GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer gerechtshof: 200.311.208/01 Zaaknummer rechtbank: 8669938 CV EXPL 20-25867 arrest van 18 november 2025 in de zaak van Dexia Nederland B.V., gevestigd in Amsterdam, appellante, hierna aan te duiden als Dexia, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer in Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonende in [woonplaats], geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde], advocaat: mr. J.B. Maliepaard in Rotterdam. 1De procedure in eerste aanleg Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam, van 23 april 2021. 2De procedure in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord met producties; de akte uitlaten producties van Dexia; de akte uitlaten jurisprudentie van [geïntimeerde]; het tussenarrest van 22 november 2022 (gewezen in 39 zaken, waaronder in deze zaak); de regiezitting die heeft plaatsgevonden op 9 december 2022 (in diezelfde 39 zaken, waaronder deze zaak). 2.2. Na de regiezitting zijn in deze zaak geen stukken meer gewisseld tussen partijen. 2.3. Dexia heeft in hoger beroep als productie een memorandum overgelegd. Het hof stelt vast dat deze productie geen bewijsstuk of productie is in de zin van artikel 1.2 aanhef en onder b van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR), maar een uitgebreid processtuk, met een uitvoerige toelichting op de standpunten van Dexia, onder verwijzing naar tal van bijlagen die bij deze productie zijn gevoegd. Voor het indienen van een dergelijk processtuk, naast de memorie die de grieven en de standpunten van Dexia bevat, bestaat geen ruimte. Op dit processtuk wordt daarom geen acht geslagen. Het hof zal daarom ook de reactie op het memorandum buiten beschouwing laten. 2.4. Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De kern van de zaak 3.1. Deze zaak gaat over een effectenleaseovereenkomst, tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via een tussenpersoon (Spaar Select). Dexia heeft bij de totstandkoming daarvan haar waarschuwingsplicht geschonden. In deze procedure gaat het om de vraag of [geïntimeerde] door deze tussenpersoon is geadviseerd. Deze tussenpersoon beschikte niet over de daarvoor vereiste vergunning. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, moet Dexia de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden. 3.2. [geïntimeerde] heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekortgeschoten is tegenover [geïntimeerde] en aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade, op te maken bij staat, en gevorderd dat Dexia wordt veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van al datgene wat [geïntimeerde] aan Dexia heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld en Dexia veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen al hetgeen [geïntimeerde] aan Dexia heeft betaald in het kader van de overeenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, met veroordeling van Dexia in de proceskosten, en heeft het meer of anders gevorderde afgewezen. 4De beoordeling 4.1. Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen. 4.2. Het hof verwijst voor de weergave van de vorderingen van [geïntimeerde] en de grondslagen daarvan, naar wat daarover hiervoor al is overwogen en naar het bestreden vonnis. Deze weergave in het vonnis is in hoger beroep niet bestreden. 4.3. In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde]. 4.4. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd Dexia niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen van Dexia af te wijzen met veroordeling van Dexia in de proceskosten. Waarschuwingsplicht en causaal verband 4.5. Dexia betwist in hoger beroep (dat [geïntimeerde] voldoende heeft gesteld over) het causaal verband tussen het schenden van de waarschuwingsplicht door Dexia en het aangaan van de effectenleaseovereenkomst door [geïntimeerde]. 4.6. Het hof overweegt dat [geïntimeerde] gemotiveerd heeft gesteld dat Dexia bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomst haar waarschuwingsplicht heeft geschonden, die bij een juist handelen van Dexia niet zou zijn gesloten, en dat [geïntimeerde] daardoor schade heeft geleden. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2815) rov. 5.5.3, lag het daarom op de weg van Dexia om haar verweer dat van een dergelijk causaal verband geen sprake is – mede gelet op haar eerdere erkenning dat zij haar waarschuwingsplicht heeft geschonden – voldoende concreet te onderbouwen. Dexia heeft ter onderbouwing van dit verweer geen specifieke feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [geïntimeerde] de effectenleaseovereenkomst ook zou hebben gesloten als voor de risico’s ervan indringend was gewaarschuwd. Gezien het ontbreken van een dergelijke concrete onderbouwing gaat het hof aan dit verweer voorbij. 4.7. Het verweer van Dexia dat [geïntimeerde] op de hoogte was van het restschuldrisico kan niet tot een ander oordeel leiden. De waarschuwingsplicht strekt er immers mede toe om [geïntimeerde], ook al is [geïntimeerde] zich op grond van de door Dexia verschafte informatie bewust van de aan de effectenleaseovereenkomst verbonden risico’s, indringend te waarschuwen tegen het lichtvaardig aangaan daarvan (onder meer voornoemd arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009, rov. 4.10.3.). Verjaring 4.8. Het beroep van Dexia op verjaring van de vorderingen van [geïntimeerde] gaat niet op. De vordering van [geïntimeerde] is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Een dergelijke vordering verjaart na verloop van vijf jaar vanaf het moment waarop [geïntimeerde] daadwerkelijk bekend was geworden met de schade en de aansprakelijke persoon of personen (artikel 3:310 lid 1 BW), in dit geval na beëindiging van de overeenkomst. De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW niet de eis worden gesteld dat daarin een precieze feitelijke en juridische inkleding wordt gegeven waarop het vorderingsrecht zijn grondslag vindt. 4.9. [geïntimeerde] heeft Dexia een (eerste) sommatiebrief gestuurd, binnen vijf jaar na de beëindiging van de effectenleaseovereenkomst. In die sommatiebrief heeft [geïntimeerde] zich onder meer beroepen op artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) en heeft [geïntimeerde] Dexia gesommeerd om alle door [geïntimeerde] onder de effectenleaseovereenkomst betaalde bedragen terug te betalen. Voor Dexia was het daarom duidelijk (althans had het duidelijk moeten zijn) dat [geïntimeerde] hiermee beoogde de verjaring te stuiten van de vordering tot vergoeding van schade die [geïntimeerde] op grond van de effectenleaseovereenkomst had geleden. 4.10. Vervolgens zijn steeds binnen een termijn van vijf jaar door de gemachtigde van [geïntimeerde] meerdere stuitingsbrieven aan Dexia gezonden. Gelet op de WCAM-procedure en de verwijten die in het verzoekschrift d.d. 18 november 2005 waren opgenomen, was het voor Dexia voldoende duidelijk welke verwijten haar werden gemaakt ten aanzien van de door haar aangeboden effectenleaseovereenkomsten (het schenden van de vergunningsplicht door tussenpersonen wordt daar genoemd). Daarmee was het voor Dexia duidelijk welke feiten aanleiding gaven tot het instellen van de vorderingen en op welke juridische grondslagen die vorderingen werden gebaseerd. Gelet op deze context voldeden de brieven aan de vereisten die artikel 3:317 lid 1 BW aan een geldige stuiting stelt. Dit betekent dat met genoemde brieven de verjaring van de vordering van [geïntimeerde] steeds tijdig is gestuit, gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar die op grond van artikel 3:310 lid 1 BW geldt. 4.11. Voor zover Dexia stelt dat de vordering gebaseerd op de schending van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) is verjaard, gaat dit verweer niet op omdat het hier niet gaat om een vordering van [geïntimeerde] gebaseerd op schending van artikel 41 NR 1999. Dit artikel wordt alleen behandeld in het kader van de bij een beroep van Dexia op eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerde] in acht te nemen billijkheidsafweging. Advisering Spaar Select 4.12. Dexia voert aan dat Spaar Select geen vergunningplichtig advies aan [geïntimeerde] heeft gegeven en dat Dexia in elk geval niet wist of behoorde te weten van dergelijke advisering door Spaar Select. 4.13. Tussen partijen staat vast dat de effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en [geïntimeerde] tot stand is gekomen door tussenkomst van Spaar Select die als bemiddelaar optrad. Daarmee is Spaar Select bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst opgetreden als effectenbemiddelaar in de zin van (het destijds geldende) artikel 1b onder 1 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995). Een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling, wordt ook cliëntenremisier genoemd. 4.14. De Hoge Raad heeft geoordeeld (ECLI:NL:HR:2016:2012) dat Nederland in de Wte 1995 gebruik heeft gemaakt van de in Richtlijn 93/22/EEG van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (Richtlijn Beleggingsdiensten) geboden mogelijkheid om strengere regels van toepassing te verklaren. De Wte 1995 moet volgens de Hoge Raad zo worden uitgelegd dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggings- of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Dit is inmiddels vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en het hof ziet in het betoog van Dexia onvoldoende grond om op dit punt anders te oordelen of hierover prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad of het Hof van Justitie van de Europese Unie. 4.15. Spaar Select had geen vergunning zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 Wte 1995, om als effectenbemiddelaar diensten aan te bieden. Het stond Spaar Select als cliëntenremisier niet vrij om zonder vergunning mede op te treden als beleggingsadviseur. Zij kon echter aanspraak maken op de generieke vrijstelling van artikel 12 lid 1 Vrijstellingsregeling Wte 1995 om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling zoals Dexia, die zelf over een vergunning beschikte. De reden van deze vrijstelling was dat de instelling bij wie de cliënt werd aangebracht, zelf al aan toezicht was onderworpen, dan wel daarvan was vrijgesteld. Artikel 41 NR 1999 (en voorheen artikel 25 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995) verbood Dexia om een effectenleaseovereenkomst met een cliënt aan te gaan indien zij wist of behoorde te weten dat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens als financieel adviseur was opgetreden. Deze laatste omstandigheid – het contracteren in weerwil van dit verbod – moet Dexia in een dergelijk geval bij de toepassing van artikel 6:101 BW zwaar worden aangerekend. Bij effectenleaseovereenkomsten die op deze manier tot stand zijn gekomen, is de inhoud van het advies niet meer van belang, evenmin als een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het aan te schaffen product. Dexia had de afnemer immers hoe dan ook moeten weigeren. De billijkheid vereist dan in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de reeds betaalde rente, aflossing en kosten. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de effectenleaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last vormden (Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, en Hoge Raad 12 oktober 2018 ECLI:NL:HR:2018:1935). 4.16. Kortom, voor de beantwoording van de vraag of de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, moet worden beoordeeld of: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.