeft geen waardevermindering wegens schade toegepast, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 2 eveneens is bepaald op € 41.050 (afschrijving van 62,70%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 28.
  21. Land Rover Range Rover Evoque (BK-SGR 24/974) 2.3.
  22. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 9.031 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Land Rover Range Rover Evoque (auto 3). De datum van eerste toelating is 16 februari
  23. 2.3.
  24. In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 2] B.V. Daarin is de historische nieuwprijs van auto 3 vastgesteld op € 83.212 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 42.
  25. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 11.144 in mindering gebracht in verband met schade aan auto 3, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 3 is bepaald op € 31.
  26. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 23.962 (CO2-uitstoot van 211 gr/km). 2.3.
  27. DRZ heeft op 10 juni 2022 een hertaxatie uitgevoerd. De Inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ ter zake van auto 3 een bedrag van € 3.556 aan bpm nageheven. Daarbij is de bpm berekend op basis van een historische nieuwprijs van € 86.930 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 45.669 (XRay (Marge)). DRZ heeft geen waardevermindering wegens schade toegepast, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 3 eveneens is bepaald op € 45.669 (afschrijving van 47,46%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 23.
  28. Mercedes-Benz GLE 350D (BK-SGR 24/975) 2.4.
  29. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 13.721 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Mercedes-Benz GLE 350D 4Matic Coupé (auto 4). De datum van eerste toelating is 5 mei
  30. 2.4.
  31. In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 1] . Daarin is de historische nieuwprijs van auto 4 vastgesteld op € 127.209 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 69.
  32. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 26.752 in mindering gebracht in verband met schade aan auto 4, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 4 is bepaald op € 42.
  33. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 41.033 (CO2-uitstoot van 214 gr/km). 2.4.
  34. DRZ heeft op 24 december 2021 een hertaxatie uitgevoerd. De Inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ ter zake van auto 4 een bedrag van € 7.308 aan bpm nageheven. Daarbij is de bpm berekend op basis van een historische nieuwprijs van € 132.623 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 71.306 (XRay (Marge)). Volgens DRZ dient een waardevermindering wegens schade van € 3.336 (72% van € 4.633) te worden toegepast, waardoor de Inspecteur de handelsinkoopwaarde van auto 4 heeft vastgesteld op € 67.970 (afschrijving van 48,75%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 41.
  35. BMW X5 XDrive 40i (BK-SGR 24/976) 2.5.
  36. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 7.706 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte BMW X5 XDrive 40i (auto 5). De datum van eerste toelating is 9 juli
  37. 2.5.
  38. In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 1] . Daarin is de historische nieuwprijs van auto 5 vastgesteld op € 114.432 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 47.
  39. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 16.733 in mindering gebracht in verband met schade aan auto 5, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 5 is bepaald op € 30.
  40. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 28.950 (CO2-uitstoot van 197 gr/km). 2.5.
  41. DRZ heeft op 8 december 2021 een hertaxatie uitgevoerd. De Inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ ter zake van auto 5 een bedrag van € 4.297 aan bpm nageheven. Daarbij is de bpm berekend op basis van een historische nieuwprijs van € 114.109 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 49.983 (XRay (Marge)). Volgens DRZ dient een waardevermindering wegens schade van € 973 (72% van € 1.352) te worden toegepast, waardoor de Inspecteur de handelsinkoopwaarde van auto 5 heeft vastgesteld op € 49.010 (afschrijving van 57,05%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 28.
  42. Overzicht 2.
  43. Het voorgaande kan schematisch als volgt worden weergegeven: Auto Zaaknummer Zaaknummer Rechtbank Kenteken Type Bedrag naheffingsaanslag Auto 1 BK-SGR 24/972 SGR 23/7558 [kenteken 1] Volkswagen Golf 2.0 TSI GTI € 232 Auto 2 BK-SGR 24/973 SGR 23/7559 [kenteken 2] BMW X5 XDrive40i € 5.659 Auto 3 BK-SGR 24/974 SGR 23/7561 [kenteken 3] Land Rover Range Rover Evoque € 3.556 Auto 4 BK-SGR 24/975 SGR 23/7562 [kenteken 4] Mercedes-Benz GLE 350 D 4Matic Coupe € 7.308 Auto 5 BK-SGR 24/976 SGR 23/7563 [kenteken 5] BMW X5 XDrive40i € 4.297 € 21.052 Oordeel van de Rechtbank
  44. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “Beoordeling van het geschil Deskundigheid taxateur DRZ (voertuig 2, 3, 4 en 5)
  45. Eiser heeft betoogd dat DRZ schade over het hoofd heeft gezien, mogelijk omdat de desbetreffende medewerkers ondeskundig waren of onzorgvuldig hebben opgetreden. Bovendien heeft DRZ verzuimd om binnen de autobranche ontwikkeld beleid over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade toe te passen. De rechtbank verwerpt deze klachten. De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid of zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ. Zij zijn ook niet gebonden aan beleid dat wordt gevoerd door de autobranche en hetzelfde geldt voor verweerder. Schade (voertuig 2, 3, 4 en 5)
  46. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van een auto, rust op eiseres.[1] Eiseres heeft daartoe gewezen op de taxatierapporten die ten grondslag zijn gelegd aan de aangiften. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de auto’s ten tijde van het doen van aangifte meer schade hadden dan door DRZ is onderkend. Met de taxatierapporten en de daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over aard en omvang van de gestelde schade. 72% van de herstelkosten of 100%? (voertuig 4)
  47. Eiseres heeft met betrekking tot voertuig 4 ook niet aannemelijk gemaakt dat de geraamde herstelkosten (in afwijking van artikel 8, vierde lid, letter b, van de Uitvoeringsregeling bpm 1992, gelezen in verbinding met onderdeel 3.5 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling bpm 1992, tekst 2019) niet voor 72%, maar voor 100% in mindering op de handelsinkoopwaarde moet worden gebracht. Haar standpunt dat de leeftijd en de kilometerstand van de auto een percentage van 100% rechtvaardigen, vormt daarvoor onvoldoende onderbouwing. De taxateur van eiseres heeft evenmin een specifieke onderbouwing gegeven waarom voor dit voertuig een percentage hoger dan 72% moet worden gehanteerd. Historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde (voertuigen 2, 4 en 5)
  48. Eiseres beroept zich wel terecht op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2013 [2023, Hof], ECLI:NL:HR:2023:1703, met het betoog dat bij de bepaling van de historische nieuwprijs dient te worden uitgegaan van de hogere bruto bpm van de geïmporteerde auto’s (voertuig 2: € 28.623, voertuig 4: € 41.034 en voertuig 5: € 115.824). De historische nieuwprijs dient derhalve te worden vastgesteld op respectievelijk € 111.896 (voertuig 2), € 137.779 (voertuig 4) en € 115.824 (voertuig 5).
  49. Verweerder heeft betoogd dat alsdan de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de bewuste auto’s eveneens dient te worden verhoogd. Immers, de hogere CO2-uitstoot van de geïmporteerde auto houdt in dat de auto een hoger energieverbruik heeft dan de referentieauto, hetgeen slechts kan worden verklaard door verschillen bijvoorbeeld in de aanwezige opties.
  50. Met zijn standpunt neemt verweerder gemotiveerd stelling tegen de door eiseres verdedigde handelsinkoopwaarden. Dat een hogere CO2-uitstoot automatisch tot een hogere handelsinkoopwaarde leidt, zoals verweerder met zijn stelling suggereert, acht de rechtbank echter niet voor de hand liggend en ook niet in lijn met het onder
  51. genoemde arrest van de Hoge Raad. Per geval zal moeten worden beoordeeld of dit zo is. Hierbij dienen alle relevante omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen, zoals de omvang van het verschil in CO2-uitstoot, de herkomst van het motorvoertuig (waarbij van belang is of het beschikt over een Europese typegoedkeuring), exclusiviteit, de courantheid van het merk en het model, de uitvoering en of het motorvoertuig bijzondere kenmerken heeft. Met andere woorden, de prijselasticiteit speelt een belangrijke rol. Hoewel de CO2-uitstoot als een vast gegeven kenmerk van het motorvoertuig moet worden beschouwd, is dit niet het enige kenmerk en staat het niet vast dat dit kenmerk bij de gemiddelde handelaar (of consument, die het motorvoertuig uiteindelijk koopt) doorslaggevend is bij de keuze voor het motorvoertuig.[2] Nu het algemeen geformuleerde standpunt van verweerder niet zonder meer kan worden gevolgd, dient te worden beoordeeld of verweerder voor de bewuste voertuigen 2, 4 en 5 een afdoende, steekhoudende onderbouwing van zijn standpunt heeft gegeven om de door DRZ uit de koerslijsten afgeleide handelsinkoopwaarden naar boven bij te stellen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Handelsinkoopwaarde voertuig 4
  52. Verweerder heeft met betrekking tot voertuig 4, door eiseres niet weersproken, het volgende aangevoerd. Auto 4 heeft een uitstoot van 214 g/km WLTP en het referentievoertuig waarvan een koerslijst is gebruikt heeft een uitstoot van 204 g/km WLTP. DRZ heeft voor deze auto de netto catalogusprijs door vergelijking bepaald op € 79.955 en heeft in het rapport waardebepaling nog het volgende opgemerkt: Deze Mercedes-Benz GLE 350 d 4Matic Coupe is af-fabriek met een 200 kw motor afgeleverd. Deze motor is niet in Nederland op de datum 1e toelating leverbaar geweest. Als passend alternatief hebben wij een Mercedes-Benz GLE 400 d 4Matic Coupe met 243 kw gekozen.
  53. Verweerder heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat het bewuste referentievoertuig ook op andere punten dan enkel de CO2-uitstoot, waaronder – in niet geringe mate – het vermogen, afwijkt van het onderhavige voertuig (voertuig 4). Daarmee heeft verweerder het vermoeden doen ontstaan dat de handelsinkoopwaarde voor het referentievoertuig zoals die voortvloeit uit de gebruikte koerslijst voor het referentievoertuig niet één-op-één kan worden overgenomen voor het onderhavige voertuig, in die zin dat het vermoeden bestaat dat niet alleen de historische nieuwprijs maar óók de handelsinkoopwaarde van het onderhavige voertuig hoger zal zijn dan die van het referentievoertuig zoals blijkt uit de oorspronkelijke koerslijst (gebaseerd op de CO2-uitstoot van het referentievoertuig).
  54. Het ligt dan op de weg van eiseres, die immers stelt dat toepassing van de Wet hier leidt tot een heffing van bpm die in strijd is met artikel 110 VWEU en op wie dus in dit verband dan de bewijslast rust, om aannemelijk te maken dat de handelsinkoopwaarde van het onderhavige voertuig laag genoeg is om tot een hogere vermindering te komen dan reeds begrepen in de naheffingsaanslag. Eiseres heeft daartoe echter niets aangevoerd. Alsdan bestaat geen aanleiding om eiseres te volgen in haar standpunt dat in dit verband een vermindering van de naheffingsaanslag op zijn plaats is.
  55. Dit is, anders dan eiseres meent, niet in strijd met het hiervoor onder
  56. genoemde arrest van de Hoge Raad. In r.o. 3.2.3 van dat arrest is namelijk uitdrukkelijk overwogen dat bij toepassing van de taxatiemethode (zoals ook thans aan de orde is) de door taxatie berekende waarde zal verschillen van de in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. Dit laatste doet zich ook in het onderhavige geval voor, zoals hiervoor onder
  57. is overwogen. Dit zou anders zijn indien tussen eiseres en verweerder geen geschil (meer) bestond over de handelsinkoopwaarde respectievelijk de taxatiewaarde van het te registreren voertuig, zoals overwogen in r.o. 3.3.2 van het arrest. Daarvan is hier nu echter juist geen sprake, nu immers hier de handelsinkoopwaarde van het te registreren voertuig specifiek als geschilpunt aan de orde is. De andersluidende uitleg van het arrest van eiseres berust op een onjuiste lezing daarvan.
  58. Evenmin vormt het vorenstaande, anders dan eiseres stelt, een schending van het vertrouwensbeginsel. Verweerder is in het verleden ervan uitgegaan dat alle gegevens van het referentievoertuig (dus zowel de historische nieuwprijs als óók de handelsinkoopwaarde) leidend waren voor de bepaling van het bewuste afschrijvingspercentage en daarmee de verschuldigde bpm. De verschillende onderdelen van deze handelwijze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Indien eiseres vertrouwen wenst te ontlenen aan een deze werkwijze, die door het hiervoor onder
  59. besproken arrest onjuist is gebleken, kan dat alsdan slechts gelden voor alle onderdelen daarvan en dus ook voor de vaststelling van de historische nieuwprijs. Dat zou voor eiseres niet tot een gunstiger resultaat kunnen leiden, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.
  60. Met betrekking tot voertuig 4 is het gelijk in dezen dus aan verweerder. Handelsinkoopwaarde voertuigen 2 en 5
  61. Met betrekking tot de voertuigen 2 en 5 heeft verweerder echter geen bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de te waarderen motorrijtuigen ten opzichte van gebruikte referentievoertuigen benoemd. Verweerder heeft enkel gewezen op de verschillen in CO2-uitstoot tussen de bewuste voertuigen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende; nu verweerder voor de voertuigen 2 en 5 geen nadere, steekhoudende onderbouwing van zijn standpunt (zie hiervoor onder
  62. en 19.) heeft gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding om de door DRZ uit de koerslijst afgeleide handelsinkoopwaarden naar boven bij te stellen. Voor wat betreft voertuig 2 komt daar nog bij dat aan dit voertuig geen schade anders dan normale gebruiksschade is vastgesteld. Alsdan staat de Wet bpm toepassing van de taxatiemethode niet toe (artikel 10, achtste lid, aanhef en letter a, van de Wet bpm). Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat verweerder bij de vaststelling van de naheffingsaanslag de koerslijstmethode heeft toegepast. De tekst van artikel 10, zevende lid, van de Wet bpm biedt bij toepassing van de koerslijstmethode echter geen ruimte voor correcties op de waarde die is vermeld in de koerslijst, indien de desbetreffende koerslijst niet in die correcties voorziet.[3] Gesteld noch gebleken is dat de door verweerder gebruikte koerslijst voorziet in relevante, nog niet toegepaste correcties voor bijvoorbeeld hoger energiegebruik of extra opties. Het gelijk is in zoverre aan eiseres.
  63. Dit betekent dat de naheffingsaanslagen waarin de voertuigen 2 en 5 betrokken zijn in dit verband moeten worden verminderd conform de berekening in het nader stuk van eiseres. Dit betekent dat de naheffingsaanslag 1 moet worden verminderd met € 172,41 en dus tot op € 9.274 (= € 9.447 -/- € 172,41) en naheffingsaanslag 3 met € 178,21 tot op € 4.118 (= € 4.297 -/- € 178,21).
  64. Verweerder heeft de rechtbank daags voor zitting nog gevraagd om in dit verband met toepassing van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht de bewuste inkoopfacturen bij eiseres op te vragen, omdat volgens verweerder daaruit zou kunnen blijken dat de handelsinkoopwaarden hoger zijn dan de door DRZ uit de koerslijsten afgeleide handelsinkoopwaarden. De rechtbank gaat voorbij aan dit verzoek omdat dit te laat en daarmee in strijd met een goede procesorde is gedaan. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat verweerder dit verzoek (veel) eerder had kunnen doen. Herleidingsmethode (voertuigen 1, 3 en 5)
  65. Het Gerechtshof Den Haag heeft in zijn uitspraak van 25 april 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:754 de zogenoemde herleidingsmethode verworpen en daartoe – voor zover hier van belang – het volgende overwogen. “Herleidingsmethode 5.4.
  66. Belanghebbende heeft nog een beroep gedaan op de zogenoemde herleidingsmethode. De Inspecteur heeft de juistheid van deze methode betwist onder verwijzing naar het wettelijke systeem en de onvergelijkbaarheid van de referentieauto’s. 5.4.
  67. Het Hof verwerpt de herleidingsmethode van belanghebbende en wel om de volgende redenen. Om te beginnen is de methode in strijd met het wettelijke systeem, dat is vervat in de artikelen 9 en 10 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De Hoge Raad heeft dit systeem uitgelegd in een reeks arresten (ECLI:NL:HR:2020:63, ECLI:NL:HR:2020:317, ECLI:NL:HR:2020:318, ECLI:NL:HR:2020:323 en ECLI:NL:HR:2020:331). Uit dit systeem volgt dat de bpm van een in te voeren gebruikte auto wordt berekend door de waardedaling van deze auto te berekenen met behulp van de handelsinkoopwaarde van soortgelijke, al in Nederland rondrijdende auto’s, de referentieauto’s. Hiervoor staan de belastingplichtige twee, en soms drie, methoden ter beschikking. Vervolgens wordt met de verkregen handelsinkoopwaarde de voor de in te voeren auto verschuldigde bpm berekend. De (herrekende) bruto bpm van referentieauto’s speelt in deze berekening geen enkele rol. 5.4.
  68. Belanghebbende stelt dat het wettelijke systeem in strijd is met artikel 110 VWEU, omdat niet kan worden uitgesloten dat op de auto een hogere bpm komt te rusten dan op de referentieauto’s. Belanghebbende wijst op de openbare gegevens in het kentekenregister, waaruit volgens haar blijkt wat de werkelijke bpm-druk op de referentieauto’s is. Het Hof wijst erop dat de (herrekende) bruto bpm die in het kentekenregister is opgenomen, wordt gebruikt om de teruggaaf bij uitvoer te berekenen en om het bedrag te berekenen dat bij binnenlandse verkoop buiten de grondslag van de omzetbelasting mag blijven. Ook mag dit bedrag op basis van een goedkeuring worden gebruikt om de extra leeftijdskorting te berekenen. Deze bijzondere bepalingen en goedkeuring zijn ingegeven door enerzijds de wens te voorkomen dat met het oog op het behalen van een onbedoeld voordeel een auto wordt ingevoerd met een taxatierapport en vervolgens uitgevoerd met de tabel, en anderzijds praktische overwegingen, namelijk om de doorlopende post voor de omzetbelasting en de leeftijdskorting gemakkelijker te kunnen toepassen. 5.4.
  69. Belanghebbende heeft zich in het hogerberoepschrift beroepen op een lijst met gegevens uit het kentekenregister van, in haar visie, soortgelijke auto’s. Belanghebbende wil dat de bpm van de auto aan de hand van de gegevens op die lijst op het laagste bedrag wordt bepaald. Alleen zo wordt uitgesloten dat op de auto meer bpm komt te rusten dan op de soortgelijke auto’s die op die lijst staan, aldus belanghebbende. De in het kentekenregister genoteerde bruto bpm is niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm, maar bij op latere leeftijd ingevoerde auto’s een met het oog op de hiervoor genoemde bijzondere bepalingen en goedkeuring rekenkundig herleid bedrag. Dergelijke gegevens kunnen niet worden gebruikt om aan te tonen dat in strijd met artikel 110 VWEU te veel bpm wordt geheven. Een daadwerkelijke benadeling van uit andere lidstaten ingevoerde auto’s blijkt hieruit immers niet. Het Hof ziet geen aanleiding anders te oordelen dan de Hoge Raad, die dit systeem niet in strijd met artikel 110 VWEU heeft geoordeeld. Belanghebbende kan reeds om de hiervoor gegeven redenen geen gebruik maken van de bij het hogerberoepschrift overgelegde lijst met gegevens.”
  70. De rechtbank sluit zich aan bij deze oordelen. Er zijn door eiseres geen feiten of omstandigheden aangevoerd, noch zijn die anderszins gebleken, die in de onderhavige zaken een andersluidend oordeel zouden kunnen dragen. Slotsom
  71. Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard voor zover deze zijn gericht tegen de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de naheffingsaanslagen 1 en 3 en dienen de beroepen voor het overige ongegrond te worden verklaard. De naheffingsaanslagen 1 en 3 dienen te worden verminderd voor wat betreft de voertuigen 2 en 5 zoals hiervoor onder
  72. geoordeeld. Immateriële schadevergoeding
  73. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). De rechtbank merkt de onderhavige bezwaren en beroepen voor wat betreft de isv aan als samenhangende zaken.[4] De rechtbank heeft daarbij onder andere in aanmerking genomen dat de zaken in de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk zijn behandeld en in hoofdzaak ook betrekking op dezelfde onderwerpen. Het oudste bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 26 april 2022 (zaaknummer SGR 23/7562) en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 18 oktober
  74. De uitspraak van de rechtbank is op 25 oktober 2024 gedaan. Dat is 30 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met 6 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 18 oktober 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding geheel aan de bezwaarfase te worden toegerekend.
  75. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Of de schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen, doet in dit verband niet ter zake.[5] Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500, geheel te vergoeden door verweerder. De rechtbank volgt verweerder daarbij niet in zijn standpunt dat de vergoeding kan worden gematigd tot € 50 per half jaar.[6] Proceskosten
  76. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en met inachtneming van de jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.248 in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624, een wegingsfactor 1) en € 1.750 in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1). Vanwege de samenhang tussen de twee gegronde beroepen in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb, bedraagt de factor wegens samenhang 1, zodat dit niet tot een verhoging van voornoemde bedragen leidt.
  77. De rechtbank zal verweerder opdragen het voor de samenhangende procedures betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden. (…) [1] HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1273, r.o. 4.2.
  78. [2] Zie Gerechtshof Den Haag 29 februari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:732, r.o. 5.3.
  79. [3] Vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.
  80. [4] Vgl. HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, r.o. 2.4.3 en HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700, r.o. 2.2.
  81. [5] Vgl. HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3 en HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, r.o. 3.2.
  82. [6] Zie HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299, r.o. 5.4.
  83. Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.
  84. In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd, meer specifiek: of belanghebbende ter zake van de auto’s 2, 3, 4 en 5 een waardevermindering wegens schade toekomt; of de Inspecteur de handelsinkoopwaarde van auto 4 op het juiste bedrag heeft vastgesteld; of de Inspecteur ter zake van auto 4 het vertrouwensbeginsel heeft geschonden; of de verschuldigde bpm ter zake van auto’s 1, 3 en 5 kan worden herleid uit de herrekende bruto bpm. Voorts is in geschil of de Rechtbank de proceskostenvergoeding in de bezwaar- en beroepsfase alsmede de immateriële schadevergoeding tot de juiste bedragen heeft vastgesteld en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten die zijn gemoeid met het opvragen van een viertal koerslijsten. 4.
  85. Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Subsidiair concludeert belanghebbende: ter zake van auto 1 tot vaststelling van de herrekende bruto bpm op € 4.573, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 3.160 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot nihil; ter zake van auto 3 tot vaststelling van de herrekende bruto bpm op € 11.465, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 6.930 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot nihil; ter zake van auto 4 tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 137.779, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 66.673, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 19.856 en tot vermindering van de naheffingsaanslag naar een bedrag van € 6.135; ter zake van auto 5 tot vaststelling van de herrekende bruto bpm op € 16.561, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 7.673 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot nihil. Meer subsidiair concludeert belanghebbende ter zake van auto 4 tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 137.779, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 67.970, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 20.243 en tot vermindering van de naheffingsaanslag naar een bedrag van € 6.
  86. Voorts verzoekt belanghebbende om een aanvullende vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep alsmede om een aanvullende immateriële schadevergoeding. 4.
  87. De Inspecteur concludeert tot gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vermindering van de naheffingsaanslag ter zake van auto 4 tot € 6.520, tot toekenning van een aanvullende proceskostenvergoeding van € 218,75 aan belanghebbende voor de beroepsfase, tot vergoeding van de kosten aan belanghebbende die zijn gemoeid met het opvragen van de koerslijst ter zake van auto 4, tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep alsmede vergoeding van het griffierecht, en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank voor het overige. Beoordeling van het hoger beroep Waardevermindering wegens schade (auto’s 2, 3, 4 en 5) 5.1.
  88. Belanghebbende stelt dat uit het taxatierapporten en de bijgevoegde schadecalculaties blijkt dat ter zake van auto 2, 3, 4 en 5 sprake is van een waardevermindering wegens schade en dat de Inspecteur om die reden ter zake van die auto’s ten onrechte geen of een te lage waardevermindering wegens schade heeft toegekend. Belanghebbende stelt daarbij voorts dat de werknemers van DRZ ondeskundig zijn en dat daarom geen sprake kan zijn van deugdelijke rapporten van DRZ. Volgens belanghebbende heeft DRZ de door haar gestelde schade - voor zover niet in aanmerking genomen - steeds ten onrechte als normale gebruikssporen aangemerkt. 5.1.
  89. Het Hof bespreekt om te beginnen het standpunt van belanghebbende dat DRZ niet deskundig zou zijn. Er is geen enkele aanleiding voor de, door belanghebbende ingenomen en overigens geenszins geconcretiseerde, conclusie dat sprake is van – naar het Hof begrijpt uit de verklaring van belanghebbende – ondeskundigheid, vooringenomenheid, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheden. Bij aangiften bpm waarin gebruik wordt gemaakt van een individuele taxatie, kunnen de indieners worden uitgenodigd het voertuig op een van de locaties van DRZ (Soesterberg, Hoogeveen of Bleiswijk) te tonen. Op deze locaties kan een schouw onder optimale omstandigheden worden uitgevoerd, door middel van gekwalificeerd personeel van DRZ, goede verlichting en de beschikbaarheid van alle benodigde apparatuur en programmatuur. Niet gebleken is dat de Belastingdienst DRZ beïnvloedt of instrueert over de wijze van taxeren (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5796 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1818). Voorts staat het de Inspecteur vrij een deskundige naar zijn keuze in te schakelen. 5.1.
  90. Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. In dit geval dient belanghebbende aannemelijk te maken dat en in welke mate rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3, BNB 2020/45 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2, BNB 2020/63). 5.1.
  91. De Rechtbank heeft in haar overweging 15 op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van auto’s 2, 3, 4 en 5 sprake is van schade dan wel meer schade dan door de Inspecteur is onderkend. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto’s ten tijde van het doen van de aangifte bpm schade hadden die het niveau van normale gebruikssporen overstijgt. De enkele verwijzing naar de taxatierapporten met de bijgevoegde schadecalculaties is daarvoor onvoldoende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur en de rapporten van DRZ. Belanghebbende voldoet daarmee niet aan de op haar rustende bewijslast. Percentage schade-aftrek (auto 4) 5.2.
  92. Belanghebbende stelt dan voorts dat het bedrag aan schade dat de Inspecteur in aanmerking heeft genomen volledig in mindering op de handelsinkoopwaarde moet worden gebracht. Belanghebbende voert daarvoor aan dat auto 4 tot het exclusieve segment behoort, slechts zeven maanden oud is en slechts 7.000 kilometer heeft gereden. Bovendien was de schade omvangrijk en technisch gecompliceerd, aldus belanghebbende. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst belanghebbende voorts naar een brief en de bijbehorende bijlage van 17 oktober 2014 van Stichting Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit (VbV) aan de Belastingdienst en het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1273, BNB 2022/144 5.2.
  93. Ook in dit geval rust de bewijslast op belanghebbende (vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, BNB 2020/45, r.o. 2.3.3 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, BNB 2020/63, r.o. 3.3.2,). 5.2.
  94. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat schade niet voor 72%, maar voor 100% in mindering op de handelsinkoopwaarde moet worden gebracht. Hetgeen belanghebbende daarvoor heeft aangevoerd, is zonder nadere onderbouwing onvoldoende voor het Hof om een dergelijke vermindering te rechtvaardigen. Dat auto 4 jong en exclusief is, is onvoldoende. Deze stelling is te algemeen en onvoldoende onderbouwd. Daarbij overweegt het Hof dat uit de bijlage van de brief van de VbV volgt dat in 1% van de schadegevallen de schade voor 100% in aanmerking wordt genomen. Uit de brief en de grafiek in de bijlage daarbij, kan niet worden afgeleid welke objectieve kenmerken een rol spelen bij de beoordeling in hoeverre schade waarde verminderend is. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat een schade-expert ook tot de conclusie zou komen dat 100% van de schade voor aftrek in aanmerking komt. Het Hof komt ook op dit punt tot dezelfde conclusie als de Rechtbank. Hetgeen de Rechtbank overigens op dit punt heeft overwogen, neemt het Hof over. Handelsinkoopwaarde (auto 4) 5.3.
  95. Belanghebbende stelt dat de Rechtbank handelsinkoopwaarde van auto 4 ten onrechte heeft verhoogd vanwege een hoger motorvermogen van het referentievoertuig. Daartoe voert belanghebbende aan dat een hoger motorvermogen leidt tot meer brandstofverbruik en dat het sneller rijden tot een verhoogde kans op verkeersboetes leidt. 5.3.
  96. De Rechtbank heeft in haar overwegingen 17 tot en met 23 op goede gronden een juiste beslissing genomen ten aanzien van dit geschilpunt. Het Hof neemt de overwegingen van de Rechtbank over, maakt deze tot de zijne en voegt daar het volgende aan toe. Ter zitting heeft de Inspecteur nader toegelicht dat het referentievoertuig ook op andere punten dan uitsluitend de CO2-uitstoot afwijkt van auto 4, waaronder het motorvermogen, het interieur, de vloermatten, pedalen, stuur en velgen. Gelet hierop acht het Hof aannemelijk dat niet alleen de historische nieuwprijs maar ook de handelsinkoopwaarde van auto 4 hoger zal zijn dan die van het referentievoertuig, zoals blijkt uit de oorspronkelijke koerslijst. Hetgeen belanghebbende daartoe heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. 5.3.
  97. Belanghebbende stelt voorts dat de verhoging van de handelsinkoopwaarde van auto 4 door een afwijkende CO2-uitstoot vanwege een afwijkend motorvermogen in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Daartoe voert belanghebbende aan dat de Inspecteur reeds bij het opleggen van de naheffingsaanslag ervan op de hoogte was dat er een verschil in motorvermogen was tussen auto 4 en het referentievoertuig. 5.3.
  98. Voor zover belanghebbende een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, heeft de Rechtbank in haar overweging 24 op goede gronden geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen . Bij het opleggen van de naheffingsaanslag ter zake van auto 4 was de Inspecteur immers nog niet bekend met het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, BNB 2024/
  99. 5.3.
  100. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof subsidiair gesteld dat in plaats van de taxatiemethode de koerslijstmethode moet worden toegepast, waarbij de koerslijst XRay met een handelsinkoopwaarde van € 71.306 moet worden gehanteerd. Dit standpunt kan belanghebbende niet baten, nu dit niet tot een lagere naheffingsaanslag leidt dan door de Rechtbank is vastgesteld. Herleidingsmethode (auto’s 1, 3 en 5) 5.4.
  101. Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de zogenoemde herleidingsmethode. De Inspecteur heeft de juistheid van deze methode betwist onder verwijzing naar het wettelijke systeem en de onvergelijkbaarheid van de referentievoertuigen. 5.4.
  102. Het Hof verwerpt de herleidingsmethode van belanghebbende. Hetgeen de Rechtbank op dit punt in haar overwegingen 29 en 30 heeft overwogen, neemt het Hof over. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd, noch gebleken, die tot een ander oordeel leiden. Proceskostenvergoeding bezwaarfase 5.5.
  103. Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van samenhangende zaken. Volgens belanghebbende moet onder samenhangende zaken worden verstaan de zaken waarvan de werkzaamheden gelijk waren of gelijk konden zijn. Omdat ten tijde van het indienen van het bezwaar ter zake van de naheffingsaanslag van auto 3 de naheffingsaanslag ter zake van auto 1 nog niet was opgelegd, kan geen sprake zijn van samenhangende zaken, aldus belanghebbende. 5.5.
  104. Het Hof overweegt als volgt. Artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) luidt: “
  105. Samenhangende zaken worden voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak.
  106. Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.” 5.5.
  107. Artikel 3, lid 2, Bpb brengt mee dat een gelijktijdige behandeling of nagenoeg gelijktijdige behandeling van zaken deze zaken tot samenhangende zaken maakt, indien de werkzaamheden van de rechtsbijstandsverlener in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn. Daarbij is niet vereist dat die nagenoeg identieke werkzaamheden (nagenoeg) gelijktijdig hebben plaatsgevonden (HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439, BNB 2017/109). 5.5.
  108. In de onderhavige zaken is de wijze van procesvoering en daarmee de daarbij behorende werkzaamheden van de gemachtigde, in elk van de zaken nagenoeg identiek geweest. De Rechtbank heeft derhalve terecht de onderhavige zaken voor de bepaling van de hoogte van de proceskostenvergoeding als samenhangend aangemerkt en de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase juist vastgesteld. Anders dan belanghebbende stelt, leidt het feit dat ten tijde van het indienen van het bezwaar ter zake van de naheffingsaanslag van auto 3 de naheffingsaanslag ter zake van auto 1 nog niet was opgelegd niet tot een ander oordeel. Proceskostenvergoeding beroepsfase 5.
  109. Belanghebbende stelt zich, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, BNB 2024/21, op het standpunt dat zij recht heeft op een aanvullende proceskostenvergoeding voor beroep van € 218,
  110. Immers, aldus belanghebbende, dient aan het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade afzonderlijk een punt te worden toegekend met een wegingsfactor 0,
  111. Die stelling berust op een onjuiste lezing van het arrest. De omstandigheid dat bij een ongegrond (hoger) beroep of beroep in cassatie aanleiding is toch een proceskostenvergoeding toe te kennen bij een honorering van een verzoek om vergoeding van immateriële schade zorgt ervoor dat daarvoor een punt moet worden toegekend, maar sinds voornoemd arrest met een wegingsfactor 0,25 (en zulks in afwijking van het arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.1, BNB 2016/140). Daaruit volgt niet dat bij een gegrond (hoger) beroep of beroep in cassatie waarbij belanghebbende in het gelijk wordt gesteld een extra punt wordt toegekend met een wegingsfactor 0,25 bij honorering van een bijkomend verzoek om vergoeding van immateriële schade. Het verzoek om een vergoeding van immateriële schade gaat dan op in de proceshandeling ‘beroep/verweerschrift’. Kosten voor het opvragen van koerslijsten 5.7.
  112. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van € 278,60 exclusief btw vanwege het in de hoger beroepsfase opvragen van een viertal (nieuwe) koerslijsten, als vallend onder artikel 1 van het Bpb (schriftelijk bericht van een deskundige). Daartoe heeft belanghebbende een factuur van 30 september 2024 overgelegd. De Inspecteur heeft verklaard dit standpunt te delen. 5.7.
  113. Nu het hoger beroep ongegrond is, bestaat geen recht op vergoeding van de kosten. Ten overvloede merkt het Hof op dat dergelijke kosten niet zijn opgenomen in het Bpb en niet kunnen worden aangemerkt als deskundigenkosten in de zin van artikel 1, onderdeel b, van het Bpb. Overschrijding redelijke termijn 5.8.
  114. Belanghebbende stelt dat de immateriële schadevergoeding onjuist is vastgesteld. Volgens belanghebbende dient de immateriële schadevergoeding te worden vastgesteld op € 1.
  115. 5.8.
  116. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de Inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140). Anders dan belanghebbende stelt, dient de datum waarop de rechter uitspraak doet in aanmerking te worden genomen en niet de datum waarop de uitspraak aan partijen is verzonden. 5.8.
  117. Het bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 26 april
  118. De Inspecteur heeft op 18 oktober 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De Rechtbank heeft op 25 oktober 2024 uitspraak gedaan. 5.8.
  119. Op grond van het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat de redelijke termijn met afgerond 6 maanden is overschreden. Als regel heeft te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan zes maanden overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan achttien maanden in beslag neemt. Gelet hierop is de overschrijding van de redelijke termijn volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase. De redelijke termijn is met zes maanden overschreden. De Rechtbank heeft derhalve terecht een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende toegekend van € 500, te vergoeden door de Inspecteur. Slotsom 5.
  120. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten
  121. Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, H.A.J. Kroon, T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. De griffier, de voorzitter, T.S.K.L. Tjon W. de Wit De beslissing is op 26 juni 2025 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.