GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie zaaknummer : 200.354.337/01 rekestnummer rechtbank : FA RK 22-9033 zaaknummer rechtbank : C/10/649678 beschikking van de meervoudige kamer van 12 november 2025 inzake [de vrouw] , wonende op een bij het hof bekend adres, verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M. Verschoor te Rozenburg (ZH), tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. P. Hoogenraad te Maassluis. In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen: de raad. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de tussenbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2023 (hierna te noemen: de tussenbeschikking) en de eindbeschikking van 13 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 De vrouw is op 8 mei 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De man heeft op 22 juli 2025 een verweerschrift ingediend. 2.3 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een journaalbericht van de zijde van de man van 15 september 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; - een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 19 september 2025, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; - een journaalbericht van de zijde van de man van 26 september 2025, met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum. 2.4 De minderjarige [minderjarige] heeft op 25 september 2025 in een gesprek aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek. 2.5 De raad heeft het hof bij brief van 3 september 2025 bericht niet op de mondelinge behandeling te zullen verschijnen. 2.6 De mondelinge behandeling heeft op 30 september 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2 De man en de vrouw zijn gehuwd geweest van [datum] 2009 tot [datum] 2024. 3.3 Zij zijn de ouders van: - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ). 3.4 [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw. 3.5 De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 3.6 Bij beschikking van 13 april 2023 van de rechtbank Rotterdam betreffende voorlopige voorzieningen is: - bepaald dat de vrouw met ingang van de datum van de beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] te [plaats] ; - bepaald dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd; - de onderlinge regeling opgenomen die partijen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken hebben getroffen: de man zal [minderjarige] eens per twee weken bij zich hebben op zaterdag van 12:00 uur tot 22:00 uur alsmede gedurende twee aaneengesloten weken in de zomervakantie; - de onderlinge regeling opgenomen die partijen over de financiën hebben getroffen, te weten dat de man aan de vrouw met ingang van 1 maart 2023, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna: kinderalimentatie), voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 503,- per maand en met ingang van 1 maart 2023 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna: partneralimentatie), voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 680,- per maand. De man blijft de hypotheekrente en aflossing van de echtelijke woning voor zijn rekening nemen, alsmede de aflossing op het flexibel krediet van € 225,- per maand. De vrouw betaalt de gebruikerslasten van de echtelijke woning. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders verzochte is afgewezen. 3.7 Bij tussenbeschikking van 12 december 2023 van de rechtbank Rotterdam is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang: - de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw bepaald; - bepaald dat de vrouw de man met ingang van vandaag (12 december 2023) eenmaal per maand informeert en consulteert over de ontwikkelingen van [minderjarige] ; - partijen doorverwezen naar het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling en bepaald dat partijen met behulp van dit traject bewerkstelligen dat zij op een constructieve manier met elkaar overleggen en samenwerken in het belang van [minderjarige] en dat zij verdere afspraken zullen maken ten behoeve van onbelast en regelmatig contact tussen [minderjarige] en beide partijen; - bepaald dat het routeringspunt vóór na te melden pro-formadatum het eindverslag van de hulpverleningsinstantie aan de rechtbank verzendt en daarvan gelijktijdig een kopie aan de raad voor de kinderbescherming verzendt, als het hulpverleningstraject niet of deels is geslaagd en de raad verzocht in dat geval te bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk is en in het bevestigende geval dat onderzoek te verrichten. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling, de kinderalimentatie en de partneralimentatie is aangehouden tot 1 september 2024 pro forma. De tussenbeschikking is, met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is: - de vrouw veroordeeld een dwangsom van € 200,- per maand te betalen voor iedere maand dat zij nalaat de man te informeren en consulteren over de ontwikkelingen van [minderjarige] zoals bepaald in de tussenbeschikking met een maximum van € 4.000,- waarbij het bericht in ieder geval zal bevatten informatie over belangrijke aangelegenheden betreffende [minderjarige] inzake haar gezondheid en schoolresultaten, met daarbij een recente en goed gelijkende kleurenfoto van haar; - de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 20 februari 2025 bepaald op € 801,- per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen; - de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 20 februari 2025 bepaald op € 411,- per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen; - de onderlinge regeling opgenomen die partijen in het kader van de verdeling hebben getroffen, te weten: de vrouw dient de helft van de taxatiekosten (totaal € 750,-) aan de man te voldoen; de vrouw dient de helft van de kosten van de container (totaal € 499,-) aan de man te voldoen. De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders verzochte is afgewezen. 4.2 De vrouw verzoekt het hof, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende: a. te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van 20 februari 2025 een partneralimentatie van € 1.020,- per maand dient te voldoen; b. te bepalen dat de man ter zake de aan de verkoop en ontruiming van de echtelijke woning gerelateerde kosten aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 490,05;
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.