GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie Zaaknummer hof : 200.347.943/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/667500 HA ZA 23-909 Arrest van 9 december 2025 in de zaak van [appellante] , wonend in [woonplaats] , hierna te noemen: [appellante] , appellante in hoger beroep, advocaat: mr. P.M. Boiten, kantoorhoudend in Dordrecht, tegen 1 [zoon 1] , wonend in [woonplaats] , hierna te noemen: [zoon 1] , advocaat: mr. G.S.A.J. Kuis, kantoorhoudend in Leidschendam.
- [zoon 2], wonend in [woonplaats] , hierna te noemen: [zoon 2] , advocaat: mr. G.S.A.J. Kuis, kantoorhoudend in Leidschendam.
- [executeur], in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van de hierna te noemen erflater, wonend in [woonplaats] , hierna te noemen: [executeur] , advocaat: mr. M.E.L. Klein kantoorhoudend in Den Haag.
- [de stichting], gevestigd te [woonplaats] , hierna te noemen: de Stichting, advocaat: mr. M.E.L. Klein kantoorhoudend in Den Haag, geïntimeerden in hoger beroep. 1De zaak in het kort 1.1 Op [datum 1] 2021 is te [plaats] overleden: [erflater] (hierna te noemen: erflater). Erflater heeft met [appellante] vanaf augustus 2011 een affectieve relatie gehad. Op 23 april 2021 zijn erflater en [appellante] met elkaar een samenlevingsovereenkomst aangegaan. De samenlevingsovereenkomst is gepasseerd ten overstaan van [notaris] , notaris te [plaats] . Uit de samenlevingsovereenkomst volgt dat partijen Nederlands recht van toepassing hebben verklaard op hun overeenkomst. De samenlevingsovereenkomst eindigt op het moment van overlijden van een van de partijen. Op 23 april 2021 heeft erflater, eveneens ten overstaan van [notaris] bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Uit het testament volgt dat erflater gekozen heeft voor toepassing van Nederlands recht op de gehele erfopvolging. In dit testament heeft hij zijn zonen [zoon 1] en [zoon 2] , tezamen en voor gelijke delen, tot zijn enige erfgenamen benoemd. Aan [appellante] zijn – niet vrij van rechten en kosten – gelegateerd het levenslang recht van vruchtgebruik van een appartemensrecht in [woonplaats] , de zich in dat appartement bevindende inboedel, en alle tot de nalatenschap behorende certificaten op naam, toegekend door de stichting: [de stichting] . Deze stichting is een dag voor het passeren van het testament en de samenlevingsovereenkomst, op 22 april 2021, in Nederland notarieel opgericht bij volmacht van erflater. Er is tussen partijen een geschil met betrekking tot het legaat van de certificaten [de stichting] . Erflater heeft bij leven geen vermogen in voormelde stichting gestort en bij leven van erflater zijn er geen certificaten aan erflater uitgereikt. Uit het testament van erflater volgt eveneens dat tot beheersexecuteur is benoemd de heer [executeur] , voorts is [executeur] op basis van het testament van erflater afwikkelingsbewindvoerder. [executeur] is van mening dat hij geen uitvoering kan geven aan het legaat van de certificaten [de stichting] aangezien er geen certificaten tot de nalatenschap van erflater behoren. [executeur] is na het overlijden van erflater enig bestuurder van voornoemde stichting. 1.2 Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld tenzij daartegen een grief is gericht. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: Bij dagvaarding van 28 augustus 2024 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam (hierna ook: de rechtbank) van 29 mei 2024 (hierna: het bestreden vonnis). Op 4 maart 2025 heeft [appellante] voor memorie van grieven gediend. Op 20 mei 2025 hebben [zoon 1] en [zoon 2] voor memorie van antwoord gediend. Op 20 mei 2025 hebben [executeur] en de Stichting voor memorie van antwoord gediend. 2.2 Op 21 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen: [appellante] , bijgestaan door haar advocaat; [zoon 1] en [zoon 2] , bijgestaan door hun advocaat; [executeur] en de Stichting, bijgestaan door hun advocaat. De advocaten van geïntimeerden hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3Procedure bij de rechtbank 3.1 [appellante] heeft in eerste aanleg – samengevat en zakelijk weergegeven – gevorderd: dat [zoon 1] en [zoon 2] worden veroordeeld een bedrag van netto € 800.000,- aan de Stichting over te maken c.q. over te dragen, opdat de Stichting certificaten aan haar kan toekennen en afgeven inhoudende dat er jaarlijks een uitkering aan [appellante] kan worden gedaan van € 40.000,- netto, op verbeurte van een dwangsom; de Stichting te veroordelen om aan degene die namens de nalatenschap van erflater een bedrag dan wel een ander vermogensbestanddeel ten titel van beheer aan de stichting overdraagt certificaten toe te kennen conform de akte van oprichting van de stichting en/of de administratievoorwaarden; dat de executeur wordt veroordeeld om namens de nalatenschap van erflater een bedrag van netto € 800.000,- in de Stichting in te brengen, opdat de Stichting certificaten aan haar kan toekennen en afgeven inhoudende dat er jaarlijks een uitkering aan [appellante] kan worden gedaan van € 40.000,- netto, op verbeurte van een dwangsom. 3.2 Voor zover van belang hebben [zoon 1] en [zoon 2] , [executeur] en de Stichting gemotiveerd verweer gevoerd. 3.3 In het bestreden vonnis heeft de rechtbank, voor zover in dit hoger beroep van belang: [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tegen [zoon 1] en [zoon 2] en tegen de Stichting; de vorderingen tegen [executeur] afgewezen; de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 4De vorderingen van [appellante] in hoger beroep 4.1 [appellante] vordert in hoger beroep het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende: primair: I. geïntimeerden dan wel de [executeur] in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflater en/of de gezamenlijke erfgenamen van erflater te veroordelen om (namens de nalatenschap van erflater) binnen 42 dagen na het ten deze te wijzen vonnis dan wel binnen een door uw gerechtshof te bepalen termijn een bedrag van netto € 1.000.000,- dan wel netto € 800.000,- dan wel de verkoopopbrengst van de onroerende zaken in de Verenigde Staten dan wel een bedrag van € 500.000,- dan wel een door uw gerechtshof in goede justitie te bepalen bedrag aan de Stichting over te maken c.q. over te dragen (zulks ten titel van beheer); II. de Stichting te veroordelen om aan degene die namens de nalatenschap van erflater een bedrag dan wel een ander vermogensbestanddeel ten titel van beheer aan de Stichting overdraagt, certificaten toe te kennen conform de akte van oprichting van de stichting en/of de administratievoorwaarden; III. de [executeur] in zijn hoedanig hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflater en/of de gezamenlijke erfgenamen van erflater te veroordelen om het legaat met betrekking tot alle tot de nalatenschap behorende certificaten op naam als hiervoor bedoeld onder II, toegekend door de Stichting aan [appellante] af te geven hetgeen met zich brengt dat de hiervoor onder II bedoelde certificaten in eigendom worden overgedragen aan [appellante] ; IV. de Stichting te veroordelen om met ingang van [datum 2] 2021 (zijnde zes maanden na overlijden erflater) jaarlijks een uitkering doen aan appellante van een bedrag van veertigduizend euro (€40.000,00) netto per jaar, ieder jaar bij vooruitbetaling te voldoen, welk bedrag jaarlijks dient te worden geïndexeerd aan de hand van het dan geldende consumentenprijsindexcijfer; subsidiair: te verklaren voor recht dat [appellante] in de nalatenschap van erflater, naast het legaat van vruchtgebruik wat betreft de woning en de inboedel van erflater, gerechtigd is tot een verkrijging van een bedrag van minimaal € 500.000,- en geïntimeerden althans [executeur] in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflater te veroordelen dat bedrag aan [appellante] te betalen; meer subsidiair: [zoals door [appellante] gewijzigd/verduidelijkt ter zitting] te verklaren dat dat de erfgenamen van erflater geen aanspraak kunnen ontlenen aan het testament van erflater van 23 april 2021 en dat het testament van erflater van 22 juli 2016 moet worden gehouden als zijn uiterste wilsbeschikking; zowel primair als (meer) subsidiar: geïntimeerden te veroordelen in de kosten van de procedures in eerste en tweede aanleg. 5Beoordeling in hoger beroep Is het hoger beroep tegen de Stichting, [zoon 2] en [zoon 1] ontvankelijk? 5.1 Het hof dient de ontvankelijkheidsvraag ambtshalve te beoordelen. [executeur] is van mening dat [appellante] in haar hoger beroep jegens de Stichting en jegens [zoon 2] en [zoon 1] niet ontvankelijk is. Met betrekking tot de Stichting heeft de rechtbank geoordeeld dat de Stichting los staat van de nalatenschap en de vorderingen van [appellante] derhalve niet ontvankelijk zijn. In randnummer 25 en 26 van de memorie van antwoord stelt [executeur] dat zijn taak als executeur nog niet is beëindigd en hij de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt. 5.2 Het hof overweegt als volgt. In rechtsoverweging 2.10 heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] niet ontvankelijk is in haar vorderingen jegens de Stichting. In rechtsoverweging 2.9 heeft de rechtbank overwogen dat [executeur] op grond van artikel 4:145 lid 2 BW de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt gedurende zijn beheer van de nalatenschap bij de vervulling van zijn taak (waaronder dus mede de voldoening van de schulden van de nalatenschap) en dat dit een privatieve bevoegdheid is van [executeur] . Uit het dictum van het van het bestreden vonnis volgt - zie 3.1 en 3.
- - dat de rechtbank [appellante] niet ontvankelijk heeft verklaard in haar vorderingen tegen de erfgenamen en de Stichting. In randnummer 33 van haar memorie van grieven erkent [appellante] zelf dat de executeur privatief bevoegd is. Uit het betoog van [executeur] volgt dat de executele nog niet is afgerond hetgeen inhoudt dat [executeur] de erfgenamen privatief vertegenwoordigt in de onderhavige procedure. De grief van [appellante] (grief II) treft dus geen doel. Een goede procesorde brengt met zich mede dat van [appellante] mag worden verlangd dat zij haar processtukken zodanig opstelt dat deze processtukken voor de wederpartij en de rechter duidelijk maken wat haar inhoudelijke bezwaren zijn tegen het bestreden vonnis. In haar dictum stelt zij onder II en onder IV een vordering in tegen de Stichting. In haar memorie van grieven van 27 bladzijdes richt zij echter geen expliciete grief tegen de overweging van de rechtbank inzake de niet ontvankelijkheid van de Stichting. Ter zitting heeft [appellante] naar voren gebracht dat – ondanks het ontbreken van een letterlijke grief – weldegelijk uit het lichaam van de memorie van grieven blijkt dat zij is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat haar vorderingen jegens de Stichting niet-ontvankelijk zijn. Hoe het ook zij, de rechtbank heeft naar het oordeel van het hof terecht overwogen in rechtsoverweging 2.10 waarom [appellante] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen jegens de Stichting. Het had op de weg van [appellante] gelegen om te motiveren waarom de Stichting niet los staat van de nalatenschap en [appellante] wel ontvankelijk is in haar vorderingen jegens de Stichting. Nu zij dit niet heeft gedaan komt dit voor haar rekening en risico. De Stichting is een rechtspersoon, die zelfstandig deelneemt aan het rechtsverkeer. De Stichting is op 22 april 2021 in Nederland notarieel opgericht bij volmacht van erflater. Het doel van de Stichting is onder meer het verkrijgen van vermogensbestanddelen van familieleden tegen toekenning van certificaten. In artikel 5 van de statuten van de Stichting is bepaald dat de Stichting verplicht is om aan een familielid certificaten uit te reiken indien het betreffende familielid familiebezittingen aan de Stichting heeft overgedragen. In artikel 1 is aangegeven wie familielid zijn, dit zijn onder meer erflater, [appellante] en de kinderen van erflater. Vaststaat dat er door deze familieleden geen vermogensbestanddelen in de Stichting zijn ingebracht en er zijn dus ook geen certificaten zijn uitgereikt. De Stichting is in vermogensrechtelijke zin een lege huls. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat de Stichting buiten de nalatenschap van erflater staat. Aangezien er geen vermogen is ingebracht, is er dus ook geen rechtsbetrekking tussen de familieleden en de Stichting. Overige grieven 5.3 Gezien de onderlinge samenhang zal het hof de (overige) grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken. Een kerngrief van [appellante] is haar derde grief met betrekking tot artikel 4:47 en 4:49 BW 5.4 Artikel 4:47 BW bepaalt dat wanneer de uitvoering van een uiterste wilsbeschikking, anders dan als gevolg van een na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheid, blijvend onmogelijk is, de beschikking vervalt zonder dat een andere beschikking daarvoor in de plaats mag worden gesteld, tenzij de wet het tegendeel bepaalt, of uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat de erflater die andere beschikking zou hebben gemaakt wanneer hem de onmogelijkheid bekend was geweest. 5.5 Artikel 4:49 lid 1 BW luidt als volgt: “Een ten laste van een erfgenaam gemaakt legaat van een bepaald goed, of van een op een bepaald goed te vestigen recht, vervalt indien het goed bij het openvallen van de nalatenschap daartoe niet behoort, tenzij uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat de erflater de beschikking niettemin heeft gewild.” In het tweede lid van artikel 4:49 BW staat vervolgens opgenomen: “Kan in laatstgenoemd geval degene op wie de verplichting rust, zich het gelegateerde goed niet of slechts ten koste van een onevenredig grote opoffering verschaffen, dan is hij gehouden de waarde van het goed uit te keren.” 5.6 Het hof begrijpt uit het betoog van [appellante] op haar grief 3 dat wel kan worden vastgesteld wat erflater zou hebben gewild als geen uitvoering kan worden gegeven aan het legaat van de certificaten. Zij stelt onder meer: 1) De eerder gemaakte erfstelling c.q. het legaat in het vorige testament van erflater t.b.v. [appellante] moest worden verbeterd omdat een bedrag van € 500.000 in de optiek van erflater voor zijn partner te weinig was, 2) Het legaat van € 500.000 is dus opgerekt tot een voorziening van € 1.000.000 (randnummer 41 memorie van grieven), 3) Het was de bedoeling van erflater om het onroerend goed in de Verenigde Staten te verkopen en de opbrengst € 800.000 in de Stichting te storten. 5.7 Door [executeur] is gemotiveerd verweer gevoerd. In randnummer 30 van zijn memorie van antwoord stelt hij onder meer dat een alternatieve beschikking alleen kan worden aangenomen als dit duidelijk uit de uiterste wil zelf blijkt. Dat is hier niet het geval. Erflater heeft in een lang adviestraject bewust een keuze gemaakt. Erflater heeft eerdere testamentconcepten expliciet verworpen. In randnummer 31 stelt [executeur] (in het kader van eventuele toepassing van artikel 4:49 lid 2 BW) dat nu er geen certificaten zijn (geweest), ook de waarde daarvan niet kan worden uitgekeerd omdat de waarde nihil is. Wanneer de certificaten ontbreken, bestaat het legaat niet. [executeur] is niet bevoegd om vermogensbestanddelen over te hevelen van de nalatenschap naar de Stichting en ook de erfgenamen kunnen daartoe niet worden verplicht. 5.8 Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat [appellante] geen beroep kan doen op de uitzonderingsbepalingen van artikel 4:47 en artikel 4:49 BW. Het hof maakt na een eigen afweging deze gronden tot de zijne. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] geen rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan wel op een uitzonderingsbepaling van artikel 4:47 en artikel 4:49 BW een beroep kan worden gedaan. Door [appellante] worden verschillende opties gegeven wat erflater zou hebben gewild, het was de bedoeling dat de voorziening ten behoeve van [appellante] moest worden opgetrokken van € 500.000 naar € 1.000.000 of het onroerend goed in de Verenigde Staten kon voor € 800.000 worden verkocht en de opbrengst in de Stichting worden gestort. [appellante] geeft hiermee zelf eveneens aan dat de wil van erflater niet valt vast te stellen. Uitgangspunt met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap van erflater blijft dus het testament van 23 april
- Zoals het hof in r.o. 5.2 heeft overwogen is de Stichting in vermogensrechtelijke zin een lege huls. Er is door erflater geen vermogen in de Stichting ingebracht en er zijn geen certificaten aan erflater uitgereikt. Wat er niet is, kan ook niet vererven of worden gelegateerd. [executeur] is niet gelegitimeerd om vermogen van erflater na het overlijden van erflater alsnog over te hevelen naar de Stichting aangezien hij daar bij leven van erflater geen opdracht toe heeft gekregen. Uit de feitelijke gang van zaken, te weten het lange adviestraject en dat erflater uitdrukkelijk testamentconcepten waarin een regeling was opgenomen om [appellante] door middel van een som in geld verzorgd achter te laten heeft verworpen, volgt naar het oordeel van het hof dat erflater tot op zijn sterfbed zelf de regie wenste te voeren over zijn vermogen. Dat erflater de regie wilde voeren volgt ook uit het volgende, eerst kort voor zijn overlijden is erflater met [appellante] een samenlevingsovereenkomst aangegaan en geen huwelijk of geregistreerd partnerschap. Uit artikel 2 van de samenlevingsovereenkomst volgt dat er een duidelijke scheiding was van de vermogens en dat er alleen een gemeenschappelijke draagplicht was van de kosten van de huishouding. Ook tijdens de langdurige relatie tussen erflater en [appellante] heeft er geen vermogensoverdracht plaatsgevonden van erflater naar [appellante] . 5.9 Daarnaast overweegt het hof dat wat betreft artikel 4:47 BW niet gebleken is dat na het passeren van de uiterste wil tot aan het moment van overlijden van erflater er een omstandigheid is ingetreden die maakte dat uitvoering van het legaat (dat wil zeggen dat vermogen door de erflater in de Stichting zou worden ingebracht tegen toekenning van certificaten) blijvend onmogelijk was. Erflater had ook opdracht kunnen geven om vermogen, bijvoorbeeld zijn effectenportefeuille, direct na het passeren van zijn uiterste wil in te brengen in de Stichting, hetgeen hij om hem moverende redenen niet heeft gedaan. Derhalve komt het hof niet toe aan toepassing van artikel 4:47 BW. Wat betreft artikel 4:49 BW overweegt het hof verder dat vaststaat dat de certificaten bij het openvallen van de nalatenschap er niet waren. Eveneens staat vast dat deze ook nooit tijdens het leven van de erflater zijn uitgegeven aangezien de erflater geen vermogen in de Stichting heeft ingebracht. Zelfs als (in navolging van de rechtbank) zou worden aangenomen dat erflater ten tijde van het maken van de uiterste wil ervan op de hoogte was dat er geen certificaten waren en daarmee verdedigd zou kunnen worden dat erflater het legaat niettemin heeft gewild, leidt toepassing van artikel 4:49 BW ook niet tot het door [appellante] gewenste gevolg. Het legaat zou dan weliswaar niet vervallen, maar ingevolge het tweede lid van genoemde bepaling zouden de erfgenamen zich dan de certificaten dienen te verschaffen, hetgeen onmogelijk is. Immers de certificaten hebben nimmer bestaan. Aan niet bestaande certificaten kan ook geen waarde worden toegekend. Dus ook in dat geval leidt toepassing van artikel 4:49 BW tot niets. De relatie tussen erflater en [executeur] 5.10 In randnummer 56 tot 58 gaat [appellante] in op de contractuele relatie tussen erflater en [executeur] . Haar conclusie is dat zij in deze procedure geen vordering tegen [executeur] instelt op basis van een door hem gepleegde onrechtmatige daad. Wel stelt zij dat de saisineregel van belang is voor de overeenkomst van opdracht tussen erflater en [executeur] . In randnummer 60 van de memorie van grieven stelt zij dat de erfgenamen van rechtswege in de plaats zijn getreden van de rechten en verplichtingen van de erflater. In randnummer 61 stelt zij dat erflater en [executeur] zijn overeengekomen dat [appellante] goed verzorgd achter moest blijven. Door [executeur] is gemotiveerd verweer gevoerd. [executeur] stelt dat [appellante] op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat hij in het kader van zijn adviesfunctie aan erflater te kort is geschoten. In randnummer 57 van zijn memorie van antwoord stelt [executeur] dat erflater jegens [appellante] geen afdwingbare verbintenis is aangegaan om vermogen aan de stichting over te dragen. 5.11 Het hof is van oordeel dat [appellante] geen contractpartij is geweest in de advisering door [executeur] aan erflater. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] ook geen rechtens relevante feiten gesteld waaruit ook maar een begin van bewijs volgt dat [executeur] onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld. Uit het feit dat erflater meer dan 20 jaar gebruik heeft gemaakt van de adviezen van [executeur] volgt dat erflater tevreden was over de dienstverlening van erflater. Ook de erfgenamen van erflater maken nog gebruik van de diensten van [executeur] . Voorts is het hof van oordeel dat de overeenkomst van opdracht tussen erflater en [executeur] ter zake de advisering eindigt bij het overlijden van erflater. De huidige positie van [executeur] na overlijden van erflater ontleent [executeur] aan het testament van erflater. [executeur] had er ook voor kunnen kiezen de benoeming tot executeur (en tot afwikkelingsbewindvoerder) niet te aanvaarden. Grief 5 treft dus ook geen doel. Uitleg testament? 5.12 In grief 6 stelt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan de uitleg van het testament omdat de bewoordingen duidelijk zijn. In de visie van [appellante] is in het kader van de uitleg van de uiterste wilsbeschikking relevant de verhoudingen die erflater wenste te regelen. [appellante] verwijst met betrekking tot uitleg van de uiterste wil naar het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1531). In randnummer 66 van haar memorie van grieven stelt [appellante] dat het testament voor een notaris op [plaats] is gepasseerd en dat die notaris niet wist dat erflater kort na het passeren van het testament zou overlijden. De notaris heeft ook niet geweten dat het legaat geen effect zou sorteren. De Stichting is opgericht ten overstaan van een in Nederland gevestigde notaris. De notaris in [plaats] kon erflater niet begeleiden. Er heeft in de visie van [appellante] geen zorgvuldige wilsbepaling plaatsgevonden. 5.13 Door [executeur] is gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet bij de uitleg van testamenten primair worden uitgegaan van de in de uiterste wil tot uitdrukking gebrachte bedoeling, zoals blijkt uit de bewoordingen in samenhang met de aard en inhoud van de beschikking. Er is daarbij slechts beperkte ruimte om omstandigheden buiten het testament te betrekken, en dat kan alleen als de tekst onduidelijk is of aanknopingspunten biedt voor een andere uitleg. Erflater hield zelf de regie. Erflater heeft niet in zijn testament vastgelegd wat er moest gebeuren als er geen vermogen in de Stichting was ingebracht. Wat erflater eerder heeft gewild is niet meer relevant. 5.14 Naar het oordeel van het hof volgt duidelijk uit de uiterste wil van erflater wat zijn bedoeling was, het treffen voor een voorziening voor [appellante] . In het testament van erflater wordt expliciet de Stichting vermeld, inclusief het handelsregisternummer van de Stichting. In het testament staat ook: “Voormelde [de stichting] dient jaarlijks een uitkering te doen op de certificaten, onder de bepalingen als vermeld in de statuten van voornoemde stichting administratiekantoor en de daarbij behorende administratievoorwaarden.” Gezien deze formulering wist de notaris in [plaats] dat er een stichting was opgericht in Nederland. De in Nederland, een dag voor het passeren van het testament, opgerichte stichting heet ook [de stichting] . Het testament van erflater in samenhang bezien met de statuten van de Stichting duidt erop dat erflater goed heeft nagedacht over zijn uiterste wil en hoe die uiterste wil moest worden uitgevoerd en welke verhoudingen erflater wenste te regelen. Van een wilsgebrek bij het tot stand komen van de uiterste wil van erflater is dus niet gebleken. Doordat erflater, die tot zijn overlijden de regie wenste te houden, geen alternatieve scenario’s in zijn testament heeft opgenomen, zoals bijvoorbeeld het opleggen van een last aan de erfgenamen of de executeur om vermogen in te brengen in de Stichting als erflater dat zelf niet had gedaan, heeft erflater bewust het risico aanvaard dat het legaat niet uitvoerbaar zou kunnen zijn bij zijn overlijden. Voor het hof behoeft het testament niet nader te worden uitgelegd, want de bedoeling daarvan is duidelijk. Dat erflater om hem moverende redenen feitelijk geen vermogen heeft ingebracht in de Stichting, maakt dat niet anders. Dit betekent dat grief 6 faalt en het hof niet toekomt aan het getuigenaanbod. Redelijkheid en billijkheid 5.15 In grief 7 stelt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van een situatie die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dat kader verwijst [appellante] naar rechtspraak en literatuur. 5.16 Uit het betoog van [executeur] volgt dat er niet sprake is van een situatie die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [appellante] heeft van erflater het vruchtgebruik van het appartement in [woonplaats] alsmede het vruchtgebruik van de zich in het appartement bevindende inboedel gelegateerd gekregen. [appellante] heeft een baan en kan in haar eigen levensonderhoud voorzien. Bovendien hoeft zij zich geen zorgen te maken over de studiekosten van haar zoon aangezien hij een legaat heeft gekregen van erflater van € 100.000,-, vrij van rechten en kosten. 5.17 Het hof is van oordeel [appellante] niet aan haar stelplicht heeft voldaan – mede bezien het gemotiveerde verweer van [executeur] – op grond waarvan de huidige situatie voor haar naar maatschappelijke normen bezien onaanvaardbaar is. Het hof is niet gebleken van enige noodsituatie waarin [appellante] op dit moment verkeert, voor zover die in het erfrecht überhaupt een rol kan spelen. 5.18 Hetgeen overigens door [appellante] is aangevoerd in haar memorie van grieven behoeft geen verdere bespreking aangezien die niet relevant zijn voor het onderhavige oordeel. Proceskosten 5.19 Het hof acht het redelijk en billijk dat [appellante] in de kosten van het hoger beroep wordt veroordeeld nu zij volledig in het ongelijk wordt gesteld. 5.20 Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [zoon 1] en [zoon 2] / [executeur] en de Stichting op: griffierecht € 2.053,- salaris advocaat € 10.572,- (2 punten × tarief VII (€ 5.286 )) Totaal € 12.625,-. 6Beslissing Het hof: bekrachtigt het bestreden vonnis; veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep van [zoon 1] en [zoon 2] , aan hun zijde begroot op € 12.625,-; veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep van [executeur] en de Stichting, aan hun zijde begroot op € 12.625,- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mr. A.N. Labohm, mr. G.G.B. Boelens en F.V. Marquenie en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.