← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2025:2709

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie zaaknummer : 200.344.771/01 rekestnummer rechtbank : FA RK 21-6907 zaaknummer rechtbank : C/09/619247 beschikking van de meervoudige kamer van 3 december 2025 inzake [de moeder] , wonende op een bij het hof bekend adres, verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. F.G.T. Meershoek te Den Haag, tegen [de vader] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. J.B. Peters te Zoetermeer. In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden, hierna te noemen: de raad. 1Het verdere procesverloop in hoger beroep 1.

  1. Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 5 februari 2025, welke is hersteld bij herstelbeschikking van 26 maart 2025, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd (hierna te noemen: de tussenbeschikking). 1.
  2. In deze tussenbeschikking heeft het hof, voor zover nog van belang, de beslissing ten aanzien van het ouderlijk gezag en de omgang pro forma aangehouden tot 26 juli 2025 om de raad in de gelegenheid te stellen een raadsonderzoek te verrichten met betrekking tot deze onderwerpen. 1.
  3. Na de tussenbeschikking zijn de volgende stukken bij het hof ingekomen: een e-mailbericht van de zijde van de raad van 16 juni 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 26 juni 2025 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum; een journaalbericht van de zijde van de vader van 1 juli 2025 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum. 1.
  4. De mondelinge behandeling is op 10 oktober 2025 voortgezet. Verschenen zijn: de advocaat van de moeder; de vader, bijgestaan door zijn advocaat; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 1.
  5. Na de mondelinge behandeling zijn zoals ter zitting besproken de volgende stukken bij het hof ingekomen: een e-mailbericht van de zijde van de raad van 13 oktober 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; een journaalbericht van de zijde van de vader van 13 oktober 2025 met bijlage, ingekomen op 15 oktober 2025; een journaalbericht van de zijde van de moeder van 24 oktober 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum. 2De verdere beoordeling van het hoger beroep 2.
  6. Aan het hof ligt voor de beslissing in incidenteel hoger beroep over het ouderlijk gezag over het minderjarige kind van de ouders: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige) en over de omgang tussen de minderjarige en de vader. Oordeel hof Omgangsregeling 2.
  7. Ten aanzien van de omgangsregeling oordeelt het hof als volgt. Het hof is met de raad van oordeel dat het op dit moment niet in het belang is van de minderjarige dat er een begin wordt gemaakt met contactherstel. Hoewel het hof het wel in het belang van de minderjarige vindt dat er op termijn gewerkt wordt aan contactherstel, ziet het hof op dit moment geen mogelijkheden een omgangsregeling vast te stellen. Dit is nu vooral te wijten aan het feit dat de moeder niet op de zitting is verschenen, zodat een traject begeleide omgang niet met haar kon worden besproken. De moeder heeft bij monde van haar advocaat ook niet ingestemd met een dergelijk traject. Het hof is van oordeel dat dit wel de aangewezen weg zou zijn geweest, mede gelet op het feit dat de minderjarige nog niet weet wie haar vader is. Het hof is ,net als de raad, van oordeel dat deze statusvoorlichting eerst dient plaats te vinden, voordat kan worden overgegaan tot contactherstel. Statusvoorlichting is in het belang van de identiteitsontwikkeling van de minderjarige. Op dit moment denkt de minderjarige dat de, nu inmiddels, ex-partner van de moeder haar vader is. In het rapport van 13 juni 2025 schrijft de raad dat in gesprek met de minderjarige het erop lijkt dat er bij haar onduidelijkheid is over het onderwerp vader. De raadsonderzoeker kan niet goed achterhalen wat de minderjarige over haar vader weet. De raad wijst er in het rapport ook op dat op de langere termijn een kind, dat niet weet wie haar (biologische) vader is en geen contact heeft met haar vader, daardoor problemen kan krijgen bij haar identiteitsontwikkeling. Het kind kan voor zichzelf geen logisch verhaal maken over wie zij is, omdat zij niet weet wie haar vader is uit wie zij voor de helft bestaat. Een kind van vier jaar oud snapt dat zij een biologische vader heeft, en als zij het idee heeft en houdt dat een andere man haar biologische vader is of dat onduidelijk is wie haar biologische vader is, kan dat negatieve gevolgen hebben voor haarzelfbeeld. Zij kan dan het gevoel krijgen dat een deel van haar er (ook) niet mag zijn. Als de minderjarige er op termijn achter komt dat de man van wie zij -volgens moeder- dacht dat hij haar vader was niet haar vader is, zal dat voor extra verwarring zorgen. Het hof acht het zorgelijk dat dit onderwerp ook al door de raad met moeder is besproken in 2023, in het kader van het raadsonderzoek in dat jaar, maar dat er sindsdien nog niets is veranderd. Niets wijst erop dat moeder dit advies ter harte heeft genomen en voornemens is uit zichzelf stappen te zetten in de statusvoorlichting. Het hof had dit ook met de moeder op de zitting willen bespreken, maar zij is niet verschenen. Nu de moeder in de afgelopen periode intensieve hulpverlening heeft ontvangen en haar psychisch en emotioneel functioneren heeft versterkt, gaat het hof er vanuit dat de moeder, zoals door de raad geadviseerd en in het belang van haar dochter op korte termijn deze statusvoorlichting zal gaan geven. In het kader van deze procedure kan het hof echter niet anders dan daartoe alleen een nadrukkelijk beroep op de moeder doen. Het voorgaande maakt dat het hof de bestreden beschikking bekrachtigt voor zover daarbij het verzoek van de man met betrekking tot het gezag is afgewezen. Ouderlijk gezag 2.
  8. Ten aanzien van het ouderlijk gezag oordeelt het hof als volgt. Het hof overweegt in overeenstemming met het raadsrapport dat de minderjarige klem en verloren zal raken bij gezamenlijk ouderlijk gezag, omdat de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan. Hoewel het hof ziet dat de vader graag betrokken wil zijn in het leven van de minderjarige, zorgt de negatieve houding van ouders richting elkaar ervoor dat zij op geen enkele constructieve manier met elkaar kunnen communiceren. Daarbij weegt het hof ook mee dat de vader negatief over de moeder spreekt.. Dit legt geen basis voor gezamenlijk gezag. Het hof acht het niet in het belang van de minderjarige dat zij tussen beide ouders in komt te staan, wat anders wel zal gebeuren. Daarbij acht het hof het in onderhavig geval - ook in het kader van het gezamenlijk ouderlijk gezag - van belang dat er nog geen statusvoorlichting heeft plaatsgevonden en er op dit moment geen zicht is op contactherstel tussen de vader en de minderjarige. Het zal immers erg verwarrend zijn voor de minderjarige dat iemand, die zij niet kent en waarvan zij niet weet dat het haar vader is, beslissingen over haar kan nemen. Daarbij komt dat wegens het gebrek aan contact met de moeder en de minderjarige de vader ook niet over voldoende informatie beschikt om gezagsbeslissingen te kunnen nemen in het belang van de minderjarige. Het hof zal daarom de bestreden beschikking voor zover daarbij het verzoek van de man een omgangsregeling vast te stellen is afgewezen. 2.
  9. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 3De beslissing Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking voor wat betreft de afwijzing van het verzoek van de vader tot het gezag en de omgangsregeling; wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Zonneveld, C.M. van der Kleijn en C.S.F. de Nijs, bijgestaan door mr. R.T. Goede als griffier en is op 3 december 2025 uitgesproken door mr. A.A.F. Donders in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.