GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummer BK-24/856 Uitspraak van 19 november 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 augustus 2024, nummer SGR 23/
- Procesverloop 1.
- Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd (de naheffingsaanslag). 1.
- Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van €
- De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 970; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 530; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden; - draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser; - bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.” 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft verweer gevoerd bij nader stuk van 15 augustus 2025 en nog een nader stuk ingediend op 1 september
- Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 26 augustus en 2 september 2025 en pleitnota’s ingediend, bij het Hof ingekomen op 1, 8 en 10 september
- 1.
- De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 september
- Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.
- Belanghebbende heeft voor een BMW 340i xDrive Executive met kenteken [kenteken 1] en VIN […] (de auto) op aangifte een bedrag van € 1.987 aan bpm voldaan. De datum eerste toelating van de auto is 1 augustus
- De auto is gemaakt voor de Amerikaanse markt en is aldaar beschadigd geraakt. De auto is in Litouwen opgeknapt en in Duitsland getest. Belanghebbende heeft de auto in beschadigde staat in Duitsland gekocht voor € 27.900 en naar Nederland gebracht. Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [A] (het taxatierapport). De taxateur is uitgegaan van een CO2 -uitstoot van 265 g/km, een bruto bpm van € 56.627, een nieuwprijs inclusief opties van € 111.279 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 22.
- De handelsinkoopwaarde is aan de hand van het taxatierapport en met inachtneming van een waardevermindering wegens schade van (€ 11.396,91 + € 7.878,50 (“extra waardevermindering n.a.v. totaal-verlies USA en afwijkend model”) - € 675 (“correctie i.v.m. gebruikerssporen”) =) € 18.600,41 (100%), bepaald op (afgerond) € 3.
- 2.
- De Inspecteur heeft de aangifte geselecteerd voor controle door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 22.
- DRZ heeft geen schade, anders dan normale gebruiksschade, aan de auto vastgesteld. De Inspecteur heeft daarom geen schadebedrag in aanmerking genomen. De Inspecteur heeft vervolgens de verschuldigde bpm, met toepassing van de (voor belanghebbende gunstiger dan de taxatie- of koerslijstmethode) forfaitaire tabel berekend op € 15.
- Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende een naheffingsaanslag bpm ten bedrage van € 13.256 opgelegd. Bij de naheffingsaanslag is geen belastingrente in rekening gebracht. Oordeel van de Rechtbank De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “Prejudiciële vragen
- De rechtbank overweegt vooraf dat zij niet verplicht is tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen. Hoorplicht
- Voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar is eiser tenminste twee maal uitgenodigd voor een hoorgesprek, op 14 juni
- De brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiser gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd. Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek op 14 juni 2022 via WebEx. Er is geen afmelding van de gemachtigde van eiser ontvangen en hij heeft ook niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiser. Van schending van de hoorplicht is dan ook geen sprake. Kan het taxatierapport van eiser dienen & & gebruik forfaitaire tabel
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het taxatierapport van eiser niet kan dienen om de waarde van de auto te bepalen, reeds omdat daarin wordt uitgegaan van schade die niet door DRZ is waargenomen en daarbij bovendien zonder nadere toelichting en daarmee ten onrechte 100% van de berekende schade in mindering is gebracht. Om die redenen kan eiser zich niet op het taxatierapport beroepen ter ondersteuning van zijn stelling dat teveel Bpm is nageheven. Verweerder heeft dan ook terecht de verschuldigde Bpm met toepassing van de (voor eiser ook meest gunstige) forfaitaire tabel berekend. Deskundigheid hertaxateur DRZ
- Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen. Waardevermindering wegens schade
- De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte schade had die door verweerder niet is onderkend. Dat geldt ook voor de (extra) waardevermindering die in het taxatierapport van eiser in aanmerking is genomen onder de noemer ‘totaal-verlies USA en afwijkend model (35%)’. Ook die is niet nader onderbouwd met markgegevens of anderszins inzichtelijk gemaakt, noch in het taxatierapport noch anderszins. Met het rapport en de daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over aard en omvang van de gestelde schade. De bij het taxatierapport overgelegde foto’s tonen niet overtuigend aan dat verdergaand sprake is van schade in tegenstelling tot gebruikssporen. Eiser heeft ook niet dan wel onvoldoende geconcretiseerd welke beschadigingen volgens hem dan ten onrechte als normale gebruikssporen zijn aangemerkt. Waardevermindering wegens ex-schade De rechtbank benadrukt dat het enkele stellen dat de auto in waarde is verminderd omdat de auto (forse) schade heeft gehad niet voldoende is om een waardevermindering aan te nemen; de aard en omvang van de schade moet worden gesteld, inzichtelijk en aannemelijk worden gemaakt én de waardevermindering moet worden onderbouwd met concrete marktgegevens op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de gestelde (inmiddels herstelde) schadeposten inderdaad een waardeverminderend in de markt effect hebben, zoals bijvoorbeeld met brancherapporten of -gegevens dan wel andere concrete branche- of marktgegevens. Het stellen dat het waardeverminderend effect een feit van algemene bekendheid is, is daartoe vrijwel nooit voldoende, tenzij het daadwerkelijk een feit van algemene bekend is. Daarvan is niet snel sprake, en dat zal dan ook niet alleen binnen de autobranche algemeen bekend moeten zijn maar ook daarbuiten. 72% van de schade
- Nu door DRZ geen schade is geconstateerd en eiser daartegenover niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarvan wél sprake is, behoeft eisers stelling dat niet 72%, maar 100% van de reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht hier geen verdere behandeling. Leemte in de wetgeving
- Eiser heeft gewezen op een door hem geconstateerde leemte in de regelgeving. Door deze leemte kan een belastingplichtige na de opname door de taxateur maar vóór het doen van aangifte, werkzaamheden aan een voertuig (laten) verrichten. De verplichting om een voertuig in ongewijzigde staat beschikbaar te houden geldt volgens eiser immers pas vanaf de aangifte. De rechtbank overweegt dat de taxatierapport van eiser kennelijk niet de toestand van de auto op het moment van het doen van aangifte beschrijven. Alleen als dat het geval is, mag bij de aangifte worden uitgegaan van een taxatierapport. Dat het taxatierapport niet ouder mag zijn dan één maand betekent niet dat op basis daarvan aangifte mag worden gedaan, ook als de auto na taxatie en voor het doen van aangifte is hersteld. Extra leeftijdskorting en lager tussenliggend tarief
- Eiser heeft slechts in zijn algemeenheid gesteld dat er wellicht reden bestaat voor toepassing van extra leeftijdskorting. Hij heeft echter, tegenover de weerspreking door verweerder, geen berekeningen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat er extra leeftijdskorting moet worden toegepast. Ook anderszins is dit de rechtbank niet gebleken. In het beroepschrift is weliswaar een kopje “Leeftijdskorting/bewijslastverdeling/lager tussenliggend tarief” opgenomen, maar enige concretisering daarvan ontbreekt. CO2 uitstoot
- Eiser stelt in zijn pleitnota dat is uitgegaan van een onjuiste (te hoge) CO2-uitstoot (in de aangifte is uitgegaan van 265 gram/km) en voert daartoe aan dat er een gelijksoortige personenauto staat ingeschreven in het Nederlandse kentekenregister, ook afkomstig uit Amerika, waarvan de CO2-uitstoot 180 gram/km bedraagt. Eiser heeft deze stelling echter niet met enig bewijsmiddel onderbouwd. De rechtbank acht die stelling dan ook niet aannemelijk en ziet daarin daarom geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot dan eiser heeft aangegeven. Historische nieuwprijs
- Eiser stelt verder nog dat verweerder uitgaat van een onjuiste (te lage) historische nieuwprijs omdat verweerder deze zelf hoger heeft berekend. Deze stelling ontbeert feitelijke grondslag en wordt daarom door de rechtbank verworpen. Eisers stelling berust namelijk op de (onjuiste) veronderstelling dat de zogenoemde PGA-waarde (die door verweerder inderdaad op een hoger bedrag is berekend) hetzelfde is als de historische nieuwprijs. Dat is niet zo; het zijn verschillende waarden die niet 1-op-1 uitwisselbaar zijn. De door verweerder gehanteerde historische nieuwprijs komt overeen met die zoals door eiser berekend.
- Eiser wijst ook nog erop dat uit de koerslijst van Autotelex volgt dat de CO2-uitstoot voor een gelijksoortig binnenlands voertuig, afkomstig uit Amerika, 162 gram/kilometer bedraagt. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat eiser aangifte heeft gedaan op basis van de meest vergelijkbare auto op de XRay-koerslijst, en dat daarop het afschrijvingspercentage is vastgesteld. Dat is een juiste toepassing van de koerslijstmethode. Het staat immers eiser vrij om ter bepaling van het afschrijvingspercentage binnen de door hem gebruikte koerslijst een referentieauto te kiezen waarvan de eigenschappen en de kenmerken dichter aanleunen bij die van de auto.[1] Het staat eiser daarbij echter niet vrij om de historische nieuwprijs die volgt uit de koerslijst te wijzigen door uit te gaan van een hogere CO2-uitstoot, zoals eiser hier in wezen bepleit. Er moet immers van worden uitgegaan dat de variabelen die de koerslijst in aanmerking neemt, een samenhangend geheel vormen.[2] Dit betekent dat om het juiste afschrijvingspercentage als bedoeld in artikel 10, lid 2, Wet BPM te kunnen vaststellen, zowel de catalogusprijs als de handelsinkoopwaarde betrekking moeten hebben op dezelfde referentieauto[3]. Dit brengt daarom mee dat in dat kader de bruto-BPM ook wordt gebaseerd op die referentieauto. De door eiser voorgestane afwijking van de historische nieuwprijs die volgt uit de koerslijst van Xray die eiser heeft gehanteerd, is dan ook onjuist en niet toegestaan.[4] Unierechtelijk verdedigingsbeginsel
- Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder heeft eiser bij brief van 12 januari 2022 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten, van welke gelegenheid eiser geen gebruik heeft gemaakt. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd. Betalings-en heffingsmodaliteiten
- Eiser stelt dat de Bpm op de onderhavige auto in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt. De rechtbank verwijst daartoe naar rechtsoverweging 5.1 van ECLI:NL:GHDHA:2023:1592 (en de geciteerde rechtsoverweging 7 van de uitspraak van de rechtbank) en het arrest van de Hoge Raad van 23 september
- Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht
- Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt[5]. In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.[5] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.[7] Eiser heeft het voor het beroep verschuldigde griffierecht voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is. Wettelijke rente en griffierecht
- Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Het voorgaande neemt niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiser wordt uitbetaald. Conclusie
- Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard. Immateriële schadevergoeding
- Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 28 maart 2021 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 29 maart
- De uitspraak van de rechtbank is op 21 augustus 2024 gedaan. Dat is dus drie jaar bijna vijf maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met bijna zeventien maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 29 maart 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding voor 6/17 deel aan de bezwaarfase te worden toegerekend en voor 11/17 aan de beroepsfase.
- Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Uit de overgelegde machtigingen volgt niet dat de schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen. In zoverre verschilt onderhavige zaak van de zaak waarin gerechtshof Den Haag op 13 juli 2023 uitspraak heeft gedaan. Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.
- Daarvan dient € 530 door verweerder te worden vergoed en € 970 door de Staat. Proceskosten
- De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[8] Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25).” (…) [1] Vgl. Gerechtshof Amsterdam 16 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:
- [2] Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.
- [3] Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.3.
- [4] Vgl. Gerechtshof Den-Bosch 15 oktober 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:
- [5] vgl. EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:
- [6] ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.
- [7] ECLI:NL:GHARL:2023:8618, r.o. 4.
- [8] ECLI:NL:HR:2023:1526.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.
- In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of het juiste bedrag aan bpm is voldaan en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de schadevergoeding onjuist is vastgesteld. 4.
- Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere kostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale althans veel hogere proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding. 4.
- De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep 5.
- Belanghebbende voert in hoger beroep als negende grief aan dat de Rechtbank miskent dat de Inspecteur de zogenoemde historische nieuwprijs (HNP) in de door de DRZ gehanteerde XRAY-koerslijst berekent op € 75.728 en deze vervolgens gebruikt als deler in de breuk voor de bepaling van de afschrijving, maar deze HNP, zo begrijpt het Hof de grief van belanghebbende, dus niet berekent overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:
- Deze grief slaagt. Uitgaande van de door DRZ juist geachte handelsinkoopwaarde van € 22.146 en een juist berekende HNP van € 120.317 bedraagt de afschrijving 81,6 procent. De verschuldigde bpm laat zich dan als volgt berekenen: 18,4 procent van € 56.627 = (afgerond) € 10.
- Er is op aangifte € 1.987 voldaan zodat de naheffingsaanslag op dit punt dient te worden verminderd tot € 8.
- Voor een rentevergoeding over de teruggaaf dient belanghebbende zich te wenden tot de ontvanger. CO2-uitstoot 5.
- Tussen partijen is niet in geschil dat de auto door de RDW is gekeurd en dat daarbij de CO2-uitstoot, berekend op basis van de Scandinavische rekenmethode, is bepaald op 265 g/km. De auto is aan de hand van dit gegeven van de RDW in de heffing van de bpm betrokken. Belanghebbende stelt dat referentievoertuigen een lagere CO2-uitstoot hebben, namelijk 162 g/km, 180 g/km en 203 g/km, en dat voor de auto dus ook een lagere uitstoot in aanmerking moet worden genomen. De auto is vanuit Amerika naar Litouwen geëxporteerd alwaar de auto is opgeknapt. De auto is vervolgens in Duitsland gekeurd en geregistreerd. De uitstoot van 265 g/km komt overeen met de uitstoot op het Duitse kentekenbewijs. 5.
- Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto in een andere EU-lidstaat op de weg heeft gereden. Dit betekent dat belanghebbende voor de auto geen beroep kan doen op artikel 110 VWEU. Ook een eventueel beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat niet op. Aan de hand van de door de gemachtigde overgelegde informatie over de referentievoertuigen kan niet worden vastgesteld dat deze soortgelijk zijn aan de auto. Van de uitstoot van 162 g/km is niet bekend op welk voertuig de uitstoot betrekking heeft. Het referentievoertuig met een uitstoot van 180 g/km betreft een BMW 340 xi en niet een BMW 340i xDrive. Van de genoemde referentievoertuigen zijn de uitvoering, de variant, de opties, de sporen van gebruik, schade of slijtage niet bekend. De datum eerste toelating van het voertuig met kenteken [kenteken 2] is bijna een jaar later dan die van de auto en de spoorbreedten zijn ook iets kleiner dan die van de auto. De EG-typegoedkeuringen zijn ook onbekend, zodat een goede vergelijking niet mogelijk is. Voorts wijken de catalogusprijzen af. Belanghebbende heeft derhalve met wat hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat in het kader van het bepalen van de bruto bpm voor de auto een lagere CO2-uitstoot in aanmerking moet worden genomen. Hieraan doet niet af dat de TÜV NORD mogelijk bereid is tegen betaling de uitstoot op het Datenblatt aan te passen. Ex-rental 5.
- Belanghebbende stelt dat de waarde van de auto nog moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:
- Belanghebbende heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de auto een ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). Overige grieven 5.
- De overige door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde grieven falen op de gronden die de Rechtbank in haar uitspraak heeft gebezigd. De in hoger beroep gestelde feiten en omstandigheden doen daar niet aan af om reden dat deze tegenover de betwisting daarvan door de Inspecteur niet overtuigen. Getuige 5.6 Belanghebbende heeft in hoger beroep verklaard dat het goed zou zijn als de medewerker van DRZ die betrokken is geweest bij de waardebepaling van de auto zou worden gehoord. Het Hof oordeelt over deze als bewijsaanbod opgevatte mededeling als volgt. Voor zover het bewijsaanbod ziet op getuigenbewijs, is belanghebbende in de uitnodiging voor de zitting van het Hof gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of op te roepen. De gemachtigde van belanghebbende heeft gesteld dat hij de heer [B] (van DRZ) per e-mail heeft opgeroepen, maar geen reactie heeft gekregen. Op grond van artikel 8:60, lid 4, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een partij een getuige meebrengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploot oproepen. Die partij moet dat uiterlijk tien dagen voor de dag van de zitting aan het Hof en aan de andere partij meedelen met vermelding van de naam en de woonplaats. Dat belanghebbende van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt heeft, komt voor zijn rekening en risico. Het belang van een doelmatige procesgang weegt zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij het alsnog aangeboden bewijs. Het Hof passeert daarom het bewijsaanbod. Het Hof ziet ook geen aanleiding zelf een medewerker van DRZ op te roepen. Slotsom 5.
- Het hoger beroep is gegrond. Proceskosten 6.
- Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op in totaal € 2.914,50, berekend als volgt: € 647 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (2 punten x € 907 x 1 (gewicht van de zaak)), en € 453,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep (2 punten x € 907 x 1 (gewicht van de zaak) x 0,25). De hoogte van de proceskostenvergoeding in hoger beroep is bepaald op de voet van artikel 19a Wet bpm. De gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dient te worden aangemerkt als een bijzonder geval (vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670). Het Hof kent voor het als conclusie van repliek/pleitnota aangeduide stuk geen (half) procespunt toe, omdat belanghebbende voor de indiening daarvan geen toestemming heeft gevraagd. 6.
- Het Hof ziet geen aanleiding voor een hogere, laat staan een integrale proceskostenvergoeding. Het standpunt van belanghebbende dat aan artikel 47 van het Handvest EU een hogere vergoeding kan worden ontleend, vindt geen steun in het recht. 6.
- Voorts dienen aan belanghebbende de voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 463 te worden vergoed. De Rechtbank heeft per abuis een bedrag van € 50 aan te vergoeden griffierecht vermeld in het dictum van haar uitspraak. 6.
- Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Dit geldt evenzeer ten aanzien van de proceskostenvergoeding. Het Hof honoreert die aanspraak, gelijk hiervoor reeds overwogen, wel in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien de vergoeding van de (proces)kosten en de vergoeding van het griffierecht niet aan belanghebbende worden uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak. Beslissing Het Gerechtshof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 8.435; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.914,50; gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van in totaal € 463 aan griffierechten te vergoeden; bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente ten aanzien van de (proces)kosten en de griffierechten gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak. Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De griffier, de voorzitter, L. van den Bogerd H.A.J. Kroon De beslissing is op 19 november 2025 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.