GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/886 Uitspraak van 25 september 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 september 2024, nummer SGR 22/5107. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd (de naheffingsaanslag). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.062; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 692; - veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 808; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.998; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden; - bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft verweer gevoerd bij nader stuk van 9 mei 2025. Belanghebbende heeft met dagtekening 13 augustus 2025 een pleitnota en met dagtekening 19 augustus 2025 pleitaantekeningen ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 augustus 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Het Hof gaat uit van de volgende door de Rechtbank vastgestelde feiten welke in hoger beroep niet zijn betwist. 2.2. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 7.207 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Audi A3 Sportback 2.5 TFSI RS 3 Quattro (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 14 augustus 2019. De registratie is voltooid op 17 mei 2021. 2.3. Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [naam] (het taxatierapport). Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde vóór schade van € 46.960 en een waardevermindering wegens schade van € 18.610. De historische nieuwprijs heeft hij gesteld op € 100.656, uitgaande van een bruto bpm van € 25.594 (naar het tarief per 1 juli 2020). 2.4. In opdracht van Inspecteur heeft een schouw van de auto plaatsgevonden door de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hiervan is op 20 mei 2021 een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). Volgens het DRZ-rapport bedraagt de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 50.864 op basis van de XRAY-koerslijst voor een margeauto. Het DRZ-rapport gaat uit van schade aan de auto ten bedrage van € 11.725 waarvan € 8.442 (72%) in mindering is gebracht op de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat. 2.5. De Inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ de verschuldigde bpm berekend op € 10.309. Hij is daarbij uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 105.293, waarin een bruto bpm van € 27.663 is begrepen. Bij brief van 2 juni 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij het voornemen heeft om een naheffingsaanslag op te leggen. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken na dagtekening van de brief op dit voornemen te reageren. Belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Daarom is met datum 23 juli 2021 de naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 3.102 (€ 10.309 -/- € 7.207). Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “Vooraf over de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Unierecht 7. De rechtbank stelt voorop zij, anders dan de gemachtigde bepleit, ervan uitgaat dat de oordelen van de Hoge Raad over de bpm in overeenstemming zijn met het Unierecht. De rechtbank zal haar oordelen over de desbetreffende klachten van eiser slechts motiveren indien zij van oordeel is dat de Hoge Raad in strijd met het Unierecht heeft geoordeeld. Voor het overige zal de rechtbank ter motivering van haar beslissingen volstaan met verwijzingen naar de oordelen van de Hoge Raad. Prejudiciële vragen 8. De rechtbank overweegt dat zij niet verplicht is tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Uit de samenhang tussen de tweede en derde alinea van die bepaling moet worden afgeleid dat het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) voor een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep (zoals de rechtbank) een bevoegdheid vormt en niet een verplichting. Een andersluidende rechtsopvatting kan ook niet worden gebaseerd op het arrest van het HvJ EU van 10 januari 2006, C-344/04, IATA, ECLI:EU:C:2006:10, waarop eiser zich heeft beroepen, aangezien de aldaar bedoelde verwijzingsplicht slechts geldt indien de geldigheid van een handeling van een instelling, orgaan of instantie van de Unie in het geding is. Dat is thans niet aan de orde. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen. Naheffen na belastbaar feit 9. Eiser stelt zich op het standpunt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het VWEU, omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan verweerder op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Ook dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting ter zake van die registratie kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 VWEU.[1] Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel 10. Eiser heeft zich beroepen op een schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel, omdat hij weliswaar in de gelegenheid is gesteld te reageren op het voornemen om na te heffen, maar niet is uitgenodigd om zijn bezwaren daartegen mondeling toe te lichten. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Het in het Unierecht verankerde recht van eenieder om te worden ‘gehoord’ voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, houdt in dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken.[2] Verweerder heeft eiser bij brief van 2 juni 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd. Betalings- en heffingsmodaliteiten 11. Eiser betoogt dat de bpm voor de registratie van de onderhavige auto in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt, omdat de Hoge Raad reeds anders geoordeeld heeft.[3] Voor het rentenadeel dat eiser stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient hij zich te wenden tot de civiele rechter. Gebreken taxatierapport / gebruik forfaitaire tabel 12. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het taxatierapport dusdanige (formele en materiële) gebreken toont dat dit niet kan dienen ter ondersteuning van de door eiser bepleite van belang zijnde waarden (zoals handelsinkoopwaarde en omvang van de schade). Verweerder heeft daarbij gewezen op de volgende gebreken: - Bij de taxatie is de gebruikte koerslijst niet goed ingevuld. Bij CO2 XRAY is 194 gram vermeld (NEDC), en bij CO2 klant 215 gram (WLTP). Er zijn dus twee verschillende meetmethoden naast elkaar gehanteerd. Er is uitgegaan van gewone lak, maar de auto heeft metallic lak. Opties zijn los ingevuld, terwijl dit met pakketten had gemoeten. - De gebruikersschade is vastgesteld aan de hand van een tabel en is dus niet door eigen waarneming van de taxateur vastgesteld en niet door de taxateur zelf beoordeeld. - De inkoopfactuur ontbreekt. - Er is schade aan de turbo opgenomen, die verweerder niet ziet. Hij ziet ook niet dat de auto is hersteld, hij heeft alleen een offerte voor herstel gezien. DRZ is controlemogelijkheid op dit punt ontnomen omdat de auto niet gestart mocht worden. - Er wordt schade aan de velgen genoemd, maar dit betreft zonder nadere motivering typische gebruikersschade. - Zonder motivering is 100% van de herstelkosten in aanmerking genomen in plaats van 72%. Eiser houdt vast aan het taxatierapport. 13. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 8, vierde lid, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2021; de Uitvoeringsregeling), gelezen in verbinding met onderdeel 3.6 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling had de inkoopfactuur of inkoopverklaring van het getaxeerde motorrijtuig bij het taxatierapport moeten worden gevoegd. Dat is niet gebeurd. Verder is in eisers taxatie zonder afdoende motivering en onderbouwing met bewijsmiddelen 100% van het gecalculeerde schadebedrag in aanmerking genomen, zulks in strijd met artikel 8, vierde lid, letter b, van de Uitvoeringsregeling, gelezen in verbinding met onderdeel 3.6 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling. De door verweerder gesignaleerde en door eiser niet weersproken inhoudelijke gebreken van het taxatierapport hebben bovendien tot gevolg dat – zelfs indien het (behoudens tegenbewijs) voorgeschreven percentage van 72% zou zijn gehanteerd – niet ervan kan worden uitgegaan dat de taxatiewaarde de werkelijke waarde weerspiegelt. Deze gebreken lenen zich niet voor herstel binnen redelijke termijn. Alsdan kan het taxatierapport niet als bewijs dienen voor de bepaling van het bedrag van de afschrijving. De wetgever heeft over die situatie opgemerkt dat de inspecteur alsdan overeenkomstig het geldend recht de werkelijke waarde van het voertuig vaststelt.[4] 14. Verweerder heeft bepleit dat gebruik van de taxatiemethode na verwerping van het taxatierapport niet langer mogelijk is, zodat moet worden teruggevallen op – in dit geval – de forfaitaire afschrijvingstabel. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Artikel 10, achtste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vereist bij toepassing van de taxatiemethode dat de taxatiewaarde blijkt uit een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. Dat wijst erop dat verwerping van het taxatierapport moet resulteren in uitsluiting van de taxatiemethode. Dat gevolg zou passen bij de doelstelling van de aangescherpte regels met betrekking tot de taxatiemethode, waarmee is beoogd misbruik van taxatierapporten te bestrijden zonder de Belastingdienst met arbeidsintensief tegenbewijs te belasten.[5] Ook de jurisprudentie van de Hoge Raad bevat aanwijzingen dat indien het taxatierapport niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden, de vermindering moet worden bepaald aan de hand van een andere methode dan de taxatiemethode.[6] Daar staat tegenover dat in gevallen als het onderhavige, waarin DRZ het motorrijtuig in kwestie heeft onderzocht en daarvan een rapport ‘Onderzoek waardebepaling’ heeft opgemaakt dat aan de naheffingsaanslag ten grondslag is gelegd, aan de inspecteur en de rechter gegevens ter beschikking staan aan de hand waarvan de werkelijke waarde van het motorrijtuig in kwestie kan worden vastgesteld. Zolang niet is gebleken dat het rapport van DRZ daartoe ongeschikt is, zou het in zodanige gevallen in strijd komen met artikel 110 van het VWEU om bij de bepaling van de vermindering niettemin uit te gaan van een hogere waarde op grond van de koerslijstmethode of de forfaitaire afschrijvingstabel. Schade en veranderingen aan auto voor registratie 15. Eiser stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat de bevindingen van DRZ met betrekking tot de schade aan de auto geen grondslag kunnen vormen voor de correctie van de verschuldigde bpm. Aan die stelling ligt het betoog ten grondslag dat in de wet niet is vastgelegd dat de auto in ongewijzigde staat moet blijven tussen de taxatie en de aangifte en dat de schade tussentijds kan zijn hersteld, dat dit een leemte is in de wet en aldus niet is voldaan aan het rechtszekerheidsbeginsel, dat dus uit niets blijkt dat de auto op het moment van de schouw door DRZ in dezelfde staat verkeert als op het moment van de fysieke opname door de taxateur en dat eventuele afwijkingen in de staat van de auto belastingplichtigen niet kunnen worden tegengeworpen nu niet is voldaan aan het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank volgt deze zienswijze niet. Het betoog van eiser ziet eraan voorbij dat (in gevallen als het onderhavige, waarin aangifte is gedaan vóór 1 januari 2022) het bedrag van de verschuldigde bpm moet worden bepaald aan de hand van de heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop het voorgenomen belastbare feit zal plaatsvinden, dat wil zeggen naar de verwachte staat waarin het motorrijtuig verkeert op het tijdstip van afronding van de registratie dan wel van de aanvang van het gebruik van de weg.[7] Met schade die vóór de registratie is hersteld, kan bij de waardebepaling daarom in beginsel geen rekening worden gehouden. Dat is slechts anders indien sprake is van een schadeverleden dat heeft geleid tot een blijvende waardevermindering van de auto. Eiser heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat dit hier het geval is, zodat er geen aanleiding bestaat de bevindingen van DRZ buiten beschouwing te laten, nog daargelaten het antwoord op de vraag of eiser daar belang bij zou hebben na de verwerping van het taxatierapport. Onafhankelijkheid DRZ 16. Eiser heeft gesteld dat DRZ geen onafhankelijke deskundige is en het DRZ-rapport daarom niet gebruikt kan worden bij de waardebepaling van de auto. De rechtbank verwerpt deze klacht. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling staat daaraan niet in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels, waaronder het arrest van het HvJ EU van 3 oktober 2019, C-285/18, Irgita, ECLI:EU:C:2019:829, leidt evenmin tot een ander oordeel. De taxateur/beoordelaar van DRZ is in deze procedure te beschouwen als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is verzocht een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de deskundigheid of onafhankelijkheid van de taxateur/beoordelaar.[8] Voor zover eiser daar al belang bij zou hebben, volgt de rechtbank hem ook niet in zijn stelling dat het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid is geschonden doordat eiser wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een deskundige voor wie tal van voorwaarden gelden, terwijl die voorwaarden niet gelden voor de taxateur/beoordelaar van DRZ. 72% van de schade 17. Ook de stelling dat niet 72%, maar 100% van de door DRZ vastgestelde reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht, kan niet leiden tot een gegrond beroep. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt verwoord in artikel 8, vierde lid, letter b, en bijlage I, van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken.[9] Een waardevermindering door schade is een zodanig feit. Eiser dient dus tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat die schade meer bedraagt dan het bedrag dat DRZ heeft vastgesteld. Daarin is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is onvoldoende om aan de op hem rustende bewijslast te voldoen. Dat rekening wordt gehouden met 72% van de reparatiekosten hoeft immers niet te betekenen dat ter zake van auto’s afkomstig uit andere lidstaten meer bpm wordt geheven dan het laagste restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds in Nederland geregistreerde voertuigen en eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich in het onderhavige geval voordoet. 18. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de door DRZ gehanteerde reparatietarieven buiten beschouwing te laten. Eiser heeft zijn stelling dat te lage tarieven zijn gehanteerd niet met bewijs onderbouwd. CO2-uitstoot/NEDC1/WLTP/NEDC2 19. Eiser heeft gesteld dat als gevolg van de overgang van de NEDC1-meetmethode naar de WLTP/NEDC2-meetmethode voor te importeren voertuigen met een datum eerste toelating tussen 1 september 2017 en 1 juli 2020 structureel teveel belasting wordt geheven, omdat veel buitenlandse kentekenregisters al vanaf die datum uitgaan van de WLTP/NEDC2-methode voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. Deze meetmethode leidt volgens onderzoeken van KPMG en TNO tot een hogere CO2-uitstoot dan de oude NEDC1-meetmethode en daarmee tot een hogere heffing van bpm. Volgens eiser kan deze discriminatie eenvoudig worden opgeheven door de op basis van de WLTP/NEDC2-methode vastgestelde CO2-uitstoot te verminderen met 7,3 gram (het gemiddelde verschil tussen NEDC1- en NEDC2-uitslagen zoals vastgesteld door KPMG). Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. 20. De door eiser beschreven mogelijkheid van discriminatie is door de Hoge Raad beoordeeld. In dat verband is – kort gezegd en voor zover hier van belang – overwogen dat het gebruik van en de overgang tussen twee verschillende meetmethodes voor de vaststelling van de CO2-uitstoot op zichzelf genomen kan leiden tot strijd met artikel 110 van het VWEU. Een belastingplichtige die zich daarop beroept moet aannemelijk maken (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.