GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/503 Uitspraak van 19 november 2025 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: E. Staas) en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 maart 2024, nummer SGR 22/941. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij schriftelijke kennisgeving met dagtekening 15 mei 2020 van belanghebbende leges tot een bedrag van € 808.157,34 gevorderd (de aanslag). 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het tegen de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht van € 365 geheven. De Rechtbank heeft als volgt beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder: “De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.149; - veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 851; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 109,50; - veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 109,50; - draagt verweerder op € 182,50 van het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden; - draagt de Staat op € 182,50 van het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 559 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De Heffingsambtenaar heeft op 22 november 2024 positief beslist op het verzoek van belanghebbende van 31 januari 2020 om toekenning van de ‘groene legeskorting’ en heeft in verband hiermee de aanslag ambtshalve verminderd met € 25.000 tot € 783.157,34. 1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 9 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 26 november 2019 een omgevingsvergunning aangevraagd. Daaraan wordt het volgende ontleend: Aanvraaggegevens Aanvraagnummer […] Aanvraagnaam [naam] (…) Projectomschrijving Nieuwbouw woningen met eigen bergingen en gedeelde fietsenstallingen, (casco) commerciële ruimten, gebouwde parkeervoorzieningen, een semi-openbare daktuin alsmede een openbaar hof. 22 woningen met entree en horecafunctie op de begane grond in het [locatie] , dat met hergebruik van de oorspronkelijke staalconstructie nieuw wordt teruggebouwd. 183 woningen (91 in de zgn. […] en 92 in de zgn. […] ) met entrees op de begane grond en commerciële functies in de eerste vier bouwlagen. Opmerking Graag treden wij in nader overleg met de afdeling Vergunning & Handhaving als voor een volledige beoordeling c.q. toetsing nog indieningsbescheiden ontbreken. Gefaseerd Nee Blokkerende elementen weglaten Ja Locatie 1. Kadastraal perceelnummer Burgerlijke gemeente [plaats] Kadastrale gemeente [plaats] Kadastrale sectie […] (…) (…) Kadastraal perceelnummer […] Bouwplannaam [naam] (…) (…) Eventuele toelichting op de locatie Locatie plaatselijk bekend als ' […] '. (…) (…) Bouwen Overig bouwwerk bouwen 1. De bouwwerkzaamheden Het bouwwerk wordt nieuw geplaatst Toelichting Woning bouwen betreft 22 woningen in het [locatie] , 91 woningen in de […] en 92 woningen in de […] , totaal 205 woningen, plus 196 bebouwde parkeerplaatsen (dubbelgebruik met commercieel) en 205 bergingen. (…) (…) 9. Gebruik Waar gebruikt u het bouwwerk en/of het terrein momenteel voor? Overige gebruiksfuncties Geef aan waar u het bouwwerk en/ of terrein momenteel voor gebruikt Het braakliggende terrein wordt momenteel gebruikt als parkeer- en evenemententerrein. Waar gaat u het bouwwerk voor gebruiken? Wonen & overige gebruiksfuncties Wat wordt de gebruiksoppervlakte van de woning in m2 na uitvoering van de bouwwerkzaamheden? 13981 Wat wordt de vloeroppervlakte van het verblijfsgebied van de woning in m2 na uitvoering van de bouwwerkzaamheden? 7690 Geef aan waar u het bouwwerk voor gaat gebruiken. De 205 woningen worden na realisatie opgeleverd aan een belegger, die de woningen (62 sociaal) gaat verhuren. (…) Bijlagen (…) Kosten Wat zijn de geschatte kosten voor het totale project in euro’s exclusief BTW € 40.000.000 2.2. In de aanslag is de Heffingsambtenaar uitgegaan van de door belanghebbende geschatte bouwkosten exclusief BTW van € 40.000.000. De aanslag houdt verder, voor zover van belang, het volgende in: Onderdeel tarieventabel verordening Omschrijving Heffings- grondslag Tarief Bedrag 2.3.3 Omgevingsvergunning buitenplanse afwijking met bouwactiviteit […] (*) € 40.000.000 1,890% € 8.000,00 2.1.1.2 Omgevingsvergunning Bouwactiviteit […] : (*) € 40.000.000 3,190% € 799.894,79 2.6.1 Omgevingsvergunning maken, hebben, veranderen, veranderen gebruik uitweg/inrit Bouwactiviteit […] : (*) 1 € 262,55 € 262,55 (*) Bouwactiviteit […] is in de aanslag omschreven als: Het bouwen van 205 woningen met bergingen en gedeelde fietsenstallingen, 612 m2 horeca, 4.243 m2 kantoren, parkeergarage (196 parkeerplaatsen) en een daktuin ter plaatse van [straat 1] ongenummerd hoek [straat 2] ongenummerd ( [naam] ) 2.3. In de bezwaarfase heeft de Heffingsambtenaar op verzoek aan belanghebbende de volgende stukken verstrekt: een gespecificeerd overzicht van de baten- en lastentoerekening ten behoeve van de Legsverordening omgevingsvergunning 2013 gebaseerd op de basisbegrotingen voor de kalenderjaren 2017, 2018 en 2019; de projectenlijsten grote bouwplannen bouwsom meer dan € 1.000.000,00 voor de basisbegrotingen 2017, 2018 en 2019; en de publicatie van de Legesverordening omgevingsvergunning 2013 voor het kalenderjaar 2019 waarop de aanslag is gebaseerd. Tevens heeft de Heffingsambtenaar gemeld dat de gemeentelijke begrotingen voor de jaren 2017, 2018 en 2019 op de website van de gemeente te vinden zijn, onder vermelding van de zogenoemde RIS-nummers (RaadsInformatieSysteem). 2.4. In de uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het volgende overzicht van de begrote baten en lasten voor de leges voor het jaar 2019 gegeven: Ook heeft de Heffingsambtenaar met betrekking tot de raming van de baten de volgende twee tabellen weergegeven in de uitspraak op bezwaar: 2.5. In de uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar vermeld dat de aftrekpost in verband met de 5%-tariefsverlaging bij nader inzien € 108.000 te hoog is ingeschat, omdat deze ten onrechte ook is berekend over grote bouwplannen waarvoor het maximumtarief van € 1.000.000 geldt. 2.6. In beroep heeft de Heffingsambtenaar hieraan nog een tabel van de geraamde baten toegevoegd met een nadere uitsplitsing in grote en kleine bouwplannen en een weergave van de vermindering van de geraamde baten wegens diverse maatregelen: 2.7. In beroep heeft de Heffingsambtenaar toegelicht dat in de raming van de baten de aftrekpost wegens wijziging van de heffingsmaatstaf van ‘bouwsom inclusief BTW’ naar ‘bouwsom exclusief BTW’ bij nader inzien € 200.000 te hoog is ingeschat, omdat ten onrechte niet is gerekend met 21% BTW. De Heffingsambtenaar heeft in verband met deze correctie en de eerdere correctie van de aftrekpost voor de 5%-tariefsverlaging de volgende gecorrigeerde begroting van baten en lasten overgelegd: 2.8. In beroep heeft de Heffingsambtenaar een overzicht overgelegd van de geraamde en gerealiseerde legesopbrengsten in de jaren 2013-2023: Verordening, tarieventabel en Regeling vermindering leges voor duurzame bouwplannen 3.1. De raad van de gemeente Den Haag heeft in zijn openbare vergadering van 22 november 2012 de Legesverordening omgevingsvergunning 2013 vastgesteld (de Verordening). Bij de Verordening behoort een tarieventabel. De Verordening is in werking getreden op 1 januari 2013. Daarna is de bij de Verordening behorende tarieventabel jaarlijks gewijzigd. De voor het jaar 2019 geldende tarieventabel is door de raad van de gemeente Den Haag vastgesteld in zijn openbare vergadering van 8 november 2018 (de Tarieventabel). De Tarieventabel is in werking getreden op 1 januari 2019. 3.2. In de Verordening is onder meer bepaald: “Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam “leges” worden rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel 3 Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of handelingen zijn verricht. (…) Artikel 5 Tarieven De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met in achtneming van het overigens in dit artikel bepaalde. (…) Artikel 6 Wijze van heffing en bekendmaking 1. De leges worden geheven bij wege van schriftelijke kennisgeving (…) 2. Het gevorderde bedrag wordt aan de belastingschuldige bekend gemaakt door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving. Artikel 7 Tijdstip van ontstaan van de belastingschuld en termijnen van betaling De leges zijn verschuldigd bij het aanvragen van een in deze verordening omschreven dienst. (…)” 3.3. In de Tarieventabel 2019 is onder meer bepaald: “Afdeling 1 Begripsomschrijvingen Art. Omschrijving 1.1 Voor de toepassing van deze tarieventabel wordt verstaan onder: 1.1.1 bouwkosten: Het bedrag waarvoor de aannemer zich heeft verbonden het werk tot stand te brengen (de aannemingssom, exclusief omzetbelasting) of voor zover deze ontbreekt, een raming van kosten exclusief omzetbelasting die voortvloeien uit de aangegane verplichtingen voor de fysieke realisatie (het bouwen) van de bouwwerken. Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in dit hoofdstuk onder bouwkosten verstaan: de prijs exclusief omzetbelasting die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft. (…) (…) (…) Afdeling 2 Omgevingsvergunning Art. Omschrijving tarief 2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven overeenkomstig het bepaalde in afdeling 2. (…) 2.1 Bouwactiviteiten 2.1.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief: 2.1.1.1 indien de bouwkosten € 250.000,- of minder bedragen van de bouwkosten van het uit te voeren bouwwerk, berekend over elk geheel bedrag van € 50,00 (…) 1,0% 2.1.1.2 indien de bouwkosten meer dan € 250.000,- bedragen van de bouwkosten van het uit te voeren bouwwerk, berekend over elk geheel bedrag van € 50,00 (…) 3,19% en een maximum van € 1.000.000 2.1.2 Indien na gereed melding door het college is vastgesteld dat gebouwd is conform de “Regeling vermindering leges voor duurzame bouwplannen 2018”, raadsbesluit van 2 november 2017, (hierna: de Regeling), wordt het op grond van de onderdelen 2.1 t/m 2.1.1.2 van deze tarieventabel verschuldigde legesbedrag als volgt verminderd: 2.1.2.1. Indien gebouwd is conform het bepaalde in artikel 2 van de Regeling, wordt het verschuldigde legesbedrag verminderd met 75% met een maximum van € 25.000 per aanvraag. 2.1.2.2. Indien gebouwd is conform het bepaalde in artikel 3 van de Regeling, wordt het verschuldigde legesbedrag verminderd met 100% met een maximum van € 25.000 per aanvraag (…) (…) (…) 2.3 Planologisch strijdig gebruik waarbij tevens sprake is van een bouwactiviteit Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en tevens sprake is van een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.1: (…) (…) (…) 2.3.3 indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo van toepassing is (buitenplanse afwijking) 1,89% van de bouwkosten als bedoeld in onderdeel 2.1.1, met een maximum van € 8.000 (…) (…) (…) 2.6 Uitweg/inrit 2.6.1 Indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op het maken, hebben, veranderen of veranderen van het gebruik van een uitweg waarvoor op grond van artikel 2.12 van de APV een vergunning of ontheffing is vereist, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, bedraagt het tarief: € 262,55 (…) (…) (…) (…)” 3.4. De raad van de gemeente Den Haag heeft in zijn openbare vergadering van 2 november 2017 de Regeling vermindering leges voor duurzame bouwplannen Den Haag 2018 (Regeling vermindering leges) vastgesteld. Hierin is opgenomen: “Artikel 2 Nieuwbouw Indien door het college is vastgesteld dat een omgevingsvergunning is uitgevoerd met een duurzaamheidsniveau van minimaal GPR 8 voor alle thema's, behalve toekomstwaarde: daarvoor minimaal 7,5, wordt het verschuldigde legesbedrag voor de activiteit bouwen verminderd met 75%, tot een maximum van €25.000,- per project. In GPR wordt de gecombineerde berekeningswijze voor energie en milieu toegepast. Artikel 3 Nieuwbouw, extra duurzaam Indien door het college is vastgesteld dat een omgevingsvergunning is uitgevoerd met een duurzaamheidsniveau van minimaal 8,5 GPR voor alle thema’s, behalve toekomstwaarde, daarvoor minimaal 8, wordt het verschuldigde legesbedrag voor de activiteit bouwen verminderd met 100%, tot een maximum van €25.000,- per project. In GPR wordt de gecombineerde berekeningswijze voor energie en milieu toegepast.” Oordeel van de Rechtbank 4. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder: “Opbrengstnorm 15. Artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet luidt: “In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, worden geheven, worden de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.” 16. Onder meer in zijn arresten van 24 april 2009,[2] 4 april 2014,[3] en 18 april 2014[4] heeft de Hoge Raad een aantal regels inzake de stelplicht en bewijslast geformuleerd die in acht moeten worden genomen bij de beoordeling van een geschil over de overschrijding van de opbrengstlimiet. Als eiseres aan de orde stelt dat de tarieven in de Tarieventabel zodanig zijn vastgesteld dat de geraamde baten de geraamde kosten hebben overschreden, dient verweerder inzicht te verschaffen in de betreffende ramingen (de eerste stap). Verder moet verweerder, voor zover eiseres gemotiveerd in twijfel trekt of bepaalde baten op de juiste bedragen zijn geraamd dan wel of bepaalde kosten (volledig) als lasten ter zake in aanmerking kunnen worden genomen, daarover nadere inlichtingen verstrekken, teneinde - naar vermogen - deze twijfel weg te nemen (de tweede stap). 17. In de eerste stap moet verweerder (slechts) inzichtelijk maken op welke wijze de baten en de kosten zijn geraamd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de kostenonderbouwing, de projectenlijst van grote bouwplannen en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, inzichtelijk gemaakt op welke wijze de baten en de kosten zijn geraamd. Ook heeft verweerder inzichtelijk gemaakt dat de vaststelling van de legestarieven voor 2019 berust op ramingen van de baten en de lasten in de gemeentebegroting voor dat jaar, dan wel op gegevens die op de geraamde baten en lasten in de begroting voor dat jaar zijn terug te voeren. Dat verweerder in de loop van onderhavige procedure enkele cijfers in de ramingen heeft gecorrigeerd, onderscheidenlijk nader heeft gespecificeerd, maakt niet dat hij onvoldoende inzicht in die ramingen heeft verschaft. 18. Eiseres heeft ten aanzien van de door haar aan de orde gestelde baten en kosten voldoende gemotiveerd in twijfel getrokken of de betreffende baten op de juiste bedragen zijn geraamd en of de betreffende kosten (volledig) als lasten ter zake in aanmerking kunnen worden genomen. In de tweede stap dient verweerder over de door eiseres in twijfel getrokken ramingen van baten en kosten nadere inlichtingen te verstrekken teneinde deze twijfels - naar vermogen - weg te nemen. Van verweerder kan daarbij niet worden verlangd dat hij bewijst dat de twijfels van eiseres ongegrond zijn; op verweerder rust een inspanningsverplichting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door hem verstrekte, uitvoerige informatie met betrekking tot de verschillende posten in de ramingen en de ramingssystematiek in het algemeen, die is samengevat onder 12, aan deze inspanningsverplichting voldaan. 19. Voor zover eiseres heeft willen stellen dat de feitelijke gegevens die in de door verweerder verstrekte informatie zijn begrepen, onjuist of onvolledig zijn, volgt de rechtbank haar daarin niet. Eiseres draagt in dat verband de bewijslast. Eiseres heeft kritische kanttekeningen geplaatst bij de door verweerder verstrekte informatie, maar niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke gegevens die in die informatie zijn begrepen, onjuist of onvolledig zijn. 20. Ten slotte dient de rechtbank, uitgaande van de feiten die zij bewezen acht, de rechtsvraag te beantwoorden of de ramingen van de baten juist zijn en de kosten kunnen worden aangemerkt als lasten ter zake. In het licht daarvan moet vervolgens worden beoordeeld of voor de op grond van de Verordening in 2019 geheven leges de geraamde baten de geraamde lasten ter zake hebben overschreden. 21. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de ramingen van de baten juist en kunnen de kosten worden aangemerkt als lasten ter zake. Daarbij gaat de rechtbank uit van (de juistheid van) de feitelijke gegevens die in de door verweerder verstrekte informatie zijn begrepen. Er is pas plaats voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan baten en lasten, indien de gemeente deze baten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen. Naar het oordeel van de rechtbank is voor correcties die verweerder niet reeds heeft doorgevoerd geen aanleiding. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 22. De gronden van eiseres richten zich met name op de hoogte van de door de gemeente geraamde baten. De rechtbank stelt voorop dat de raming van baten is gebaseerd op een prognose van het te verwachten aantal bouwaanvragen en de bijbehorende bouwsommen. Omdat die prognose naar haar aard met veel onzekerheid omgeven zal zijn, kan bij die prognose geen zekerheid of een volledig inzicht worden verlangd en mag een gemeente voorzichtigheid betrachten bij het ramen van de baten.[5] 23. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de gemeente de baten structureel substantieel te laag heeft begroot. Weliswaar zijn de geraamde baten in de jaren 2016 tot en met 2019 (fors) lager dan de gerealiseerde baten, maar gelet op het onder 6 weergegeven overzicht is naar het oordeel van de rechtbank van een structureel en substantieel te lage begroting van de baten geen sprake. Uit dat overzicht blijkt immers dat het verschil tussen de geraamde en gerealiseerde baten in 2019 in vergelijking met 2017 en 2018 al flink is afgenomen en dat vanaf 2020 de gerealiseerde baten steeds lager liggen dan de geraamde baten. Verweerder heeft voorts toegelicht welke (tarief)maatregelen de gemeente in de legesverordeningen voor 2018, 2019 en 2020 heeft getroffen om meeropbrengsten te voorkomen. 24. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat bepaalde projecten, waaronder dat van haar, ten onrechte niet in de projecten lijst van grote bouwplannen voor 2019 zijn opgenomen. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat niet in de lijst opgenomen projecten ten tijde van de raming al voldoende concreet waren en toegelicht dat ook het onderhavige project niet voor 2019 in aanmerking is genomen omdat de verwachting eerst was dat indiening daarvan nog in 2018 zou plaatsvinden maar vervolgens bij de indiening van het project op 26 november nog onvoldoende concreet was. Het is de rechtbank niet gebleken dat voor de projecten op de projectenlijst een voorzienbaar te lage kans van indiening is gehanteerd. Het standpunt van eiseres dat verweerders systematiek van ramen op dit punt steeds tot grote veranderingen leidt en dat meer rekening zou moeten worden gehouden met toekomstige economische verwachtingen, volgt de rechtbank evenmin. Daarbij wijst de rechtbank erop dat pas dan plaats is voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, als de gemeente deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen (vgl. HR 26 april 1989, nr. 25542, BNB 1989/242). Daarvan is hier geen sprake, gelet op de door verweerder ter zitting gegeven nadere verklaring dat de grote bouwplannen logischerwijze veel effect sorteren op de ramingen vanwege de omvang van daarmee gemoeide bedragen, dat de markt grillig en onvoorspelbaar is en er steeds een verklaring was voor overschrijdingen. 25. Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat de correctie op de baten in verband met de ‘groene legeskorting’ redelijkerwijs niet op € 2.500.000 had kunnen worden geraamd. Deze regeling is geïntroduceerd met ingang van 1 januari 2018, zodat de invloed van die regeling op de baten ten tijde van de vaststelling van de kostenonderbouwing, in mei 2018, met (zeer) beperkte ervaringscijfers moest worden ingeschat. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat de invoering van de groene legeskorting vooraf is gegaan door uitgebreide voorlichting. Dat van de groene legeskorting uiteindelijk (veel) minder gebruik is gemaakt dan de gemeente van tevoren had verwacht, maakt op zichzelf niet dat die verwachting onredelijk was. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voor de groene legeskorting in aanmerking genomen correctie op de baten ten tijde van de raming voorzienbaar te hoog was. 26. Met betrekking tot de geraamde kosten heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat bepaalde daarin begrepen posten niet kunnen worden aangemerkt als lasten ter zake. Daartoe heeft eiseres, tegenover hetgeen verweerder dienaangaande heeft aangevoerd, onvoldoende onderbouwd op grond van welke feiten bepaalde kosten niet of slechts zijdelings verband houden met de belaste diensten ter zake waarvan de leges worden geheven. 27. Ook overigens zijn er geen feiten komen vast te staan op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de gemeente bepaalde baten of lasten niet in redelijkheid op de in aanmerking genomen bedragen heeft kunnen ramen. 28. In het licht van het voorgaande is van een schending van de opbrengstnorm geen sprake. 29. Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld omdat hij verschillende cijfers in de raming onjuist heeft vastgesteld en die onjuiste cijfers pas heeft gecorrigeerd nadat bezwaar en beroep is ingesteld, volgt de rechtbank haar daarin niet. Het enkele feit dat verweerder enkele cijfers in de raming heeft gecorrigeerd, maakt, mede gelet op hetgeen onder 22 en 23 is overwogen, met dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld. Kenbaarheid heffingsmaatstaf 30. Artikel 217 van de Gemeentewet luidt: “Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen, de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing, het tijdstip van beëindiging van de heffing en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is.” 31. De eisen die artikel 217 van de Gemeentewet stelt aan de kenbaarheid van de maatstaven waarnaar gemeentebelastingen worden geheven, strekken onder meer ertoe dat de belastingverordening alle essentialia bevat waaruit de belastingschuldige de omvang van zijn belastingschuld kan afleiden.[6] Tot die essentialia behoren bij de heffing van bouwleges mede de voorschriften voor het vaststellen van de bouwkosten, waarop de hoogte van die leges wordt gebaseerd (de heffingsmaatstaf).[7] 32. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsmaatstaf in dit geval voldoende kenbaar. In de Tarieventabel is de heffingsmaatstaf gebaseerd op de hoogte van de bouwkosten. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de voor het begrip ‘bouwkosten’ gehanteerde definitie overeenstemt met de definitie daarvan in het normblad van het Nederlands normalisatie-instituut NEN 2699:2017 (de NEN-norm). De rechtbank acht die definitie voldoende duidelijk geformuleerd en afgebakend om een belastingschuldige in staat te stellen het in zijn situatie relevante bedrag aan bouwkosten te bepalen en daaruit dus ook de omvang van zijn belastingschuld af te leiden. 33. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de belastingschuld niet op of vóór het ontstaan daarvan kan worden bepaald. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de definitie van bouwkosten voldoende duidelijk dat, indien een aannemingssom ontbreekt, de bouwkosten worden gesteld op de kosten van alle verplichtingen die naar verwachting voor de volledige fysieke realisatie van een bouwwerk moeten worden aangegaan - en dus niet op slechts de kosten van de ten tijde van een aanvraag feitelijk aangegane verplichtingen. 34. De stelling van eiseres dat de GPR, waarnaar wordt verwezen in de Regeling vermindering leges voor duurzame bouwplannen 2018, niet openbaar toegankelijk is en niet ter inzage is gelegd, kan haar niet baten. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij in het onderhavige geval geen beroep heeft gedaan of een geslaagd beroep had kunnen doen op toepassing van de ‘groene legeskorting’. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit mee dat eventuele gebreken in de kenbaarheid van de GPR niet kunnen resulteren in vernietiging of vermindering van de aanslag. De rechtbank komt wegens een gebrek aan procesbelang van eiseres op dit punt dan ook niet toe aan beantwoording van de vraag of de GPR voldoende kenbaar is. 35. Gelet op wat hiervoor is overwogen is van strijd met artikel 217 van de Gemeentewet of het legaliteitsbeginsel geen sprake. Conclusie 36. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Overschrijding redelijke termijn 37. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Behoudens in geval van bijzondere omstandigheden wordt een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een halfjaar toe aan de bezwaarfase. 38. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 26 juni 2020, de uitspraak op bezwaar is van 28 december 2021 en deze uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 26 maart 2024. De redelijke termijn is derhalve overschreden met 1 jaar en 9 maanden, in totaal 639 dagen. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 2.000 (€ 500 per halfjaar overschrijding). Van de overschrijding van de redelijke termijn dient een periode van 367 dagen te worden toegerekend aan de bezwaarfase. Verweerder dient daarom van de schadevergoeding van € 2.000 een bedrag van € 1.149 (367/639 deel) te vergoeden en de Staat € 851 (272/639 deel). Proceskosten 39. Nu aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[8] en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op (afgerond) €219 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 875 en wegingsfactor van 0,25). Ook het geheven griffierecht moet worden vergoed. Nu de overschrijding van de redelijke beslistermijn aan zowel verweerder als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten en het griffierecht door verweerder en de Staat ieder voor de helft te worden voldaan.[9] (…) [2] ECLI:NL:HR:2009:BI1968. [3] ECLI:NL:HR:2014:777 en ECLI:NL:HR:2014:780. [4] ECLI:NL:HR:2014:938. [5] ECLI:NL:HR:2014:780. [6] Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 63. [7] ECLI:NL:HR:2019:1000, overweging 2.4.1. [8] ECLI:NL:HR:2023:1526. [9] HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, overweging 3.14.2.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 5.1. In hoger beroep is in geschil of: 1. de tarieven van de leges omgevingsvergunning in de Tarieventabel zodanig zijn vastgesteld dat de voor het jaar 2019 geraamde baten de voor dat jaar geraamde lasten ter zake te boven gaan; 2. de in de Tarieventabel opgenomen heffingsmaatstaf van de leges omgevingsvergunning onvoldoende kenbaar is. Belanghebbende beantwoordt de beide vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend. 5.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behalve voor zover daarin is beslist op de verzoeken van belanghebbende tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade en de door belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep gemaakte proceskosten, alsmede het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de aanslag, alsmede tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten. 5.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Zijn de tarieven van de leges omgevingsvergunning in de Tarieventabel zodanig vastgesteld dat de voor het jaar 2019 geraamde baten de voor dat jaar geraamde lasten ter zake te boven gaan? 6.1. De Rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. De beoordeling van hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt tot de conclusie dat de Rechtbank op goede gronden, in het bijzonder hetgeen is overwogen in de onderdelen 15 tot en met 29 van haar uitspraak, die hier als overgenomen moeten worden beschouwd, een juiste beslissing heeft genomen. Dit oordeel is gebaseerd op het navolgende. 6.2. De Rechtbank heeft bij de beantwoording van de vraag of de tarieven van de leges omgevingsvergunning in de Tarieventabel zodanig zijn vastgesteld dat de voor het jaar 2019 geraamde baten de voor dat jaar geraamde lasten ter zake overschrijden, terecht de ‘vuistregels’ gevolgd die de Hoge Raad in de arresten van 4 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, en van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, heeft geschetst. Bij de beoordeling van hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn eveneens deze vuistregels gehanteerd. 6.3. Bij de beoordeling staat voorop dat op belanghebbende de last rust aannemelijk te maken dat de voor het jaar 2019 geraamde baten de voor dat jaar geraamde lasten ter zake hebben overschreden. Aan deze bewijslast doen de zo-even genoemde ‘vuistregels’ niet af. Eerste ‘vuistregel’ 6.4. De eerste ‘vuistregel’ houdt in dat, als de belanghebbende stelt dat voor een bepaald jaar – in dit geval 2019 – de geraamde baten – in dit geval de geraamde opbrengsten van de leges – de voor dat jaar geraamde lasten ter zake te boven gaan, de heffingsambtenaar inzicht moet verschaffen in de ramingen van de baten en de lasten. Het verschaffen van inzicht in de ramingen van de legesopbrengsten in een bepaald jaar – in dit geval 2019 – is iets wezenlijk anders dan het bewijzen dat de geraamde legesopbrengsten waarvan de gemeentelijke wetgever (de gemeenteraad) bij de vaststelling van de tarieven van de leges omgevingsvergunning voor dat jaar is uitgegaan, juist, althans niet te laag, zijn. Met de overgelegde overzichten van de raming van baten en lasten en de daarbij gegeven toelichtingen heeft de Heffingsambtenaar voldaan aan de plicht inzicht te verschaffen volgens de eerste ‘vuistregel’. Tweede ‘vuistregel’ 6.5. De tweede ‘vuistregel’ houdt – wat betreft de geraamde baten – in dat, als de belanghebbende in twijfel trekt dat een of meer baten in de ramingen in aanmerking is (zijn) genomen en/of dat één of meer baten tot het/de juiste bedrag(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.