GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.353.014/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : 11321179 VZ VERZ 24-8254 Beschikking van 16 december 2025 op het verzoek tot inzage ex art. 195 Rv in de zaak van [verzoeker] , wonend in [woonplaats], verzoeker in het inzageverzoek, advocaat: mr. M.B. van Voorthuizen, kantoorhoudend in Utrecht, tegen Rotterdamse Electrische Tram N.V., gevestigd in Rotterdam, verweerster in het inzageverzoek, advocaat: mr. A. Birkhoff, kantoorhoudend in Rotterdam. Het hof noemt partijen hierna [verzoeker] en de RET. 1De zaak in het kort 1.1 Een werkgever heeft ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer verzocht. De werkgever heeft daarbij een deel van een onderzoeksrapport (verricht door een extern bureau) in het geding gebracht. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden. De werknemer heeft hoger beroep ingesteld. In dit verzoek tot inzage verzoekt de werknemer dat de werkgever hem het gehele onderzoeksrapport verstrekt. De werkgever stelt dat zij de privacy en belangen van de overige medewerkers moet beschermen en daarom een gewichtige reden heeft om het rapport niet te verstrekken. 1.2 Het hof oordeelt dat de belangen van de werknemer bij het verkrijgen van het rapport zwaarder wegen dan het belang van de werkgever bij het achterhouden daarvan. Het verzoek wordt daarom toegewezen. Wel mag de werkgever het rapport pseudonimiseren en wordt het de werknemer verboden mededelingen aan derden te doen over het rapport. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: Het verzoekschrift tot inzage van gegevens in het hoger beroep van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2025, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 25 maart 2025; Het verweerschrift ten aanzien van het verzoek tot inzage en afgifte ex artikel 195 Rv van de RET; De bijlagen (27 t/m 32) die [verzoeker] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd. 2.2 Op 30 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Deze maken onderdeel uit van het procesdossier. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. 3Feitelijke achtergrond 3.1 De RET is het openbaarvervoerbedrijf van de regio Rotterdam. [verzoeker] is op 1 september 1985 bij de RET in dienst getreden en laatstelijk werkzaam in de functie van Sectiechef Veiligheid bij de afdeling Veiligheid. Dit is een leidinggevende functie waarbij hij verantwoordelijk is voor een professionele uitvoering van het handhavings- en veiligheidsbeleid en voor een efficiënte en effectieve inzet van teamleden. 3.2 Op 1 augustus 2022 is de heer [leidinggevende 1] (hierna: [leidinggevende 1]) in dienst getreden bij de RET als afdelingsmanager Sociale Veiligheid en als hoofd van de afdeling Veiligheid en daarmee de leidinggevende van [verzoeker]. 3.3 In januari 2024 heeft [leidinggevende 1] e-mails ontvangen van vier collega’s van [verzoeker] die daarin uitgebreid hun zorgen uiten over de werksfeer op de afdeling Veiligheid en waarin een aantal hun negatieve ervaringen met en over het gedrag van onder andere [verzoeker] deelt. [verzoeker] is daarop op 31 januari 2024 geschorst. 3.4 De RET heeft in maart 2024 het onderzoeksbureau Verinorm (hierna: Verinorm) opdracht gegeven onderzoek te doen naar - kort gezegd - de werkcultuur binnen de afdeling Veiligheid. 3.5 [verzoeker] heeft in kort geding gevorderd de RET te veroordelen om hem weer toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden. Bij vonnis van 17 april 2024 is deze vordering toegewezen. Op 29 april 2024 heeft [verzoeker] zijn werkzaamheden hervat. 3.6 Het onderzoek door Verinorm is in juni 2024 afgerond. De bevindingen zijn vastgelegd in het ‘Rapport RET, intern onderzoek naar leidinggevenden van de afdeling Veiligheid’ (hierna: het rapport). De RET heeft het rapport niet met [verzoeker] gedeeld. In de procedure in eerste aanleg heeft de RET ‘een overzicht van de passages ten aanzien van [verzoeker]’ uit het rapport en hoofdstuk 8 ‘Conclusies en aanbevelingen’ overgelegd. Daarin staat, voor zover voor het onderhavige inzageverzoek van belang, onder meer: ‘Voor dit onderzoek naar de groep leidinggevenden en de staf van de afdeling Veiligheid van de RET zijn 21 personen gesproken, waarvan enkelen tweemaal in het kader van wederhoor. Ook zijn documenten als e-mails, functioneringsverslagen en agenda-uitdraaien bestudeerd. In dit hoofdstuk volgen de conclusies en aanbevelingen. Vanwege de omvang en complexiteit van de problematiek is het niet mogelijk gebleken om binnen de beschikbare tijd en middelen alle feiten te onderzoeken. Dat zou weken extra tijd vergen. Onderzoekers zijn evenwel van mening dat de kern van de problematiek duidelijk is geworden. De conclusies worden behandeld aan de hand van de gestelde onderzoeksvragen, zoals in het eerste hoofdstuk geformuleerd. Daarop volgen de aanbevelingen. Als eerste schetsen de onderzoekers enkele hoofdlijnen die uit het onderzoek naar voren komen. (…) 8.2 Conclusies Uit het uitgevoerde onderzoek zijn de volgende conclusies te trekken, onderverdeeld naar ‘werkcultuur’ en ‘ongewenst gedrag’. 8.2.1 Werkcultuur De eerste onderzoeksvraag luidt: 'hoe is de werkcultuur bij de leidinggevenden binnen de afdeling Veiligheid van de RET te typeren (in termen van sfeer en omgangsvormen)? 1. De verhoudingen zijn ernstig verstoord binnen de afdeling Veiligheid. De werkcultuur kan als 'verziekt' worden aangemerkt. Er is geen vertrouwen tussen de twee groepen chefs onderling. [verzoeker], [leidinggevende 2] en (…) hebben geen vertrouwen in de manager [leidinggevende 1] en vice versa. (…) 5. De ontstane problemen zijn niet geheel terug te voeren op de plannen en het (vermeende) dwarsbomen ervan door sommige leidinggevenden en de OR. De gesprekken maken duidelijk dat er met de komst van [leidinggevende 1] een ander wind is gaan waaien. Het nieuwe plan hield een andere manier van leidinggeven in door de chefs. Uit veel interviews blijkt dat [verzoeker], [leidinggevende 2] en (…) dit niet zagen zitten. Hoewel ze alle drie zeggen dat ze achter het plan stonden (dus inclusief een andere leiderschapsstijl), ook tegen [leidinggevende 1], blijkt volgens diverse respondenten het tegenovergestelde (ja zeggen en nee doen). Dit roept de vraag op of het drietal qua competenties in staat is om zich die nieuwe stijl aan te meten. Het aanbod om naar een cursus te gaan slaan [leidinggevende 2] en [verzoeker] om verschillende redenen af. 6. (…) Het feit dat [verzoeker] en [leidinggevende 2] een andere baan is aangeboden (voorafgaand aan de schorsing) heeft een negatieve invloed gehad op de toch al gespannen relatie. Dit heeft er ook toe geleid dat er meer weerstand is ontstaan richting management, vanwege mogelijk de angst voor baan/positieverlies. 7. De schorsing heeft veel los gemaakt op de afdeling. Er zijn verschillende geluiden te horen. Enerzijds begrijpen mensen de schorsing niet. Anderzijds ervaarden anderen rust op de afdeling ten tijde van de afwezigheid van beide chefs. 8.2.2 Ongewenst gedrag De tweede onderzoeksvraag is als volgt geformuleerd: 'is sprake van ongewenst gedrag? Wat voor type ongewenst gedrag en binnen welke context doet dat zich voor of heeft het zich voorgedaan'? 1. De directieve leidinggevenden stellen zich controlerend en bestraffend op, waarbij niet/nauwelijks ruimte is voor een meer positieve vorm van leidinggeven (coachend). 2. Vaststaat dat er binnen de groep leidinggevenden sprake is geweest van ongewenst gedrag. Dat uit zich in grof, denigrerend en beledigend taalgebruik van met name [verzoeker] over collega’s en medewerkers. Collega's hebben zich hierdoor onveilig en geïntimideerd gevoeld en van enkelen is bekend dat zij hierom de afdeling of de RET hebben verlaten. [verzoeker] ontkenningen zijn niet geloofwaardig aangezien er meer mensen, los van elkaar en in vergelijkbare bewoordingen hem dergelijk gedrag verwijten. Datzelfde geldt voor zijn diffamerende uitlatingen over [leidinggevende 1] (…). 4. Van ondermijnend gedrag richting [leidinggevende 1] door [verzoeker], [leidinggevende 2] en (…) zijn enkele aanwijzingen gevonden. Hierbij moet worden gesteld dat de voorbeelden die zijn genoemd op zichzelf beschouwd hier geen aanleiding voor hoeven geven, maar de opstelsom van bepaalde uitingen en gedragingen wel een patroon laten zien dat erop neer komt dat deze chefs de plannen van [leidinggevende 1] niet zien zitten en de uitvoering van de plannen hebben gedwarsboomd. (…) 8.3 Aanbevelingen De derde onderzoeksvraag luidt: 'welke aanbevelingen zijn mogelijk om de werkcultuur binnen de afdeling Veiligheid van de RET te verbeteren'? 1. De directie van de RET moet een duidelijke keuze maken: ofwel aan het nieuwe handhavingsplan met de daarbij behorende visie op een andere stijl van leidinggeven vasthouden en tot uitvoering brengen of teruggaan naar de oude situatie. In beide gevallen zal dat implicaties hebben voor de competenties van leidinggevenden, die immers de plannen naar de werkvloer moeten overbrengen en verantwoordelijk zijn voor een goede uitvoering. (…) 3. Indien de directie kiest voor de ingezette nieuwe koers en visie op leidinggeven is het raadzaam om de positie van de huidige directief leidinggevenden te heroverwegen. Dit geldt in het bijzonder voor [verzoeker] en [leidinggevende 2]. Zij vormen de spil als het gaat om de weerstand. (…)’ 3.7 [verzoeker] is na afronding van het onderzoek uitgenodigd voor een gesprek op 5 juli 2024 met de directeur exploitatie en de directeur P&O van de RET. Tijdens dit gesprek is [verzoeker] opnieuw vrijgesteld van zijn werkzaamheden en heeft de RET kenbaar gemaakt de arbeidsovereenkomst met hem te willen beëindigen. 3.8 [verzoeker] heeft de RET meerdere malen verzocht om inzage in het volledige rapport. De RET heeft dat geweigerd. 4Procedure bij de rechtbank 4.1 Bij beschikking van 17 januari 2025 heeft de kantonrechter op verzoek van de RET de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 maart 2025 ontbonden op de grond dat de arbeidsverhouding tussen partijen verstoord is geraakt (hierna: de bestreden beschikking). De kantonrechter heeft de RET daarbij veroordeeld tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding van € 94.691,38 bruto. De proceskosten zijn gecompenseerd. 4.2 De kantonrechter heeft - onder meer - het volgende overwogen. ‘4.1. Het ontbindingsverzoek is voor een belangrijk deel gebaseerd op de bevindingen van het onderzoek van Verinorm. In het verweerschrift van [verzoeker] is daarop ingegaan. Voor zover daarbij twijfels zijn geuit over de zorgvuldigheid waarmee het onderzoek is uitgevoerd, worden die twijfels niet gedeeld. Uit de beschrijving van de wijze van uitvoering (…), blijkt voldoende dat de onderzoekers niet over een nacht ijs zijn gegaan. Alleen al het horen van 21 personen wijst daarop. Dat deze personen anoniem zijn gebleven, doet aan de zorgvuldigheid niet af. [verzoeker] heeft niet duidelijk kunnen maken waarom die anonimiteit afbreuk zou doen aan de waarde van het rapport, zeker in aanmerking genomen dat hij ook zelf uitgebreid heeft kunnen verklaren. De omvang van het rapport (de overgelegde pagina’s met conclusies en aanbevelingen zijn genummerd 74 tot en met 78) is eveneens een indicatie dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. Verder moet worden opgemerkt dat de onderzoekers niet alleen de rol van [leidinggevende 1] (zeer) kritisch hebben beoordeeld maar ook de rol van [verzoeker] op punten hebben genuanceerd. Dus als hij het beeld heeft willen schetsen dat het onderzoek eenzijdig is geweest, namelijk vooral gericht op zijn houding en gedrag, vindt dat geen steun in de conclusies van de onderzoekers en de aanbevelingen die zij doen. Gelet op dit een en ander zullen (ook) bij de beoordeling van het ontbindingsverzoek de bevindingen van de onderzoekers in beslissende mate een rol spelen. (…) 4.6. Hoewel is geoordeeld dat het gedrag en de houding van [verzoeker] niet als verwijtbaar handelen kwalificeren, wordt op basis van de bevindingen van het onderzoek en de daaraan voorafgaande meldingen van collega’s wel geconcludeerd dat dat gedrag en die houding van bepalende invloed zijn op het ontstaan en de aanwezigheid van een onveilige werkcultuur binnen de afdeling Veiligheid. Want dat daarvan sprake is, blijkt duidelijk uit de conclusies bij het rapport. Ook blijkt daaruit dat er enkele personen zijn die een centrale rol spelen in de werkcultuur van de afdeling Veiligheid, te weten [verzoeker] en (…) (in de periferie daarvan (…) en in mindere mate (…) versus de sociaal ingestelde leidinggevenden als (…) en met de manager [leidinggevende 1] als middelpunt. Enkele details en uitzonderingen daargelaten, ligt deze tweedeling (of kampen worden ze ook wel genoemd) aan de basis van de problematiek. Verder is duidelijk geworden dat bij [verzoeker] het inzicht ontbreekt in welk gevolg zijn houding en gedrag hebben en daarmee ook over de wijze waarop dat gevolg weggenomen zou kunnen worden. Veelzeggend is, is dat hij op de zitting heeft gesuggereerd dat de collega’s die in januari 2024 hun verhaal hebben gedaan in mails aan [leidinggevende 1] onderling contact hebben gehad en dat zij dat in elkaar hebben gedraaid. Daaruit blijkt dat hij de inhoud en strekking van die verhalen niet serieus neemt en dus niet begrijpt wat voor invloed zijn gedrag en houding heeft op die collega’s. 4.7. Gelet op dat wat hiervoor staat, wordt vastgesteld dat binnen de afdeling Veiligheid sprake is van een onveilige werkcultuur, dat gesproken kan worden van twee groepen die zich niet tot elkaar verhouden en dat [verzoeker] deel uitmaakt van de groep die de reden is van of in ieder geval bijdraagt aan de onveilige werksfeer. Van de RET wordt als goed werkgever verwacht dat zij zorgt voor de aanwezigheid en het behoud van een veilige werkcultuur voor haar medewerkers. Dat zij de oplossing voor het probleem op de afdeling Veiligheid niet zoekt aan de kant van de collega’s en medewerkers van [verzoeker] die onveiligheid ervaren, is logisch en begrijpelijk. Dat zou de omgekeerde wereld zijn. De oplossing moet dus worden gevonden bij de andere groep, onder wie [verzoeker]. De RET ziet zich vervolgens geconfronteerd met een werknemer in een bepaalde positie en met een bepaald gedrag en bepaalde houding, bij wie het zelfinzicht daarover ontbreekt. Onder al deze omstandigheden kan worden gezegd dat sprake is van een zodanig ernstige en duurzame vertrouwensbreuk dat van de RET in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] voortzet. Herstel van vertrouwen is gelet op de aard van de hiervoor besproken problematiek niet mogelijk. Geconcludeerd wordt daarom dat de verstoorde arbeidsverhouding als redelijke grond voor het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt.(…) 4.12. Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat hij niet wordt gevolgd in zijn betoog dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de RET (artikel 7:671b lid 9 onder c BW). Hiervoor is al overwogen dat van een goed werkgever wordt verwacht dat wordt gezorgd voor de aanwezigheid en behoud van een veilig werkklimaat. De RET heeft in dat verband toegelicht dat [leidinggevende 1] in augustus 2022 is aangesteld met het oog op een gewenst veranderproces naar een veilige werkomgeving binnen de afdeling Veiligheid. Toen in januari 2024 concrete signalen werden ontvangen dat collega’s van [verzoeker] zich, kort gezegd, niet veilig voelde, heeft de RET zich genoodzaakt gezien actie te ondernemen. Daarbij is gekozen voor een non-actiefstelling van onder andere [verzoeker] en het geven van een onderzoeksopdracht aan Verinorm. Dat [verzoeker] het moeilijk had en heeft met die non-actiefstelling is begrijpelijk. maar niet valt in te zien dat en waarom de RET met het treffen van die maatregel ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De uitkomst van het onderzoek bevestigt vervolgens ook dat de RET, zoals volgt uit dat wat hiervoor is overwogen, in het kader van goed werkgeverschap terecht bepaalde keuzes heeft gemaakt. (…)’ 5Verzoek tot inzage in hoger beroep 5.1 [verzoeker] is in hoger beroep gegaan tegen de bestreden beschikking en heeft in de onderhavige procedure verzocht om de RET op grond van artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te bevelen het volledige rapport ‘Intern onderzoek naar leidinggevenden van de afdeling Veiligheid’ van Verinorm (juni 2024) aan [verzoeker] te verstrekken. Daarnaast heeft [verzoeker] verzocht in de gelegenheid te worden gesteld om de gronden van zijn beroep aan te vullen c.q. te reageren op de inhoud van het rapport, met veroordeling van de RET in de kosten. 5.2 Hiertoe heeft [verzoeker] - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. 5.3 De RET is op grond van artikel 194 lid 2 Rv verplicht om het rapport aan [verzoeker] te verstrekken. [verzoeker] heeft een voldoende zwaarwegend belang bij afgifte van het rapport. Het rapport heeft een cruciale rol gespeeld bij de beoordeling van het ontbindingsverzoek door de kantonrechter en het oordeel dat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid van de RET (en het niet-toekennen van een billijke vergoeding aan [verzoeker]). Omdat dit rapport niet in het geding is gebracht is sprake van ongelijkheid in de informatie waarover partijen beschikken. Dit is in strijd met een eerlijke procesvoering (equality of arms). 5.4 Het hof heeft besloten dat eerst op het verzoek tot inzage zal worden beslist. 5.5 De RET heeft vervolgens een verweerschrift ten aanzien van het verzoek tot inzage en afgifte ex artikel 195 Rv ingediend. De conclusie hiervan strekt tot afwijzing van het verzoek van [verzoeker], dan wel het in verminderde mate toewijzen van het verzoek met veroordeling van [verzoeker] in de kosten. 5.6 Hiertoe heeft de RET - kort gezegd - aangevoerd dat [verzoeker] niet voldoende belang heeft bij het verkrijgen van het gehele rapport en dat de RET een gewichtige reden heeft het rapport niet te verstrekken. 5.7 Indien wel tot afgifte moet worden overgegaan verzoekt de RET om voorwaarden aan de gegevensverstrekking te verbinden om de belangen van de RET en haar medewerkers te waarborgen. 6Beoordeling in hoger beroep 6.1 Op grond van artikel 195 lid 1 Rv kan de rechter een partij bevelen om inzage, afschrift of een uittreksel van bepaalde gegevens te verstrekken als deze partij daartoe niet zelf overgaat en voldaan is aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 194 lid 1 Rv. Deze vereisten zijn dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.