GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie Zaaknummer : 200.334.941/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 23-1041 Zaaknummer rechtbank : C/10/652590 beschikking van de meervoudige kamer van 19 februari 2025 [de man] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. A.G. van Tilburg-Keesmaat te Sliedrecht, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in principaal hoger beroep, verzoekster in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J.C.G.J. van der Linden te Voorburg. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 augustus 2023 uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De man is op 8 november 2023 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De vrouw heeft op 19 maart 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.3 De man heeft op 24 juni 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.4 Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen: op 19 december 2023 een journaalbericht van de zijde van de man van diezelfde datum, met bijlagen; op 24 januari 2024 een journaalbericht van de zijde van de man van 22 januari 2024, met bijlage; op 9 januari 2025 een journaalbericht van de zijde van de man van diezelfde datum, met bijlagen; op 10 januari 2025 een journaalbericht van de zijde van de vrouw van diezelfde datum, met bijlagen; op 13 januari 2025 een e-mailbericht van de zijde van de vrouw, met bijlagen. 2.5 De mondelinge behandeling heeft op 21 januari 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. 2.6 Het hof heeft, zoals ter zitting is besproken, op 27 januari 2025 een e-mailbericht van de zijde van de vrouw ontvangen, met machtiging aan haar van de hierna te noemen inmiddels jongmeerderjarige [kind 2] , zoon van partijen, om (naar het hof begrijpt) hem in deze procedure in hoger beroep te vertegenwoordigen. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2 De man en de vrouw zijn op [datum] 2004 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Bij beschikking van [datum] 2020 is de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken en op [datum] 2020 is deze ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.3 De man en de vrouw zijn de ouders van: [kind 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004, hierna te noemen: [kind 1] ; [kind 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006, hierna te noemen [kind 2] ; [kind 3] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009, hierna te noemen: [kind 3] . [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] zullen hierna tezamen worden genoemd: de kinderen. 3.4 [kind 2] is tijdens de procedure in hoger beroep meerderjarig geworden. [kind 1] was ten tijde van de procedure in eerste aanleg reeds meerderjarig. 3.5 De man en de vrouw hebben een ouderschapsplan opgesteld; daarin zijn geen afspraken gemaakt over de kinderalimentatie. 3.6 De man is directeur groot-aandeelhouder van de besloten vennootschap [holding] [werkmaatschappij] is de werkmaatschappij die onder de holding ( [holding] ) valt. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 maart 2023 een bedrag van € 381,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van [kind 2] en [kind 3] . Verder is bepaald dat de kinderalimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand, vooraf, betaald moet worden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten zijn gecompenseerd en de verzoeken van partijen voor het overige zijn afgewezen. 4.2 De man verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de vastgestelde kinderalimentatie en opnieuw beschikkende de kinderalimentatie te wijzigen en te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking in eerste aanleg dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met een bedrag van € 100,- per maand voor de minderjarigen gezamenlijk, oftewel € 50,- per kind per maand, althans een bijdrage en ingangsdatum te bepalen zoals in goede justitie behoort. Kosten rechtens. 4.3 De vrouw verzoekt het hof bij wijze van principaal hoger beroep de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoeken af te wijzen. Verder verzoekt zij het hof bij wijze van incidenteel hoger beroep te bepalen dat: de man per datum indiening verzoekschrift in eerste aanleg aan de vrouw een bijdrage in de kosten van levensonderhoud is verschuldigd van € 3.432,78, althans een in goede justitie te bepalen bedrag; de man vanaf 1 november 2020, subsidiair 1 juli 2021, verplicht is aan de vrouw een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de minderjarigen (het hof begrijpt: [kind 2] en [kind 3] ) dient te voldoen; de man te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en van dit hoger beroep wegens het schenden van de op hem rustende inlichtingenverplichting. 4.4 De man verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in haar verweerschrift in het principaal hoger beroep en in haar verzoeken in het incidenteel hoger beroep, niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze verzoeken af te wijzen. Kosten rechtens. 5De motivering van de beslissing Ontvankelijkheid 5.1 De man heeft het hof bij zijn verweerschrift in het incidenteel hoger beroep verzocht om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verweer en incidenteel hoger beroep omdat deze te laat zijn ingediend. De vrouw heeft vlak voor het verlopen van de termijn een uitstelverzoek ingediend zonder nadere onderbouwing. Vervolgens is de vrouw ook niet tegemoetgekomen aan de verzoeken van het hof om haar uitstelverzoek toe te lichten. Uiteindelijk is het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, zonder formele beslissing of toelichting van het hof en na het verstrijken van de initiële termijn alsnog toegelaten. Dit heeft de man moeten afleiden uit de enkele mededeling dat hij verweer kon voeren in het incidentele hoger beroep. De vrouw stelt daar tegenover dat pas de avond voor het verstrijken van de termijn bleek dat er nog een onderneming was aan de zijde van de man waar de vrouw tot dat moment nog geen weet van had. Vervolgens is het hof zo spoedig mogelijk om meer tijd gevraagd, zodat dit gegeven in het verweer en incidenteel hoger beroep kon worden meegewogen. De stukken zijn zo spoedig mogelijk nadien alsnog (in volledigheid) ingediend. 5.2 Het hof overweegt als volgt. In een alimentatiegeschil kunnen partijen, zelfs nog ter mondelinge behandeling in hoger beroep, nieuwe grieven of feiten en omstandigheden aanvoeren. Deze uitzondering is gebaseerd op de gedachte dat de omvang van de alimentatie op grond van artikel 1:401 BW steeds aan wijziging onderhevig is, zelfs met terugwerkende kracht, indien deze niet (langer) aan de wettelijke maatstaven voldoet (zie o.a. ECLI:NL:PHR:2017:465). Wel moet worden beoordeeld of het indienen van de nieuwe grieven niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Daarvan is (in elk geval) sprake indien het leidt tot een onredelijke bemoeilijking van de verdediging of onredelijke vertraging van het geding. In deze zaak is daarvan geen sprake. Het hof is van oordeel dat het verweerschrift en incidenteel hoger beroep van de vrouw kunnen worden toegelaten, nu de man op deze stukken nog heeft kunnen reageren. Het hof acht de te late indiening dan ook niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het is van belang dat de relevante omstandigheden zo volledig mogelijk in het oordeel worden betrokken, zodat onder meer ook nieuwe alimentatieprocedures tussen partijen voorkomen kunnen worden. Het hof zal het verweerschrift en incidenteel hoger beroep van de vrouw daarom betrekken in de procedure in hoger beroep. Kinderalimentatie en alimentatie jongmeerderjarige Voorrangsregeling 5.3 Kinderen jonger dan 21 jaar, hebben op grond van artikel 1:400 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden, indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om volledig in het levensonderhoud van alle gerechtigden te voorzien. Daarom zal het hof eerst beoordelen welke bijdrage de man dient te voldoen voor de kinderen en daarna pas ingaan op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie. 5.4 In eerste aanleg zijn partijen het erover eens geworden dat de man in dezelfde mate dient bij te dragen voor [kind 1] , die toen reeds meerderjarig was, als voor de toen nog minderjarige [kind 2] en [kind 3] . [kind 1] is bij de man ingeschreven. Ter zitting in hoger beroep heeft de man onbetwist gesteld dat [kind 1] niet werkt, niet studeert en niet bijdraagt aan het huishouden. Bovendien betaalt de man de schulden van [kind 1] . Het hof zal met deze omstandigheden in redelijkheid rekening houden, en [kind 1] – bij gebrek aan concrete andere financiële informatie over hem – op dezelfde wijze betrekken in de alimentatieberekening als [kind 2] en [kind 3] . Voor de inmiddels jongmeerderjarige [kind 2] en [kind 1] gaat het in deze procedure vanaf hun meerderjarigheid om een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie (alimentatie jongmeerderjarige). Voor de nog minderjarige [kind 3] gaat het om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (kinderalimentatie). Wijziging van omstandigheden 5.5 Tussen partijen staat niet ter discussie dat zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW doordat het inkomen van de man is gestegen ten opzichte van de coronajaren en de periode waarin het ouderschapsplan tot stand is gekomen. Of deze wijziging van omstandigheden moet leiden tot een wijziging van de kinderalimentatie zal het hof hierna beoordelen. Het hof neemt daarbij de systematiek van de berekening van de kinderalimentatie op basis van de richtlijnen van het rapport van de Expertgroep Alimentatie als uitgangspunt. Het hof zal de gemaakte berekening aan de beschikking hechten. Ingangsdatum 5.6 De man stelt dat de datum van de bestreden beschikking als ingangsdatum dient te worden gehanteerd. Er moet terughoudend worden omgegaan met een vaststelling van alimentatie over een periode in het verleden, zeker nu dit voor de man tot een extra schuldenlast leidt. De man betaalt sinds 26 september 2023 (met terugwerkende kracht) vanaf 1 maart 2023 € 50,- per kind per maand. De vrouw stelt daartegenover dat partijen hadden afgesproken dat de man de vrouw zou informeren zodra hij draagkracht zou krijgen, dit heeft de man nagelaten. De man heeft in ieder geval vanaf 1 maart 2023 rekening kunnen houden met de financiële gevolgen van het vaststellen van alimentatie. Het dient voor eigen rekening en risico van de man te komen dat hij hiervoor geen financiële voorzieningen heeft getroffen. Bij wege van incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw de ingangsdatum vast te stellen op 1 november 2020, dan wel 1 juli 2021, dan wel de datum van de indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw ook als ingangsdatum september 2021 genoemd. Ook is december 2022 als mogelijke ingangsdatum aan de orde gekomen. 5.7 Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Het wijzigen van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht is ook mogelijk, maar de rechter dient daar volgens vaste jurisprudentie terughoudend mee om te gaan, vanwege eventuele ingrijpende gevolgen van een dergelijke wijziging, met name doordat mogelijk een terugbetalingsverplichting ontstaat. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat 1 maart 2023 als ingangsdatum moet worden gehanteerd, zijnde de eerste van de maand na indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg. In ieder geval heeft de man vanaf dat moment rekening kunnen houden met een betalingsverplichting. Bovendien is niet komen vast te staan dat de man over voorgaande jaren een hoger inkomen heeft genoten dan waar partijen toen van zijn uitgegaan. Behoefte 5.8 Partijen zijn het eens over de behoefte van de kinderen ter hoogte van € 508,- per kind per maand. Aangezien deze behoefte niet in geschil is tussen partijen, zal het hof van deze behoefte uitgaan. De behoefte van [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] bedraagt € 1.523,- in totaal. Ondanks dat [kind 1] geen formele procespartij is in hoger beroep en een beslissing over de onderhoudsverplichting van de man jegens [kind 1] zich niet leent voor opneming in het dictum, zal het hof (net zoals de rechtbank) zoals hiervoor is overwogen wel rekening houden met kosten voor [kind 1] . Draagkracht van de man 5.9 De man en de vrouw zijn verdeeld over de draagkracht van de man. Ten aanzien van zijn inkomen stelt de man dat de rechtbank van een te hoog verzamelinkomen van de man in 2023 is uitgegaan (ter hoogte van € 94.406,- bruto). Dit verzamelinkomen is hoger dan het verzamelinkomen van partijen tijdens hun geregistreerd partnerschap, terwijl zij toen belastingschulden hebben opgebouwd. Ook is de rechtbank met de toepassing van indexering buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. Verder stelt de man dat zijn inkomen nog niet terug is op het niveau van 2019 (ter hoogte van € 84.868,- bruto). Pas sinds april 2022 heeft de man weer enige inkomsten. De man is nu directeur groot-aandeelhouder van [holding] en [werkmaatschappij] valt als werkmaatschappij onder deze holding. De bedrijfsstructuur is dus veranderd en vanwege een nieuw ‘boekingsklimaat’ is het noodzakelijk om grotere reserves aan te houden. Het verzamelinkomen van de man in 2023 is € 74.039,- bruto, dit is reëel en stabiel, gezien de voorlopige resultaten over
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.