GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige geheimhoudingskamer nummers BK-24/598 en BK-24/600 tot en met BK-24/604 Beslissing van 21 mei 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: Y.E.J. Geradts) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het geheimhoudingsverzoek van de Inspecteur als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Procesverloop 1.
- De Inspecteur heeft aan belanghebbende diverse belastingaanslagen en vergrijpboeten opgelegd. Voorts heeft de Inspecteur belastingrente in rekening gebracht. 1.
- Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de belastingaanslagen, de vergrijpboeten en de beschikkingen inzake belastingrente gehandhaafd. 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank). De Rechtbank heeft op 30 april 2024 uitspraak gedaan. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart de beroepen, voor zover die zijn gericht tegen de vergrijpboetes, gegrond; - verklaart de beroepen voor het overige ongegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor zover deze betrekking hebben op de vergrijpboetes; - draagt verweerder op de vergrijpboetes met 15% te matigen; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraken; - wijst het verzoek om een dwangsom af; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 1.500; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot het bedrag van € 3.090; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.” 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 16 april 2024 een verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb gedaan. 1.
- Belanghebbende is bij bericht van 17 april 2024 in de gelegenheid gesteld op het verzoek van de Inspecteur te reageren en aan te geven of behoefte bestaat aan een mondelinge behandeling van het verzoek van de Inspecteur. Belanghebbende heeft bij bericht van 13 mei 2025 op het verzoek van de Inspecteur gereageerd. 1.
- De geheimhoudingskamer heeft besloten het verzoek zonder zitting te behandelen. Overwegingen 2.
- Op grond van artikel 8:29, lid 1, Awb kan de Inspecteur, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren stukken, of gedeelten daarvan, te overleggen (geheimhouding) dan wel deze alleen aan de rechter ter kennis brengen (beperkte kennisneming). Ingevolge artikel 8:29, lid 5, Awb is beperkte kennisneming enkel toegestaan met toestemming van de andere partij. Bij de toepassing van artikel 8:29 Awb dient de grootst mogelijke terughoudendheid te worden betracht. Slechts indien de door de Inspecteur aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die de weigering om stukken te verstrekken rechtvaardigen. 2.
- De Inspecteur heeft een geschoonde versie van een proces-verbaal van een zitting (het proces-verbaal) ingediend. In dit stuk zijn de namen van derden en adresgegevens weggelakt, alsmede een naam van een kantoor. De Inspecteur beroept zich op de privacy van deze personen. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het verzoek van de Inspecteur. Belanghebbende meent dat het proces-verbaal helemaal niet dient te worden overgelegd in deze procedure, maar als dit toch gebeurt, dan zonder zwarte blokjes. Het stuk is niet controleerbaar en niet goed leesbaar. Belanghebbende wil over het verzoek worden gehoord. 2.
- De geheimhoudingskamer overweegt om te beginnen dat zij niet beslist over de vraag of een stuk tot de gedingstukken behoort. Indien en voor zover belanghebbende hierover een debat wil voeren, dient dit tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaken te gebeuren. De geheimhoudingskamer ziet weinig in een mondeling debat over de vraag of het stuk ongeschoond dient te worden ingebracht. Het stuk kan niet in volle omvang worden besproken, omdat anders het verzoek van de Inspecteur zinledig wordt. De motivering van belanghebbende is duidelijk. De geheimhoudingskamer is na lezing van het verzoek en de reactie in staat om de belangen te wegen en kan zonder mondelinge behandeling van het verzoek een beslissing nemen. 2.
- De geheimhoudingskamer volgt de Inspecteur in zijn standpunt dat onbeperkte kennisneming van het proces-verbaal het gevaar van schending van de privacy van derden inhoudt. Het proces-verbaal bevat gegevens van derden, zoals namen en (vermeende) bezittingen. Deze gegevens horen niet thuis in het dossier van een andere belastingplichtige. De geheimhoudingskamer begrijpt best dat belanghebbende graag de beschikking heeft over de precieze inhoud van het proces-verbaal om zijn eigen positie in de onderhavige zaken te bepalen, maar dit mag niet ten koste gaan van de privacy van derden en de geheimhoudingsplicht van de Inspecteur. Het is aan belanghebbende om openheid van zaken te geven over zijn bezittingen, zonder zijn standpunt af te stemmen op eerder, al dan niet door derden, gedane uitlatingen. De Inspecteur hoeft de ongeschoonde versie van het proces-verbaal niet in te brengen in de hoofdzaken. 2.
- Belanghebbende mag zich nog uitlaten over de vraag of de zetel die in de hoofdzaken zal beslissen, wel mag kennisnemen van de ongeschoonde versie van het proces-verbaal. Beslissing Het Gerechtshof: bepaalt dat de door de Inspecteur verzochte beperkte kennisneming gerechtvaardigd is; stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen twee weken na dagtekening van deze beslissing schriftelijk mede te delen of hij toestemming verleent voor beperkte kennisneming van het proces-verbaal. Deze beslissing is gedaan door A. van Dongen, lid van de geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De griffier, de voorzitter, L. van den Bogerd A. van Dongen De beslissing is op 21 mei 2025 in het openbaar uitgesproken. Deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen tussenbeslissingen, zoals die bedoeld in artikel 8:29, lid 3, Awb, stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie open. Tegen dergelijke beslissingen kan ingevolge artikel 28, lid 5, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak.