← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2025:2919

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummer BK-24/890 Uitspraak van 19 november 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 september 2024, nummer SGR 22/

  1. Procesverloop 1.
  2. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 3.816 (de naheffingsaanslag). 1.
  3. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.
  4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van €
  5. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 750; - veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 750; - veroordeelt verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser, elk tot een bedrag van € 109,38; - draagt verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden, elk tot een bedrag van € 92; - bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.” 1.
  6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 17 juli
  7. Belanghebbende heeft pleitnota’s ingediend, ingekomen bij het Hof op 1 en 10 september
  8. 1.
  9. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 september
  10. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.
  11. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 2.599 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Land Rover Discovery (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 5 september
  12. De registratie is voltooid op 4 januari
  13. 2.
  14. Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [A] (het taxatierapport). Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde vóór schade van € 17.591 en een waardevermindering wegens schade van € 10.891,
  15. 2.
  16. In opdracht van de Inspecteur heeft een schouw van de auto plaatsgevonden door de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hiervan is op 15 januari 2021 een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). Volgens het DRZ-rapport bedraagt de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 17.784 op basis van de XRAY-koerslijst voor een margeauto. Het DRZ-rapport gaat uit van schade aan de auto ten bedrage van € 1.049 waarvan € 755 (72%) in mindering is gebracht op de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat. De opgegeven kilometerstand is 39.
  17. 2.
  18. De Inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ de verschuldigde bpm berekend op € 6.
  19. Bij brief van 16 maart 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij het voornemen heeft om een naheffingsaanslag op te leggen. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken na dagtekening van de brief op dit voornemen te reageren. Belanghebbende heeft daarvan niet gebruikgemaakt. Daarom is met datum 7 mei 2021 de naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van (€ 6.415 -/- € 2.599 =) € 3.
  20. Oordeel van de Rechtbank
  21. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “Beoordeling van het geschil Vooraf over de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Unierecht
  22. De rechtbank stelt voorop zij, anders dan de gemachtigde bepleit, ervan uitgaat dat de oordelen van de Hoge Raad over de bpm in overeenstemming zijn met het Unierecht. De rechtbank zal haar oordelen over de desbetreffende klachten van eiser slechts motiveren indien zij van oordeel is dat de Hoge Raad in strijd met het Unierecht heeft geoordeeld. Voor het overige zal de rechtbank ter motivering van haar beslissingen volstaan met verwijzingen naar de oordelen van de Hoge Raad. Prejudiciële vragen
  23. De rechtbank overweegt dat zij niet verplicht is tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Uit de samenhang tussen de tweede en derde alinea van die bepaling moet worden afgeleid dat het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) voor een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep (zoals de rechtbank) een bevoegdheid vormt en niet een verplichting. Een andersluidende rechtsopvatting kan ook niet worden gebaseerd op het arrest van het HvJ EU van 10 januari 2006, C-344/04, IATA, ECLI:EU:C:2006:10, waarop eiser zich heeft beroepen, aangezien de aldaar bedoelde verwijzingsplicht slechts geldt indien de geldigheid van een handeling van een instelling, orgaan of instantie van de Unie in het geding is. Dat is thans niet aan de orde. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen. Naheffen na belastbaar feit
  24. Eiser stelt zich op het standpunt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het VWEU, omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan verweerder op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Ook dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting ter zake van die registratie kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 van het VWEU.1 Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel
  25. Eiser heeft zich beroepen op een schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel, omdat hij weliswaar in de gelegenheid is gesteld te reageren op het voornemen om na te heffen, maar niet is uitgenodigd om zijn bezwaren daartegen mondeling toe te lichten. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Het in het Unierecht verankerde recht van eenieder om te worden ‘gehoord’ voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, houdt in dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken.2 Verweerder heeft eiser bij brief van 16 maart 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd. Betalings- en heffingsmodaliteiten
  26. Eiser betoogt dat de bpm voor de registratie van de onderhavige auto in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt, omdat de Hoge Raad reeds anders geoordeeld heeft.3 Voor het rentenadeel dat eiser stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient hij zich te wenden tot de civiele rechter. Gebreken taxatierapport / gebruik forfaitaire tabel
  27. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het taxatierapport van eiser dusdanige (formele en materiële) gebreken toont dat dit niet kan dienen ter ondersteuning van de door eiser bepleite van belang zijnde waarden (zoals handelsinkoopwaarde en omvang van de schade). Verweerder heeft daarbij gewezen op de volgende gebreken: - Bij de gebruikte koerslijst zijn opvallend veel losse opties opgevoerd, zodat niet aannemelijk is dat de juiste koerslijst is gebruikt, in ieder geval niet de koerslijst van het voertuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van de auto; - De gebruikersschade is vastgesteld aan de hand van een tabel en is dus niet door eigen waarneming van de taxateur vastgesteld en niet door de taxateur zelf beoordeeld; - De inkoopfactuur ontbreekt. Eiser betwist dat het taxatierapport niet kan dienen en stelt dat daarbij moet worden aangesloten.
  28. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 8, vierde lid, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling bpm 1992 (tekst 2021, de Uitvoeringsregeling), gelezen in verbinding met onderdeel 3.6 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling had de inkoopfactuur of inkoopverklaring van het getaxeerde motorrijtuig bij het taxatierapport moeten worden gevoegd. Dat is niet gebeurd. Verder is in eisers taxatie zonder afdoende motivering en onderbouwing met bewijsmiddelen 100% van het gecalculeerde schadebedrag in aanmerking genomen, zulks in strijd met artikel 8, vierde lid, letter b, van de Uitvoeringsregeling, gelezen in verbinding met onderdeel 3.5 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling. De door verweerder gesignaleerde en door eiser niet weersproken inhoudelijke gebreken van het taxatierapport hebben bovendien tot gevolg dat – zelfs indien het (behoudens tegenbewijs) voorgeschreven percentage van 72% zou zijn gehanteerd – niet ervan kan worden uitgegaan dat de taxatiewaarde de werkelijke waarde weerspiegelt. Deze gebreken lenen zich niet voor herstel binnen redelijke termijn. Alsdan kan het taxatierapport niet als bewijs dienen voor de bepaling van het bedrag van de afschrijving. De wetgever heeft over die situatie opgemerkt dat de inspecteur alsdan overeenkomstig het geldend recht de werkelijke waarde van het voertuig vaststelt.4
  29. Verweerder heeft bepleit dat gebruik van de taxatiemethode na verwerping van het taxatierapport niet langer mogelijk is, zodat moet worden teruggevallen op – in dit geval – de forfaitaire afschrijvingstabel. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Artikel 10, achtste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vereist bij toepassing van de taxatiemethode dat de taxatiewaarde blijkt uit een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. Dat wijst erop dat verwerping van het taxatierapport moet resulteren in uitsluiting van de taxatiemethode. Dat gevolg zou passen bij de doelstelling van de aangescherpte regels met betrekking tot de taxatiemethode, waarmee is beoogd misbruik van taxatierapporten te bestrijden zonder de Belastingdienst met arbeidsintensief tegenbewijs te belasten.5 Ook de jurisprudentie van de Hoge Raad bevat aanwijzingen dat indien het taxatierapport niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden, de vermindering moet worden bepaald aan de hand van een andere methode dan de taxatiemethode.6 Daar staat tegenover dat in gevallen als het onderhavige, waarin DRZ het motorrijtuig in kwestie heeft onderzocht en daarvan een rapport ‘Onderzoek waardebepaling’ heeft opgemaakt dat aan de naheffingsaanslag ten grondslag is gelegd, aan de inspecteur en de rechter gegevens ter beschikking staan aan de hand waarvan de werkelijke waarde van het motorrijtuig in kwestie kan worden vastgesteld. Zolang niet is gebleken dat het rapport van DRZ daartoe ongeschikt is, zou het in zodanige gevallen in strijd komen met artikel 110 van het VWEU om bij de bepaling van de vermindering niettemin uit te gaan van een hogere waarde op grond van de koerslijstmethode of de forfaitaire afschrijvingstabel. Handelsinkoopwaarde
  30. Ter zitting hebben partijen gediscussieerd over de juiste koerslijst. De rechtbank heeft echter geen aanleiding eraan te twijfelen dat verweerder bij zijn ‘Onderzoek waardebepaling’ is aangehaakt bij (de koerslijstwaarde van) een referentieauto waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van de auto. De rechtbank acht aannemelijk dat dat de door verweerder gehanteerde versie/uitvoering is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een andere koerslijst bestaat die meer recht doet aan de eigenschappen en kenmerken van die van de auto en die voor hem kan leiden tot een gunstiger berekening van de verschuldigde bpm. Schade en veranderingen aan auto voor registratie
  31. Eiser stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat de bevindingen van DRZ met betrekking tot de schade aan de auto geen grondslag kunnen vormen voor de correctie van de verschuldigde bpm. Aan die stelling ligt het betoog ten grondslag dat in de wet niet is vastgelegd dat de auto in ongewijzigde staat moet blijven tussen de taxatie en de aangifte en dat de schade tussentijds kan zijn hersteld, dat dit een leemte is in de wet en aldus niet is voldaan aan het rechtszekerheidsbeginsel, dat dus uit niets blijkt dat de auto op het moment van de schouw door DRZ in dezelfde staat verkeert als op het moment van de fysieke opname door de taxateur en dat eventuele afwijkingen in de staat van de auto belastingplichtigen niet kunnen worden tegengeworpen nu niet is voldaan aan het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank volgt deze zienswijze niet. Het betoog van eiser ziet eraan voorbij dat (in gevallen als het onderhavige, waarin aangifte is gedaan vóór 1 januari 2022) het bedrag van de verschuldigde bpm moet worden bepaald aan de hand van de heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop het voorgenomen belastbare feit zal plaatsvinden, dat wil zeggen naar de verwachte staat waarin het motorrijtuig verkeert op het tijdstip van afronding van de registratie dan wel van de aanvang van het gebruik van de weg.7 Met schade die vóór de registratie is hersteld, kan bij de waardebepaling daarom in beginsel geen rekening worden gehouden. Dat is slechts anders indien sprake is van een schadeverleden dat heeft geleid tot een blijvende waardevermindering van de auto. Eiser heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat dit hier het geval is, zodat er geen aanleiding bestaat de bevindingen van DRZ buiten beschouwing te laten, nog daargelaten het antwoord op de vraag of eiser daar belang bij zou hebben na de verwerping van zijn taxatierapport. Onafhankelijkheid DRZ
  32. Eiser heeft gesteld dat DRZ geen onafhankelijke deskundige is en het DRZ-rapport daarom niet gebruikt kan worden bij de waardebepaling van de auto. De rechtbank verwerpt deze klacht. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling staat daaraan niet in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels, waaronder het arrest van het HvJ EU van 3 oktober 2019, C-285/18, Irgita, ECLI:EU:C:2019:829, leidt evenmin tot een ander oordeel. De taxateur/beoordelaar van DRZ is in deze procedure te beschouwen als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is verzocht een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de deskundigheid of onafhankelijkheid van de taxateur/beoordelaar.8 Voor zover eiser daar al belang bij zou hebben, volgt de rechtbank hem ook niet in zijn stelling dat het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid is geschonden doordat eiser wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een deskundige voor wie tal van voorwaarden gelden, terwijl die voorwaarden niet gelden voor de taxateur/beoordelaar van DRZ. 72% van de schade
  33. Ook de stelling dat niet 72%, maar 100% van de door DRZ vastgestelde reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht, kan niet leiden tot een gegrond beroep. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt verwoord in artikel 8, vierde lid, letter b, en bijlage I, van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan
  34. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken.9 Een waardevermindering door schade is een zodanig feit. Eiser dient dus tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat die schade meer bedraagt dan het bedrag dat DRZ heeft vastgesteld. Daarin is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is onvoldoende om aan de op hem rustende bewijslast te voldoen. Dat rekening wordt gehouden met 72% van de reparatiekosten hoeft immers niet te betekenen dat ter zake van auto’s afkomstig uit andere lidstaten meer bpm wordt geheven dan het laagste restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds in Nederland geregistreerde voertuigen en eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich in het onderhavige geval voordoet.
  35. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de door DRZ gehanteerde reparatietarieven buiten beschouwing te laten. Eiser heeft zijn stelling dat te lage tarieven zijn gehanteerd niet met bewijs onderbouwd. Leeftijdskorting en lager tussenliggend tarief
  36. Eiser heeft in zijn beroepschrift geopperd dat een extra leeftijdskorting zou moeten worden toegekend en dat een lager tussenliggend tarief zou moeten worden toegepast. Hij heeft deze stellingen niet nader geconcretiseerd. De rechtbank ziet daarin dan ook geen aanleiding om de naheffingsaanslag te verminderen. Het hoorrecht
  37. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Eiser is drie keer uitgenodigd voor een hoorgesprek waarbij hoorgesprekdata voorgesteld zijn van 27 september 2021 tot en met 14 oktober
  38. Tussentijds is het hoorgesprek afgezegd, vanwege de – naar verweerder terecht aanvoert – in dit verband niet-relevante reden dat er een procedure gestart is door de Staat tegen de gemachtigde. De gemachtigde heeft daaruit eenzijdig de conclusie getrokken dat alle communicatie verbroken moest worden en heeft dat ook gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit deze handelwijze van de gemachtigde, in samenhang bezien met het feit dat eiser al drie keer uitgenodigd voor een hoorgesprek waarbij steeds alternatieven zijn voorgesteld na een afmelding, mogen concluderen dat afgezien werd van het hoorgesprek. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat uit de gedingstukken (de correspondentie tussen verweerder en de gemachtigde over het horen) blijkt dat de persoon (mevrouw [B] ) die volgens de gemachtigde de hoorgesprekken zou gaan voeren, in ieder geval op 14 oktober 2021 weer aan het werk zou zijn en zij desondanks niet op de hoorzitting is verschenen, zonder afzegging of nader verzoek om uitstel. Het hoorrecht is niet geschonden. Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht
  39. Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt
  40. In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.11 Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.12 Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.13 Eiser heeft de voor het beroep verschuldigde griffierecht voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is. Wettelijke rente en griffierecht
  41. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente.14 Het voorgaande neemt niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiser wordt uitbetaald. Conclusie
  42. Gelet op wat hiervoor is overwogen moet het beroep ongegrond verklaard worden. Immateriële schadevergoeding
  43. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 10 juni 2021 en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 29 juli
  44. De uitspraak van de rechtbank is op 11 september 2024 gedaan. Dat is afgerond 40 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met afgerond 16 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 29 juli 2022 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding voor 8/16 deel aan de bezwaarfase te worden toegerekend en voor 8/16 aan de beroepsfase.
  45. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Of de schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen, doet in dit verband niet ter zake.15 Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.
  46. Daarvan dient € 750 door verweerder te worden vergoed en € 750 door de Staat.
  47. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397, leidt daartoe niet. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat eiser in dit geval recht heeft op een hogere vergoeding dan thans toegekend. Ook het arrest van het HvJ EU van 26 november 2013, C-58/12 P (Gascogne), ECLI:EU:C:2013:770, waarop eiser zich beroept, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu het in dit arrest een handeling van een instelling van de Unie betreft, namelijk het HvJ EU. Proceskosten
  48. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25).16 Om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij verweerder en de Staat ieder de helft betalen. Hetzelfde geldt voor de vergoeding van het griffierecht.17
  49. Voor een integrale proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Uit de gedingstukken en hetgeen eiser heeft gesteld, valt niet op te maken dat verweerder zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Het beroep is zelfs inhoudelijk ongegrond. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb is ook anderszins niet gebleken. Al hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, maakt ook niet dat daarvan sprake is. Anders dan eiser heeft betoogd is het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop ingevolge het Bpb aanspraak kan worden gemaakt, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, ook niet voldoende om te concluderen dat aan het Unierecht aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend.18 (…) [1] Zie ook HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.
  50. [2] Zie ook HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.
  51. [3] HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277, r.o. 3.4.1-3.4.
  52. [4] Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, p.
  53. [5Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, p.
  54. [6] Zie met name HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.5 en HR ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.
  55. [7] Zie HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.
  56. [8] Vgl. Gerechtshof Den Haag 15 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2696, r.o. 5.1.3.
  57. [9HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.
  58. [10] Vgl. EHRM 20 december 2007, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:
  59. [11] Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:
  60. [12] HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.
  61. [13] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8618, r.o. 4.
  62. [14] HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.
  63. [15] Vgl. HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3 en HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, r.o. 3.2.
  64. [16] HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2 en HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 6.
  65. [17] Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.
  66. [18] Vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, r.o. 2.4.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.
  67. In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of het juiste bedrag aan bpm is voldaan en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de schadevergoeding onjuist is vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop hij recht heeft. 4.
  68. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale althans veel hogere proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding. 4.
  69. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep 5.
  70. Met inachtneming van de herkansingsfunctie die de partij die hoger beroep instelt toekomt, is de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank voor wat betreft de grieven van belanghebbende over het Unierecht, de bewijslastverdeling, naheffen na het belastbare feit, het stellen van prejudiciële vragen, het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, het bedrag van de naheffingsaanslag, 72% dan wel 100% aftrek van schade, de vergoeding van immateriële schade, het vooraf heffen van griffierecht, een rentevergoeding en de vergoeding van proceskosten op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Belanghebbende heeft in hoger beroep op deze geschilpunten geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de bezwaarfase of in de beroepsfase zijn aangevoerd, noch standpunten ingenomen en argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in de bezwaarfase en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op het onderhavige geschilpunt werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank op deze punten niet in stand kan blijven. DRZ 5.2.
  71. Belanghebbende stelt dat de werknemers van DRZ ondeskundig zijn en dat daarom geen sprake kan zijn van een deugdelijk rapport van DRZ. 5.2.
  72. Het Hof overweegt dat geen enkele aanleiding bestaat voor de, door belanghebbende ingenomen en overigens geenszins geconcretiseerde, conclusie dat sprake is van – naar het Hof begrijpt uit de verklaring van belanghebbende – ondeskundigheid, vooringenomenheid, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en misbruik van bevoegdheden. Bij aangiften bpm waarin wordt gebruikgemaakt van een individuele taxatie, kunnen de indieners worden uitgenodigd het voertuig op een van de locaties van DRZ te tonen. Op deze locaties kan een schouw onder optimale omstandigheden worden uitgevoerd, door middel van gekwalificeerd personeel van DRZ, goede verlichting en de beschikbaarheid van alle benodigde apparatuur en programmatuur. Niet gebleken is dat de Belastingdienst DRZ beïnvloedt of instrueert over de wijze van taxeren (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5796 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1818). Voorts staat het de Inspecteur vrij een deskundige naar zijn keuze in te schakelen. Het Hof ziet onder de gegeven omstandigheden dan ook geen reden om de medewerkers van DRZ op verzoek van belanghebbende te horen. 5.2.
  73. Belanghebbende stelt voorts dat geen wettelijke grondslag bestaat voor de controle door DRZ van de taxatiewaarde van een gebruikt voertuig. Het Hof verwerpt deze stelling gelet op artikel 10, lid 10, Wet bpm (tekst vanaf 1 juli 2020 t/m 1 januari 2022): “Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. Daarbij kan de vermindering, bedoeld in het tweede lid, worden verhoogd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b, en g. Voorts kan daarbij een termijn worden vastgesteld waarbinnen het motorrijtuig in ongewijzigde staat beschikbaar wordt gehouden voor controle met het oog op een juiste vaststelling van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid.” De hiervoor geciteerde bepaling biedt voldoende wettelijke grondslag voor de controle. De tekst laat ook geen twijfel erover bestaan dat de regelgever wel degelijk de bevoegdheid heeft om desbetreffende maatregelen te treffen in de Uitvoeringsregeling bpm. Het Hof twijfelt niet eraan dat de controle door DRZ op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Of de aanbestedingsprocedure al dan niet juist is verlopen, is voor de onderhavige procedure niet van belang. 5.2.
  74. Het Hof is voorts van oordeel dat, anders dan belanghebbende meent, de controle geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het eigendomsrecht van belanghebbende. De voorwaarde om het voertuig zes werkdagen in ongewijzigde staat te laten is een geschikt en proportioneel middel om de doelstelling – het controleren van de afschrijving – te verwezenlijken. Deze voorwaarde tast het eigendomsrecht van belanghebbende niet aan. De bedoeling van de controle staat ook duidelijk omschreven in de uitnodiging om het voertuig te tonen. De hiertegen gerichte klacht ontbeert feitelijke grondslag. Schadeaftrek 5.
  75. Belanghebbende betoogt dat met betrekking tot de auto meer schade in aanmerking had moeten worden genomen. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat rekening dient te worden gehouden met meer schade dan in aanmerking is genomen door DRZ. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. 5.
  76. De beoordelaar van DRZ heeft buiten de schade vermeld in zijn taxatierapport geen verdere schade in aanmerking genomen. De afwijzing voor de door belanghebbende gestelde schade is in het rapport van DRZ toegelicht. 5.
  77. Belanghebbende heeft bij zijn pleitnota foto’s gevoegd die een medewerker van DRZ bij het “Onderzoek waardebepaling” had gevoegd. Het enkele wijzen op die foto’s is, tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, niet voldoende om een hoger bedrag aan schade aannemelijk te maken. Uit de foto’s blijkt geenszins meer schade dan de door DRZ al geconstateerde schade, anders dan normale gebruikssporen aan de auto van meer dan 6,5 jaar oud en met bijna 40.000 gereden kilometers. Ter zitting is van de kant van belanghebbende specifiek gewezen op schades aan de bekleding van de deur linksvoor, voorbumper en een dorpel, die in het rapport van DRZ niet als schade in aanmerking zijn genomen, maar in de visie van belanghebbende wel als schade in aanmerking hadden moeten worden genomen. Met de Inspecteur is het Hof van oordeel dat ook in die gevallen sprake is van niet meer dan normale gebruikssporen, gegeven het feit dat sprake is van een terreinwagen van ongeveer 6,5 jaar oud ten tijde van de registratie met een kilometerstand van bijna 40.
  78. Hierbij neemt het Hof nog in aanmerking dat weliswaar een foto van een dorpel bij het rapport van de kant van belanghebbende is gevoegd, maar voor een eventuele schade aan de dorpel ten tijde van de registratie van de auto geen bedrag in aanmerking is genomen. 5.
  79. Belanghebbende betwist dat het percentage van de schade van 72 dat door DRZ in aanmerking is genomen in overeenstemming is met het Unierecht en betoogt dat 100% van de schade in aftrek moet worden gebracht. Het Hof verwerpt dit standpunt. De bewijslast rust op belanghebbende (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, r.o. 2.3.4 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Als hij meent dat 100% van de schade voor aftrek in aanmerking komt, is het aan hem om dat te onderbouwen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Ex-rental 5.
  80. Belanghebbende stelt dat de waarde van de auto nog moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:
  81. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de auto een ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). Prejudiciële vragen 5.
  82. Het Hof ziet in al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen. Slotsom 5.
  83. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten
  84. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De griffier, de voorzitter, L. van den Bogerd H.A.J. Kroon De beslissing is op 19 november 2025 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.