← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2025:2277

GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer: 200.347.142/01 Zaak-/rolnummer rechtbank: C/09/653682 / HA ZA 23-808 Arrest van 27 mei 2025 inzake HBI Management B.V., gevestigd te Rotterdam, appellante, hierna te noemen: HBI, advocaat: mr. H.A. van Hapert te Amsterdam, tegen

  1. Infra Professionals B.V., gevestigd te Rotterdam,
  2. B&I Arbeidsbemiddeling B.V., gevestigd te Rotterdam,
  3. [geïntimeerde 3], wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna te noemen: [geïntimeerden] , advocaat: mr. J.E. Polet te Amsterdam. Het geding Bij exploot van 7 oktober 2024 is HBI in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van de rechtbank Den Haag van 10 juli
  4. Bij rolbeslissing van 29 oktober 2024 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid van HBI in haar hoger beroep. HBI heeft vervolgens een H16-formulier ingediend waarop [geïntimeerden] bij antwoordakte heeft gereageerd. Ten slotte is arrest bepaald. Beoordeling van de ontvankelijkheid Ingevolge artikel 337 lid 1 Rv kan van vonnissen waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, hoger beroep worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen. Ingevolge artikel 337 lid 2 Rv kan van andere tussenvonnissen hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Het tussenvonnis waartegen het onderhavige hoger beroep is gericht, is geen vonnis als bedoeld in artikel 337 lid 1 Rv. Evenmin heeft de rechter anders bepaald als bedoeld in artikel 337 lid 2 Rv. Het tussenvonnis is ook niet aan te merken als een (gedeeltelijk) eindvonnis. De rechtbank heeft in het tussenvonnis HBI toegelaten tot bewijs, de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte en iedere verdere beslissing aangehouden. Het tussenvonnis bevat aldus geen dictum met een beslissing die ten opzichte van (een van) de betrokken partijen is aan te merken als een beslissing waarmee aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt (zie HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 709, ECLI:NL:HR:2003:AI0309, en HR 17 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8325). In het H16-formulier van 11 november 2024 erkent HBI dat het hoger beroep prematuur is. Zij verzoekt vanwege de kosten en om proceseconomische redenen het hoger beroep te plaatsen op de parkeerrol en na verkrijging van het eindvonnis weer voort te procederen. [geïntimeerden] verzet zich tegen het verzoek van HBI. Het verzoek van HBI kan niet worden toegewezen aangezien het procesreglement niet voorziet in een parkeerrol. De slotsom is dat HBI niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep en in de proceskosten moet worden veroordeeld. Beslissing Het hof: - verklaart HBI niet-ontvankelijk in haar hoger beroep; - veroordeelt HBI in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] bepaald op € 2.175,- aan griffierecht, op € 607,- (half punt tarief II) aan salaris voor de advocaat en op € 178,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 92,- indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 92,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen. Dit arrest is gewezen door mrs. J.E.H.M. Pinckaers, C.A. Joustra en J.S. Honée en is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.