Rolnummer: 22-000017-22 Parketnummer: 10-751151-20 Datum uitspraak: 21 oktober 2025 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2021 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], BRP-adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat: zij op of 22 september 2020, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, één of meerdere voorwerpen, te weten: - contante geldbedragen ad in totaal Eur 20.055,- (bed) en/of - contante geldbedragen ad in totaal Eur 229.170,- (kluis) en/of - contante geldbedragen ad in totaal Eur 50.000,- (vuilniszak); voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit enig en/of enig eigen misdrijf. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 180 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van twee jaren. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee – wat de motivering betreft - niet verenigt. Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe het volgende. Aan de verdachte is, kort gezegd, tenlastegelegd dat zij op 22 september 2020 – de dag van de doorzoeking van de woning van haar en haar echtgenoot medeverdachte [medeverdachte] – al dan niet tezamen met die [medeverdachte] geldbedragen voorhanden heeft gehad terwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf. De tenlastelegging is toegesneden op drie, telkens nader geduid met de vindplaats, genoemde bedragen: - “Eur 20.055,- (bed)” - “Eur 229.170,-(kluis)” - “Eur 50.000,- (vuilniszak)” De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van witwassen van het geldbedrag van € 229.170,- en tot vrijspraak van het witwassen van de overige twee bedragen. De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit, omdat geen van de geldbedragen uit misdrijf afkomstig zou zijn. Met de advocaat-generaal en de verdediging en in het licht van de omvang van het debat ter terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het witwassen van de geldbedragen “Eur 20.055,- (bed)” en “Eur 50.000,- (vuilniszak)”. Het hof zal de verdachte zonder nadere motivering van die onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken. Het hof zal de verdachte ook vrijspreken van het geldbedrag “Eur 229.170,- (kluis)”. Daartoe wordt het volgende overwogen. Overweging vrijspraak geldbedrag van € 229.170,- (kluis) Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte en [medeverdachte] op 22 september 2020 heeft de politie een huurcontract op naam van de verdachte aangetroffen, welk contract zag op de huur van een kluis bij “[bedrijf]” in [plaats], alsmede een bijbehorende kluissleutel. In die kluis is later die dag een bedrag van in totaal € 229.170,- aan contant geld aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag aan haar toebehoort. Met betrekking tot dat geldbedrag kan geen rechtstreeks verband worden gelegd met een bepaald (al dan niet door de verdachte gepleegd) misdrijf. Onder omstandigheden kan er ook bij het ontbreken van een dergelijk verband desalniettemin sprake zijn van witwassen, zo volgt uit vaste jurisprudentie, waarbij het navolgende toetsingskader geldt: “Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” (als bedoeld in artikel 420bis en volgende van het Wetboek van Strafrecht), kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.” (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.) Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de feiten en omstandigheden zoals die naar voren komen uit het proces-verbaal van politie in deze zaak, het vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat genoemd geldbedrag geheel dan wel gedeeltelijk uit enig misdrijf afkomstig is. Daarbij heeft het hof betrokken:- dat de verdachte, die heeft verklaard dat het geld in de kluis haar geld is, ten tijde van de doorzoeking in de Ziektewet zat en uit dien hoofde naar haar eigen zeggen een uitkering genoot van ongeveer € 1.200,- per maand, dat zij en [medeverdachte] met hun vier minderjarige kinderen konden rondkomen van die uitkering en dat [medeverdachte] geen bankrekening had;- dat [medeverdachte] heeft verklaard dat hij huisvader is en dat hij “geen idee” heeft waarvan ze als gezin per maand moeten rondkomen; - dat het om een omvangrijk geldbedrag in contanten gaat; - dat het geldbedrag is samengesteld uit onder meer de volgende bankbiljetten: 112 x € 500,-, 448 x € 200,- en 457 x € 100,-; - dat de verdachte, toen zij op 22 september 2020 bij haar woning aankwam en kennis kreeg van de doorzoeking daarvan, naar de kluis in [plaats] is gereden om daar, zoals zij aan de balie heeft medegedeeld, geld op te halen voor een vakantie;- dat de doorzoeking plaatsvond in het kader van een verdenking van betrokkenheid van [medeverdachte] bij het plegen van voorbereidingshandelingen in het kader van art. 10a van de Opiumwet. De verdachte heeft ten overstaan van de politie over de herkomst van het geldbedrag verklaard dat het gehele geldbedrag dat is aangetroffen in de kluis, door haar is gespaard ten behoeve van de toekomst van haar kinderen. Zij heeft daartoe naar eigen zeggen over een periode van 2004 tot en met 2020 een zeer bescheiden en spaarzaam leven met haar gezin geleid en steeds geldbedragen opgenomen van haar bankrekeningen en in de kluis bewaard. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij een overzicht van contante opnames van haar bankrekeningen opgesteld en aan de politie ter hand gesteld. Voorts heeft zij verklaard dat zij reeds vóór 2004 – de aanvang van het financieel onderzoek - al over spaargeld beschikte. De verdachte heeft aldus een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven dat het geldbedrag in de kluis niet van misdrijf afkomstig is. Naar aanleiding van deze verklaring is door de opsporingsautoriteiten uitgebreid onderzoek gedaan. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het proces-verbaal ‘Ravigotte’. In het kader van het onderzoek zijn de financiën van de verdachte in kaart gebracht: onder meer is gebleken dat de verdachte bankierde bij de Rabobank en (in mindere mate) bij de ING bank en zijn er bankafschriften gevorderd van de door de verdachte meest gebruikte bankrekening, een rekening bij de Rabobank. Deze afschriften konden, in verband met de wettelijke bewaartermijnen, maar beperkt worden geleverd. Vervolgens heeft de verdachte, naast eerdergenoemd overzicht, zelf aanvullende bankafschriften ten behoeve van het onderzoek ingebracht. Op basis van al de financiële stukken is in onderzoek ‘Ravigotte’ inzicht verkregen in de contante opnames – bestaande uit ‘gepind’ geld en bij de bank besteld geld – tussen 2004 en 2020, met dien verstande dat inzicht in de bankrekening bij de Rabobank over het jaar 2011 ontbreekt, evenals een enkel bankafschrift uit andere jaren in die periode. Op grond van het onderzoek en de door de verdachte en [medeverdachte] afgelegde verklaringen stelt het hof allereerst vast dat - uitgaande van contante opnames minus contante stortingen - de verdachte in genoemde periode 2004-2020 ten minste een bedrag van ongeveer € 250.000,- heeft opgenomen van haar bankrekeningen. Het hof stelt voorts vast dat het aangetroffen bedrag in de kluis het mindere betreft, te weten een bedrag van € 229.170,-, en daarmee niet uitgesloten is dat de herkomst van laatstgenoemd bedrag is gelegen in de contante opnames van de bankrekeningen van de verdachte. Voorts blijkt uit het onderzoek dat de verdachte sinds 2005 een kluis heeft gehuurd, eerst bij banken en later bij “[bedrijf]” in [plaats], hetgeen strookt met de verklaring van de verdachte dat zij al jaren geld bewaarde in een kluis. Daarbij komt dat het bedrag dat op 22 september 2020 in de kluis is aangetroffen, bestaat uit meerdere ‘pakketjes’ met daarin verschillende coupures, in enveloppen/portemonneetjes, die elk optellen tot verschillende totaalbedragen, hetgeen past bij de verklaring van de verdachte dat zij door de jaren heen uiteenlopende geldbedragen heeft opgenomen en gespaard. In dit verband heeft het hof er ook nota van genomen dat zich in de kluis documentatie bevindt, te weten in totaal tien pinbonnen (uit 2005 en de periode 2015-2017, waarvan acht bij de Rabobank en twee bij de ING bank) en twee “ontvangstbevestigingen” van geldbestellingen bij de Rabobank
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.