GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/659 Uitspraak van 17 juli 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 13 juni 2024, nummer SGR 23/
- Procesverloop 1.
- Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag opgelegd van € 75,40, bestaande uit € 2,50 aan parkeerbelasting en € 72,90 aan kosten van de naheffingsaanslag (de naheffingsaanslag). 1.
- Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van €
- De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van €
- De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. 1.
- De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 3 juli
- De Heffingsambtenaar is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.
- Op 8 maart 2023 omstreeks 15.38 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd ter hoogte van [adres] te [woonplaats] . Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning kan worden geparkeerd. 2.
- Tijdens een controle op 8 maart 2023 is met een scanauto om 15.38 uur geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan of met een geldige parkeervergunning was geparkeerd. Naar aanleiding hiervan is aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd. 2.
- Tot de gedingstukken behoort een rekeningafschrift van de voormalige gemachtigde van belanghebbende waarin onder meer het volgende staat vermeld: “Rente datum Naam/omschrijving Bedrag af (debet) Bedrag bij (credit) 08-03 P-DEN HAAG […] ’S-GRAVENHAGE Betaalautomaat 14:45 pasnr. 051 Verwerkingsdatum 08-03-2023 1,70 (…) 08-03 Correctie P-DEN HAAG […] ’S-GRAVENHAGE Betaalautomaat 14:45 pasnr. 051 Verwerkingsdatum 09-03-2023” 1,70 2.
- Bij brief van 17 mei 2025 schrijft de zoon van belanghebbende onder meer het volgende aan het Hof: “Daar [A] is overleden en mijn moeder aan zware Alzheimer lijdt en ik, haar jongste zoon [B] , zeer beperkte toegang tot de feiten van deze aangelegenheid heb, schrijf ik u in deze aangelegenheid, dat ik vind dat de vermeende overtreding buiten proporties wordt vervolgd.” Oordeel van de Rechtbank
- De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder: “
- Naheffing van parkeerbelasting is alleen mogelijk als de belasting die moet worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, waardoor te weinig belasting is geheven (artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).[1] De bewijslast om aannemelijk te maken dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan, rust in eerste instantie op verweerder. Eiseres kan tegenbewijs leveren.
- De rechtbank acht de toelichting van verweerder over de mislukte betaaltransactie en de reservering van het bedrag van € 1,70 op de bankrekening van eiseres, geloofwaardig. Er is daarmee geen sprake geweest van een betaling van parkeerbelasting, en de naheffingsaanslag is terecht opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd hierop voldoende tegenbewijs te leveren. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat zij tijdens en vlak na de transactie erop mocht vertrouwen dat de parkeerbelasting was voldaan, zoals een kwitantie waaruit betaling bleek of een bepaalde melding op de display van de parkeerautomaat. Eiseres was er simpelweg van uit gegaan dat zij betaald had. Dat eiseres de intentie had te betalen, neemt echter niet weg dat aan de eisen voor het opleggen van een naheffingsaanslag is voldaan. Hiervoor is geen opzet vereist.
- Voor zover eiseres verzoekt om coulance, is dit niet aan de rechtbank. De toepassing van de hardheidsclausule is een discretionaire bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders, die niet door de rechtbank kan worden getoetst. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het geven van coulance is gemandateerd aan de directeur gemeentebelastingen, en dat de heffingsambtenaar bijzondere situaties aan de directeur gemeentebelastingen kan voorleggen. De situatie van eiseres kwam hiervoor niet in aanmerking.
- Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. (…) [1] Hoge Raad 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1593.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.
- In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. 4.
- Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. 4.
- De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep 5.
- Ten tijde van het parkeren was de heffing van parkeerbelasting in de gemeente Den Haag gereguleerd in de gemeentelijke Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2022 (de Verordening). Belanghebbende heeft niet betwist dat de auto op 8 maart 2023 omstreeks 15.38 stond geparkeerd aan het [adres] te [woonplaats] . 5.
- Belanghebbende stelt dat zij parkeerbelasting heeft voldaan dan wel getracht heeft parkeerbelasting te voldoen. De Heffingsambtenaar betwist dat belanghebbende parkeerbelasting heeft voldaan. 5.
- Volgens artikel 1:1 van de Verordening wordt, voor zover hier van belang, onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet. 5.
- Het Hof stelt voorop dat de Heffingsambtenaar de bewijslast heeft dat belanghebbende op de locatie heeft geparkeerd zonder dat de daarvoor verschuldigde belasting is voldaan en dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. 5.
- De Heffingsambtenaar heeft niet dan wel onvoldoende weersproken dat de (poging tot de) parkeeractie door belanghebbende zelf is verricht. De verklaring van de zoon van belanghebbende dat de voormalige gemachtigde van belanghebbende, de heer [A] , de zaak wellicht heeft veroorzaakt, hoeft niet noodzakelijkerwijs zo te worden begrepen dat de heer [A] de parkeeractie heeft gepleegd. Vast staat dat belanghebbende de bedoeling heeft gehad om parkeerbelasting te voldoen en daarmee een begin heeft gemaakt. Bij de poging tot het voldoen van de parkeerbelasting is kennelijk iets misgegaan, waardoor de parkeerbelasting uiteindelijk niet is voldaan. 5.
- Gelet op de verklaring van de zoon van belanghebbende acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende ook ten tijde van het parkeren aan Alzheimer leed en dat zij om die reden niet voldoende in staat was om te constateren dat de parkeeractie niet was gelukt en de parkeerbelasting als gevolg daarvan niet is voldaan. Het Hof ziet daarbij geen reden om aan de juistheid van de verklaring van de zoon van belanghebbende te twijfelen. In de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval, waaronder begrepen de specifieke medische toestand van belanghebbende ten tijde van het parkeren, dat belanghebbende een begin heeft gemaakt om parkeerbelasting te voldoen en dat zij niet in staat was te beseffen dat er technisch iets is misgegaan, acht het Hof de kosten ten bedrage van € 72,90 welke zijn begrepen in de naheffingsaanslag zodanig onevenredig dat deze niet in stand kunnen blijven. Hierbij komt dat de heer [A] die ter plekke aanwezig was ten tijde van de parkeeractie, is overleden, zodat niemand meer (namens belanghebbende) uitleg kan geven wat precies heeft plaatsgevonden. Belanghebbende is, met andere woorden, in bewijsnood gekomen. Wel dient belanghebbende de parkeerbelasting van € 2,50 alsnog te voldoen. 5.
- Bij het voorgaande neemt het Hof nog het volgende in aanmerking. Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar desgevraagd nog voorbeelden gegeven van gevallen waarin hij volgens bestaand beleid coulance betracht bij naheffingsaanslagen parkeerbelasting en deze niet handhaaft. Bijvoorbeeld noemde de Heffingsambtenaar een geval waarin sprake was van twintig naheffingsaanslagen die zijn vernietigd, omdat de belastingplichtige zich in een zodanige psychische toestand bevond dat hij niet in staat was om zijn bed uit te komen. Dit geval vertoont, naar het oordeel van het Hof, zoveel gelijkenis met het thans aan de orde zijnde geval dat de weigering van de Heffingsambtenaar de door belanghebbende verzochte coulance te betrachten getuigt van willekeur. Daaraan doet niet af dat in het door de Heffingsambtenaar genoemde geval de toestand van de belastingplichtige was onderbouwd met een medisch rapport, nu het Hof aannemelijk acht dat belanghebbende ten tijde van de parkeeractie door een geestelijke ziekte (Alzheimer) evenmin in staat was om op correcte wijze de verschuldigde parkeerbelasting op aangifte te voldoen. Aldus heeft de Heffingsambtenaar het verzoek om coulance zonder goede grond en dus willekeurig geweigerd. Slotsom 5.
- Het hoger beroep is gegrond. Proceskosten en griffierecht 6.
- Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken. 6.
- Wel dient de Heffingsambtenaar het in beroep (€ 50) en hoger beroep (€ 138) betaalde griffierecht van in totaal € 188 aan belanghebbende te vergoeden. Beslissing Het Gerechtshof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de naheffingsaanslag tot € 2,50; en draagt de Heffingsambtenaar op het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 188 aan belanghebbende te vergoeden. Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, Chr.Th.P.M. Zandhuis en A. van Dongen, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. De griffier, de voorzitter, T.S.K.L. Tjon H.A.J. Kroon De beslissing is op 17 juli 2025 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.