← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2025:2921

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummer BK-24/855 Uitspraak van 19 november 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 augustus 2024, nummer SGR 23/

  1. Procesverloop 1.
  2. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd (de naheffingsaanslag). Daarbij is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.
  3. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de beschikking inzake belastingrente bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag en de beschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.
  4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van €
  5. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 100; veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 900; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden; draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser; bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.” 1.
  6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft verweer gevoerd bij nader stuk van 11 juli
  7. Belanghebbende heeft bij nader stuk van 27 augustus 2025 een pleitnota ingediend. Ook heeft belanghebbende nog pleitaantekeningen ingezonden met dagtekening 10 september
  8. 1.
  9. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 september
  10. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.
  11. Belanghebbende heeft voor een Bentley Continental GT Coupé met kenteken [kenteken] (de auto) op aangifte een bedrag van € 10.434 aan bpm voldaan. De datum eerste toelating van de auto is 24 april
  12. Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [A] (het taxatierapport). Daarbij is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 308 g/km. De taxateur heeft bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde rekening gehouden met een bedrag van € 90.808 aan schade aan de auto en een handelsinkoopwaarde/koerslijstwaarde (onbeschadigd) van € 149.
  13. 2.
  14. De Inspecteur heeft de aangifte geselecteerd voor controle door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de historische nieuwprijs, de netto catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) van de auto op grond van de koerslijst Xray vastgesteld op respectievelijk € 330.347, € 220.370 en € 175.
  15. DRZ heeft een waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen van € 22.100, zijnde 100% van de door DRZ opgestelde schadecalculatie van € 22.
  16. DRZ is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 278 g/km. De handelswaarde in beschadigde staat heeft DRZ aldus bepaald op € 153.
  17. 2.
  18. De Inspecteur heeft uitgaande van de bevindingen van DRZ een naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd. De naheffingsaanslag is vastgesteld op € 19.
  19. Bij de naheffingsaanslag is € 1 belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt, welk bezwaar door verweerder ongegrond is verklaard. Belanghebbende heeft ter zake van de inschrijving in het kentekenregister voor de hierna vermelde auto afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie op aangifte bpm voldaan. Oordeel van de Rechtbank
  20. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “Prejudiciële vragen
  21. De rechtbank overweegt vooraf dat zij niet verplicht is tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen. Hoorplicht
  22. Voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar is eiser tenminste drie maal uitgenodigd voor een hoorgesprek, eerst voor 31 maart 2022, vervolgens voor 7 april 2022 en daarna voor 21 april
  23. De brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiser gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd. Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek op 21 april 2022 via WebEx. Er is geen afmelding van de gemachtigde van eiser ontvangen en hij heeft ook niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiser. Van schending van de hoorplicht is dan ook geen sprake. Deskundigheid hertaxateur DRZ
  24. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen. Waardevermindering wegens schade
  25. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. Eiser dient dus tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat die schade meer bedraagt dan het bedrag dat DRZ heeft vastgesteld. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. De daarin genoemde schade is echter niet, althans niet in die mate, aangetroffen door DRZ. Nu eiser de schadetaxatie van DRZ onvoldoende onderbouwd heeft weersproken, is eiser niet geslaagd in het van hem te vergen bewijs. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ingevolge artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen het motorrijtuig gedurende zes dagen na de indiening van de aangifte in ongewijzigde staat beschikbaar moet worden gehouden teneinde het motorvoertuig te tonen. Indien eiser al eerder was begonnen met schadeherstel, kan dat verweerder niet worden tegengeworpen. 72% van de schade
  26. Nu door DRZ reeds 100% van de schade in aanmerking is genomen, behoeft wat eiser hierover heeft aangevoerd geen verdere behandeling. Koerslijst Eurotax
  27. Verweerder heeft aangevoerd dat er voor deze specifieke auto geen koerslijst beschikbaar was en dat daarom is uitgegaan van de koerslijst van een referentieauto waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichtst aanleunen tegen die van de auto, in casu een XRay-koerslijst. Eiser heeft daartegenover aangevoerd dat er een koerslijst van Eurotax van een soortgelijk voertuig beschikbaar is en dat daarvan uit moet worden gegaan omdat die gunstiger is dan de door verweerder toegepaste koerslijst. Verweerder heeft dit weersproken en daarbij, mede onder verwijzing naar de constateringen van DRZ, aangevoerd dat de Eurotax-koerlijst qua eigenschappen en kenmerken verder af ligt van de auto dan de door verweerder gebruikte XRay-koerslijst. De rechtbank volgt verweerder hierin en acht niet aannemelijk dat er een Eurotax-koerslijst is van een referentieauto waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichter aanleunen tegen die van de auto. De rechtbank neemt daarbij met name ook in aanmerking dat in het ‘onderzoek waardebepaling’ (bijgevoegd bij de kennisgeving van de aanslag) de volgende bevindingen van DRZ zijn opgenomen: “3a. Koerslijstonderzoek Handelsinkoopwaarde op basis van Op basis van koerslijsten de koerslijsten a. AutotelexPro (Marge) Geen waarde. b. Xray € 175.659,- c. Xray rental NVT d. Eurotax XchangeNet Geen waarde.” en vervolgens “4c. Bevindingen/opmerkingen (...) Doordat ik in Eurotax niet alle opties (sowieso geen First Edition) kan selecteren heb ik voor mijn koerslijst enkel de Xray koerslijst kunnen hanteren. De aangever heeft zijn Eurotaxkoerslijst ook niet compleet (lijst met opties ontbreekt).” Op basis van deze constateringen van DRZ, waaraan de rechtbank geen reden heeft te twijfelen, heeft verweerder voorbij mogen gaan aan de Eurotax-koerslijst en heeft hij terecht de XRay-koerslijst gebruikt. De rechtbank volgt verweerder (en DRZ) ook in diens constatering dat de door eiser bij het taxatierapport overgelegde Eurotax-koerslijst niet volledig is, in die zin dat de lijst met opties ontbreekt, zodat daarop geen beroep kan worden gedaan. Dat de auto een andere uitvoering betreft (namelijk een ‘Mulliner’) dan waar verweerder vanuit is gegaan (een ‘first edition’) en dat voor die uitvoering wel een andere, voor eiser voordeliger koerslijst voorhanden is, is verder ook niet aannemelijk geworden. Eiser heeft dat wel gesteld maar, tegenover de betwisting door verweerder, niet voldoende geconcretiseerd, inzichtelijk gemaakt en onderbouwd. Leemte in de wetgeving
  28. Eiser heeft gewezen op een door hem geconstateerde leemte in de regelgeving. Door deze leemte kan een belastingplichtige na de opname door de taxateur maar vóór het doen van aangifte, werkzaamheden aan een voertuig (laten) verrichten. De verplichting om een voertuig in ongewijzigde staat beschikbaar te houden geldt volgens eiser immers pas vanaf de aangifte. De rechtbank overweegt dat de taxatierapport van eiser kennelijk niet de toestand van de auto op het moment van het doen van aangifte beschrijven. Alleen als dat het geval is, mag bij de aangifte worden uitgegaan van een taxatierapport. Dat het taxatierapport niet ouder mag zijn dan één maand betekent niet dat op basis daarvan aangifte mag worden gedaan, ook als de auto na taxatie en voor het doen van aangifte is hersteld. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel
  29. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder heeft eiser bij brief van 30 juni 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten, van welke gelegenheid eiser geen gebruik heeft gemaakt. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd. Betalings-en heffingsmodaliteiten
  30. Eiser stelt dat de Bpm op de onderhavige auto in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt. De rechtbank verwijst daartoe naar rechtsoverweging 5.1 van ECLI:NL:GHDHA:2023:1592 (en de geciteerde rechtsoverweging 7 van de uitspraak van de rechtbank) en het arrest van de Hoge Raad van 23 september
  31. Extra leeftijdskorting en lager tussenliggend tarief
  32. Eiser heeft slechts in zijn algemeenheid gesteld dat er wellicht reden bestaat voor toepassing van extra leeftijdskorting. Zij heeft echter, tegenover de weerspreking door verweerder, geen berekeningen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat er extra leeftijdskorting moet worden toegepast. Ook anderszins is dit de rechtbank niet gebleken. In het beroepschrift is weliswaar een kopje “Leeftijdskorting/bewijslastverdeling/lager tussenliggend tarief” opgenomen, maar enige concretisering daarvan ontbreekt. CO2 uitstoot
  33. Eiser wijst er op dat als gevolg van de overgang van de NEDC meetmethode naar de WLTP meetmethode is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot van auto’s. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in de aangifte is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot dan in de aangifte is vermeld. Eisers verwijzing naar de omstandigheid dat voor de auto door de RDW twee CO2-uitstoten zijn geregistreerd, te weten 308 gr/km (WLTP) en 287 gr/km (NEDC) kan hem evenmin baten, omdat verweerder reeds is uitgegaan van de NEDC-waarde (de laagste en meest voordelige van de twee). Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht
  34. Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt. In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake. Eiser heeft het voor het beroep verschuldigde griffierecht voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is. Wettelijke rente en griffierecht
  35. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Het voorgaande neemt niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiser wordt terugbetaald. Belastingrente
  36. Tegen de belastingrente van € 1 zijn geen afzonderlijke grinden aangevoerd. Conclusie
  37. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond. Immateriële schadevergoeding
  38. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 8 oktober 2021 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 9 januari
  39. De uitspraak van de rechtbank is op 21 augustus 2024 gedaan. Dat is dus twee jaar ruim tien maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met bijna 10 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 9 januari 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding voor 9/10 deel aan de bezwaarfase te worden toegerekend en voor 1/10 aan de beroepsfase.
  40. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Uit de overgelegde machtigingen volgt niet dat de schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen. In zoverre verschilt onderhavige zaak van de zaak waarin gerechtshof Den Haag op 13 juli 2023 uitspraak heeft gedaan. Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.
  41. Daarvan dient € 900 door verweerder te worden vergoed en € 100 door de Staat. Proceskosten
  42. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november
  43. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25).” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.
  44. In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of het juiste bedrag aan bpm is voldaan, meer specifiek of de te vervangen onderdelen in het onderzoek waardebepaling van DRZ naar de juiste kostprijs in aanmerking zijn genomen, en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de schadevergoeding onjuist is vastgesteld. 4.
  45. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. 4.
  46. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep 5.
  47. Met inachtneming van de herkansingsfunctie die partijen toekomt, is in hoger beroep de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot het oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangevoerd dan wel standpunten ingenomen die niet al in bezwaar of eerste aanleg zijn aangevoerd dan wel gesteld, noch nieuwe stellingen ingenomen of nadere onderbouwingen van de in bezwaar, eerste aanleg en hoger beroep ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de onderhavige geschilpunten werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Dit geldt temeer voor standpunten die feitelijke grondslag missen, maar klakkeloos zijn overgenomen van stukken uit een ander geding, zoals die met betrekking tot een WOK-status. Dit leidt tot de slotsom dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd. 5.
  48. Ook de in hoger beroep betrokken stelling dat DRZ in het onderzoek waardebepaling ten onrechte niet de onderdelenprijzen van Bentley, maar die van een BMW heeft gehanteerd faalt. Het DRZ-rapport vermeldt uitdrukkelijk dat de onderdelen die zijn opgevoerd naar aanleiding van de bijgeleverde offertes van Bentley zelf zijn meegenomen in de calculatie. Zo heeft DRZ tijdens de schouw blijkbaar geen afwijking geconstateerd aan bijvoorbeeld de in de prijsopgave van Bentley opgenomen LED lichtmodule koplamp linksvoor. Voorts stelt het Hof met DRZ vast dat de schadecalculatie die bij de aangifte bpm is gevoegd geen overtuigend inzicht biedt hoe de gecalculeerde schade is bepaald. Dit terwijl de stelplicht en bewijslast in dezen op belanghebbende rusten. Gelet op een en ander is niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van de aangifte bpm meer schade had dan door DRZ tijdens de schouw is vastgesteld en voor 100% is meegenomen in de bepaling van de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat. Belastingrente 5.3.
  49. De aan belanghebbende in rekening gebracht belastingrente van € 52 dient overeenkomstig de verlaging van de naheffingsaanslag te worden verminderd. 5.3.
  50. Belanghebbende betwist echter ook overigens dat de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening is gebracht. Het gehanteerde percentage zou in strijd zijn met hogere regelgeving, zoals het Unierecht, en met algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur. In de Memorie van Toelichting staat over de invoering van het belastingrenteregime, voor zover van belang (MvT, Kamerstuk 2011-2012, 33 003, nr. 3): “Artikel 30hb Voor de hoogte van het percentage van de belastingrente wordt aangesloten bij de wettelijke rente voor niet-handelstransacties. Dit percentage wordt ingevolge artikel 6:120, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaald bij algemene maatregel van bestuur.[64] Aanpassing van het percentage van de wettelijke rente geschiedt, voor zover nodig, halfjaarlijks per 1 januari en per 1 juli door bij de herfinancieringsrente (peildatum ultimo oktober respectievelijk ultimo april) van de Europese Centrale Bank 2,25 procentpunt op te tellen. Om al te grote veranderingen te vermijden wordt een verlaging of verhoging beperkt tot maximaal 2 procentpunten. Er vindt een afronding plaats van halven of meer naar boven en overigen naar beneden. [64] Koninklijk Besluit van 18 januari 1971 (Stb. 27), laatstelijk gewijzigd bij Koninklijke besluit van 23 juni 2011 (Stb. 317). ” 5.3.
  51. Artikel 1, eerste volzin en onderdeel a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente van 17 juni 2020 luidt tijdens de onderhavige periode als volgt: “Het percentage van de belastingrente, bedoeld in artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen: a. is voor de inkomstenbelasting, de erfbelasting, de loonbelasting, de dividendbelasting, de omzetbelasting, de overdrachtsbelasting, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, de accijns, de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen gelijk aan het percentage van de ingevolge artikel 120, eerste lid, van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wettelijke rente, bedoeld in artikel 119 van Boek 6 van dat wetboek, met dien verstande dat het eerstgenoemde percentage ten minste 4 bedraagt;” 5.3.
  52. In het Besluit wettelijke rente van 18 januari 1971 (zoals dit geldt tijdens de onderhavige periode) wordt de wettelijke rente als bedoeld in artikel 119 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek vastgesteld op 2% per jaar. Dit percentage geldt tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2023, de datum waarop het besluit wordt ingetrokken. De toelichting op de vaststelling van het percentage van 2 luidt (Nota van Toelichting, Stb. 2014,491), voor zover van belang: “Aanpassing van het percentage van de wettelijke rente geschiedt, indien nodig, halfjaarlijks per 1 januari en per 1 juli door bij de basisherfinancieringsrente (peildatum ultimo oktober, respectievelijk ultimo april) van de Europese Centrale Bank (hierna: ECB) 2,25 procentpunt op te tellen. Om al te grote veranderingen in het wettelijke rentepercentage te vermijden wordt een verlaging of verhoging beperkt tot maximaal 2 procentpunt. Er vindt een afronding plaats van halven of meer naar boven en overigens naar beneden. Maandelijks beslist de Raad van Bestuur van de ECB over de officiële rentetarieven in het eurogebied, waaronder de rente voor basisherfinancieringstransacties. De vaste rente voor basisherfinancieringsoperaties bedraagt sinds 10 september 2014 0,05 procent. Dit betekent dat berekening per de peildatum ultimo oktober 2014 een rentepercentage oplevert van 2,3 procent. In overeenstemming met voornoemde vaststellingssystematiek wordt de wettelijke rente per 1 januari 2015 bepaald op 2 procent.” 5.3.
  53. Het Hof is van oordeel dat geen sprake is van strijd met het geschreven of ongeschreven Unierecht. Het is, bij gebrek aan een Unierechtelijke regeling, aan de lidstaten om een regeling te treffen over het al dan niet in rekening brengen van rente op belastingschulden en over het uit het Unierecht voortvloeiende recht op compensatie van verlies en schade bij teruggaven van in strijd met het Unierecht geïnde bedragen. De nationale regeling mag niet in strijd zijn met het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Het belastingrenteregime is voor Unierechtelijke en niet-Unierechtelijke situaties gelijk, zodat het niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Ook maakt dit regime het niet moeilijk of onmogelijk om uit het Unierecht voortvloeiende rechten te verzilveren. Het is dus ook niet in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel. 5.3.
  54. Het belastingrenteregime komt het Hof evenmin strijdig voor met andere internationale verbindende bepalingen, zoals artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), artikel 14 EVRM of artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Het Hof stelt voorop dat de belastingplichtige die op tijd een juiste aangifte doet en op tijd en volledig de verschuldigde belasting betaalt, geen belastingrente betaalt. Het belastingrenteregime is ontworpen om belastingplichtigen te stimuleren om tijdig aangifte te doen en de verschuldigde belasting op tijd en tot de laatste euro te betalen. Het is de overheid als schuldeiser toegestaan om rente in rekening te brengen die zij derft wanneer schuldenaren (de belastingplichtigen) hun uit de wet voortvloeiende schulden te laat betalen. In dit verband is een parallel te trekken met de verzuimrenteregeling in de Awb. Deze vergelijking is bij belastingen die op aangifte worden afgedragen of voldaan zuiverder dan bij belastingen die bij wege van aanslag worden geheven, omdat de omvang van de schuld direct vaststaat en moet worden betaald en niet eerst hoeft te worden geformaliseerd. Het percentage voor andere belastingen dan de vennootschapsbelasting is weliswaar hoger dan de wettelijke rente op niet-handelstransacties, maar veel lager dan het percentage op handelstransacties. Het percentage van 4 – het hoogste percentage dat in de onderhavige periode van toepassing is – is niet dusdanig hoog dat kan worden gezegd dat sprake is van een woekerrente of van misbruik van bevoegdheid (détournement de pouvoir). De schuld waarover de rente wordt berekend, wordt niet gedekt door een garantie of enige andere vorm van zekerheid (anders dan de positie van preferent schuldeiser ingeval van faillissement), zodat een opslag op de basisrente van het ECB en ook op het gangbare percentage voor een hypothecaire lening billijk is. Ook is het percentage voor teruggaven en schulden gelijk. Om al deze redenen acht het Hof het rentepercentage op regelniveau niet in strijd met de eerder genoemde bepalingen. Zoals de gemachtigde van belanghebbende altijd betoogt in de omgekeerde situatie, dient een schuldenaar zijn schuldeiser schadeloos te stellen bij latere betaling. 5.3.
  55. Van strijd met het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM), het legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel (artikel 7 EVRM en artikel 49, derde lid, Handvest van grondrechten van de Europese Unie (Handvest EU)) of het ne bis in idem beginsel (artikel 50 van het Handvest EU en artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM) is evenmin sprake. Belanghebbende heeft niet gemotiveerd waarom deze belangrijke beginselen zouden zijn geschonden en het Hof ziet geen reden om ambtshalve te oordelen dat dit wel het geval is. 5.3.
  56. Belanghebbende heeft geen juiste aangifte gedaan en moet daarom nog een relatief aanzienlijk deel van de verschuldigde belasting betalen. Ook is het te betalen bedrag in absolute zin als hoog aan te merken. Belanghebbende heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat de belastingrente een onoverkomelijk last voor hem vormt. Ook op individueel niveau is geen sprake van een buitensporige last. Ex-rental 5.
  57. Belanghebbende stelt – zo begrijpt het Hof – dat de waarde van de auto nog moet worden verminderd nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:
  58. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de auto een ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). Bewijsaanbod 5.
  59. Belanghebbende heeft in hoger beroep verklaard dat het goed zou zijn als de medewerker van DRZ die betrokken is geweest bij de waardebepaling van de auto zou worden gehoord. Het Hof oordeelt over deze als bewijsaanbod opgevatte mededeling als volgt. Voor zover het bewijsaanbod ziet op getuigenbewijs, is belanghebbende in de uitnodiging voor de zitting van het Hof gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of op te roepen. De gemachtigde van belanghebbende heeft gesteld dat hij de heer [B] per e-mail heeft opgeroepen, maar geen reactie heeft gekregen. Op grond van artikel 8:60, lid 4, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een partij een getuige meebrengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploot oproepen. Die partij moet dat uiterlijk tien dagen voor de dag van de zitting aan het Hof en aan de andere partij meedelen met vermelding van naam en woonplaats. Dat belanghebbende van deze mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt, komt voor zijn rekening en risico. Het belang van een doelmatige procesgang weegt zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij het alsnog overleggen van het aangeboden bewijs. Het Hof passeert daarom het bewijsaanbod. Het Hof ziet ook geen aanleiding zelf een medewerker van DRZ op te roepen. Slotsom 5.
  60. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten
  61. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De griffier, de voorzitter, L. van den Bogerd H.A.J. Kroon De beslissing is op 19 november 2025 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.