← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2025:2254

GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.316.960/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/600205 / HA ZA 20-667 Arrest van 22 juli 2025 in de zaak van Ruijtenberg Shipyard B.V., voorheen geheten Offshore Ruijtenberg B.V., gevestigd in Raamsdonksveer, appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. J.S. Ort, kantoorhoudend in Alblasserdam, tegen E.O.C. Onderlinge Schepen-verzekering U.A., gevestigd in Meppel, geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. T. Roos, kantoorhoudend in Capelle aan den IJssel. Het hof noemt partijen hierna wederom Ruijtenberg en EOC. 1Het verdere procesverloop in hoger beroep 1.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit het tussenarrest van 28 januari 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:35). Na dat arrest heeft Ruijtenberg laten weten af te zien van het horen van getuigen. Daarop heeft EOC arrest gevraagd. 2De verdere beoordeling in hoger beroep 2.1 Het hof blijft bij hetgeen hij heeft overwogen in het tussenarrest van 28 januari 2025, dat kort samengevat neerkomt op het volgende. Ruijtenberg was verantwoordelijk voor het treffen van veiligheidsvoorzieningen tijdens het werk. Ruijtenberg komt ingeval zij tekortgeschoten is in het treffen van veiligheidsvoorzieningen geen beroep toe op het in haar algemene voorwaarden opgenomen exoneratiebeding, omdat EOC met succes een beroep op de vernietigbaarheid van die voorwaarden heeft gedaan. Onder de op Ruijtenberg rustende verantwoordelijkheid voor het treffen van veiligheidsvoorzieningen viel ook het voorafgaand aan brandgevaarlijke werkzaamheden inseinen van de Roemeense matrozen die in dienst waren van DB Shipping, zodat deze matrozen brandwacht konden houden. EOC heeft voorshands bewezen dat er ten tijde van het uitbreken van de brand geen brandwacht aanwezig was. 2.2 Het hof heeft vervolgens Ruijtenberg toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen deze voorshands bewezen geachte stelling. Ruijtenberg heeft daarop aan het hof laten weten dat zij afziet van het horen van getuigen. Dat betekent dat het tegenbewijs niet is geleverd en dat daarmee vaststaat dat ten tijde van de brand geen brandwachten aanwezig waren. Daarmee staat ook vast dat Ruijtenberg in beginsel aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de brand. 2.3 Het hof heeft wat betreft het beroep van Ruijtenberg op eigen schuld aan de zijde van DB Shipping in het tussenarrest overwogen, dat hiervan alleen sprake kan zijn als de matrozen van DB Shipping die brandwacht moesten houden, wisten dat [naam] op 20 juni 2019 zijn laswerkzaamheden ging hervatten, maar zij het houden van brandwacht desondanks geheel of gedeeltelijk hebben nagelaten. Er is geen (nader) bewijs geleverd en dus is niet is komen vast te staan dat de matrozen op de hoogte waren gesteld van de brandgevaarlijke werkzaamheden waarmee [naam] op de ochtend van de brand begonnen is. Ook heeft Ruijtenberg niets gesteld waaruit zou kunnen volgen dat die matrozen daarvan – anders dan door op de desbetreffende ochtend te worden ingeseind door iemand van Ruijtenberg – op de hoogte konden zijn. Dit betekent dat het beroep op eigen schuld niet opgaat. Het principale hoger beroep van Ruijtenberg slaagt daarom niet. 2.4 Wat het incidentele hoger beroep geldt het volgende. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft EOC in het incidentele appel haar eis gewijzigd door het intrekken van de tweede grief in het incidentele hoger beroep, die betrekking had op het afwijzen van de bedrijfsschade. De eerste grief in het incidentele appel is, zoals het hof in zijn tussenarrest heeft beslist, gegrond. Dit leidt echter niet tot een wijziging van het dictum, en dus niet tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank. 2.5 De conclusie uit dit alles is dat het hof het vonnis – met verbetering van gronden – zal bekrachtigen. 2.6 Het hof zal Ruijtenberg als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principale hoger beroep. Het hof begroot deze proceskosten aan de zijde van EOC op: griffierecht € 5.689.- salaris advocaat € 10.572,- (2 punten × tarief VII) nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 16.439,- 2.7 Wat betreft de kosten van het incidentele hoger beroep geldt het volgende De eerste incidentele grief was weliswaar gegrond, maar het verweer van EOC tegen de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Ruitenberg met de daarin opgenomen exoneratieclausule zou ook in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep aan de orde zijn gekomen. Daarom blijft een proceskostenveroordeling wat betreft de eerste incidentele grief achterwege. Omdat de incidentele grief 2 – waarmee wel een wijziging van het dictum werd nagestreefd – pas ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is ingetrokken, zal het hof EOC veroordelen in de kosten van het incidentele appel maar deze kosten beperken tot een halve punt omdat grief 2 op de mondelinge behandeling verder niet aan de orde is geweest. salaris advocaat € 2.643,- (1/2 punt × tarief VII)nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)Totaal € 2.821,- 2.8 De wettelijke rente over de proceskosten in het incidentele hoger beroep zal worden toegewezen als gevorderd. 3Beslissing Het hof: bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 mei 2022; veroordeelt Ruijtenberg in de kosten van de procedure in het principale hoger beroep, aan de zijde van EOC begroot op € 16.439,-; bepaalt dat als Ruijtenberg niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Ruijtenberg de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-; veroordeelt EOC in de kosten van het incidentele hoger beroep, aan de zijde van Ruijtenberg begroot op € 2.821,- vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Ruijtenberg deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald, en, als dit arrest vervolgens wordt betekend, vermeerderd met de kosten van die betekening, plus extra nakosten van € 92,-; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; wijst af wat in het principaal en incidenteel hoger beroep meer of anders is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mr. D.A. Schreuder, mr. J.M.T van der Hoeven-Oud en mr. L.M. van Bochove en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juli 2025 door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier..

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.