GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummer BK-24/649 Uitspraak van 29 oktober 2025 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 27 juni 2024, nummer SGR 23/
- Procesverloop 1.
- Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.488 en een verlies uit aanmerkelijk belang van € 21 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belastingrente van € 215 in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.
- Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag afgewezen. 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van €
- De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van €
- De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.
- Belanghebbende heeft op 2 juli 2024, 11 juli 2024, 24 juli 2024, 24 maart 2025 en 25 maart 2025 nadere stukken ingediend. 1.
- Belanghebbende heeft op 26 juni 2025 een verzoek ingediend tot wraking van de raadsheren. Belanghebbende heeft het wrakingsverzoek schriftelijk ingediend voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de hoofdzaak. 1.
- De wrakingskamer van het Hof heeft het verzoek tot wraking zonder mondelinge behandeling afgedaan. Bij uitspraak van 21 augustus 2025 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking afgewezen. 1.
- Partijen zijn op 3 september 2025 uitgenodigd voor een zitting van de meervoudige kamer van het Hof. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer en belanghebbende daarvan op 17 september 2025 op de hoogte gesteld. 1.
- De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 oktober
- Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.
- Belanghebbende is alleenstaand en ontving in 2020 een WAO-uitkering van € 21.
- 2.
- Op 27 mei 2021 heeft de Inspecteur belanghebbendes aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 ontvangen. Daarin is een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.488 opgenomen en heeft hij de WAO-uitkering verantwoord als inkomsten uit tegenwoordige arbeid. 2.
- De Inspecteur heeft met dagtekening 22 oktober 2021 een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 opgelegd met een te ontvangen bedrag van € 3.
- Deze aanslag is – zonder inhoudelijke beoordeling van de aangifte – opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte en daarbij is de arbeidskorting toegepast met een bedrag van € 3.
- 2.
- De Inspecteur heeft bij brief van 17 oktober 2022 belanghebbende in kennis gesteld van het voornemen dat zal worden afgeweken van de aangifte IB/PVV voor het jaar
- De brief luidt, voor zover van belang, als volgt: “
- Afwijking van de aangifte Heffingskortingen Arbeidskorting U hebt recht op de arbeidskorting als u inkomsten uit arbeid hebt. De arbeidskorting wordt berekend over het gezamenlijk bedrag van: - loon uit tegenwoordige dienstbetrekking; - winst uit onderneming; - inkomsten uit overige werkzaamheden. U hebt uw inkomen van UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN aangegeven in de rubriek 'inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking' (salaris, loon en dergelijke). Deze inkomsten moeten echter worden aangemerkt als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking (bijvoorbeeld pensioen, AOW, WAO). U hebt geen recht op de arbeidskorting over de inkomsten uit vroegere dienstbetrekking. Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken.” 2.
- Met dagtekening 18 november 2022 heeft de Inspecteur, overeenkomstig het in 2.4 vermelde voornemen, de definitieve aanslag IB/PVV 2020 opgelegd waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 21.
- De definitieve aanslag is vastgesteld op een te betalen bedrag van € 3.814, na verrekening met de eerdere voorlopige aanslag. Tevens is belastingrente van € 215 in rekening gebracht. 2.
- Belanghebbende heeft op 18 november 2022 bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Op 24 mei 2023 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende afgewezen. Oordeel van de Rechtbank
- De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “
- Op grond van artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) geldt de arbeidskorting voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet. Op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de Wet IB 2001 is arbeidsinkomen - voor zover hier van belang - het gezamenlijke bedrag van wat door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten. Een WAO-uitkering is geen inkomen uit tegenwoordige arbeid.
- Dat laatste volgt uit het tweede lid van artikel 8.1 van de Wet IB
- Op grond van deze bepaling geldt een WAO-uitkering alleen als inkomen uit tegenwoordige arbeid bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek, dat wil zeggen als de periode van arbeidsongeschiktheid niet langer duurt dan 2 jaren (104 weken). Die uitzondering is niet van toepassing. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij al sinds 1986 arbeidsongeschikt is. Hij heeft ook in de jaren 2016, 2017 en 2018 een WAO-uitkering genoten. De WAO-uitkering geldt daarmee niet als inkomsten uit tegenwoordige arbeid, zodat geen aanspraak op arbeidskorting ontstaat.
- Wat eiser heeft aangevoerd over de marine, een bijeenkomst op het Malieveld en de archiefdienst in Parijs heeft geen betrekking op de manier waarop zijn inkomen over 2020 moet worden belast. Daar kan de rechtbank om die reden geen uitspraak over doen.
- Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn door eiser geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is de rechtbank niet gebleken.
- Gelet op wat hiervoor is overwogen is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 niet te hoog vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.
- In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. 4.
- Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag overeenkomstig de door hem ingediende aangifte. 4.
- De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep 5.
- Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangevoerd die in eerste aanleg nog niet zijn aangevoerd noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van door hem bij de Rechtbank ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op het onderhavige geschil werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Daarbij neemt het Hof in ogenschouw dat belanghebbende al vele jaren procedeert over hetzelfde geschilpunt en de Hoge Raad eerder geen aanleiding heeft gezien belanghebbende in het gelijk te stellen (vgl. HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1090, naar aanleiding van Hof Den Haag 11 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1090). Dit leidt tot de slotsom dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Slotsom 5.
- Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda. De griffier, De voorzitter, J. Azmi Shenouda T.A. de Hek De beslissing is op 29 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.