GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie zaaknummer : 200.344.771/01 rekestnummer rechtbank : FA RK 21-6907 zaaknummer rechtbank : C/09/619247 beschikking van de meervoudige kamer van 5 februari 2025 inzake [de moeder] , wonende op een geheim adres, verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. F.G.T. Meershoek te Den Haag, tegen [de vader] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. J.B. Peters te Zoetermeer. Als belanghebbende is aangemerkt: - [de bijzondere curator] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator van de na te noemen minderjarige, kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de bijzondere curator. In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden, locatie Den Haag hierna te noemen: de raad. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikkingen van de rechtbank Den Haag van 11 november 2021, 8 juni 2022 en 13 februari 2023, en de (eind)beschikking van 27 mei 2024 (laatstgenoemde hierna: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De vrouw is op 15 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De man heeft op 26 augustus 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.3 De vrouw heeft op 4 december 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.4 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 4 oktober 2024 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum; - een e-mailbericht van de zijde van de raad van 9 december 2024, ingekomen op 10 december
- 2.5 De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de advocaat van de vrouw; - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; - de bijzondere curator. De vrouw is, hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten. 3.2 Uit de affectieve relatie van partijen is op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] geboren: [de minderjarige] (hierna te noemen: de minderjarige). 3.3 Het hof heeft op de mondelinge behandeling vastgesteld dat de minderjarige op [datum] is erkend door de nieuwe partner van de moeder, de heer [nieuwe partner van de moeder] (hierna te noemen: [nieuwe partner van de moeder] ). 3.4 De moeder heeft alleen het gezag over de minderjarige. 3.5 De man, de moeder en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit. 3.6 Op 21 oktober 2021 zijn de minderjarige en [halfbroer] van 21 oktober 2021 tot 21 oktober 2022 onder toezicht gesteld van [de gecertificeerde instelling] . De ondertoezichtstelling is nadien niet meer verlengd. 3.7 De minderjarige en [halfbroer] zijn vanaf 21 oktober 2021 voor de duur van enkele maanden uithuisgeplaatst geweest in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootmoeder moederszijde. In de zomer van 2022 zijn beide kinderen weer bij moeder thuis geplaatst. 3.8 Bij tussenbeschikking van de rechtbank Den Haag van 11 november 2021 is [de bijzondere curator] benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te vertegenwoordigen. 3.9 Bij tussenbeschikking van 8 juni 2022 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat een DNA-onderzoek wordt verricht ter beantwoording van de vraag welke conclusie er aan de hand van zijn bevindingen moet worden getrokken ten aanzien van het eventuele verwekkerschap van de man. Daarnaast heeft de rechtbank de vrouw veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat de vrouw hiertoe in gebreke blijft met een maximum van € 5.000,-. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing, ook ten aanzien van de kosten van het deskundigenonderzoek, pro forma aangehouden tot 1 september
- 3.10 Het deskundigenrapport van Verilabs is op 9 februari 2023 afgerond. Uit dit rapport is gebleken dat het praktisch is bewezen (met een waarschijnlijkheid van 99.9999975768%) dat de man de biologische vader van de minderjarige is. 3.11 Bij tussenbeschikking van 13 februari 2023 heeft de rechtbank, kort gezegd, de moeder nogmaals veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan het DNA-onderzoek, op straffe van lijfsdwang. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank: an de man toestemming verleend, die de toestemming van de moeder vervangt, tot erkenning van de minderjarige; de werkzaamheden van de bijzondere curator voor de procedure als beëindigd beschouwd; het verzoek van de man met betrekking tot het gezag en de omgangsregeling afgewezen; bepaald dat de kosten van Verilabs ten laste komen van ’s-Rijks kas; bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van de beslissing onder a; het meer of anders verzochte afgewezen. 4.2 De vrouw kan zich in voornoemde beslissing niet vinden. Zij verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daarbij aan de man vervangende toestemming is verleend om de minderjarige te erkennen, zoals beslist onder punt a van het dictum, en opnieuw rechtdoende: het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor de erkenning van de minderjarige alsnog af te wijzen, dan wel de man hierin niet-ontvankelijk te verklaren. Tevens verzoekt zij het hof onderhavige beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4.3 De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof om (het hof leest: de verzoeken van de moeder in hoger beroep) af te wijzen en de bestreden beschikking ter zake de beslissing (het hof leest: van de vervangende toestemming) tot erkenning te bekrachtigen. Bij incidenteel beroep verzoekt de man het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende (het hof leest: zijn verzoeken) zoals in eerste aanleg gedaan alsnog toe te wijzen: de man mede te bekleden met het ouderlijk gezag over de minderjarige; een omgangsregeling vast te stellen waarbij de minderjarige bij de man is: om de week van zaterdag 10.00 tot zondag 17.30 uur, alsmede een deel van de vakanties en feestdagen, met een opbouw, althans een regeling die het hof passend en juist acht; althans die beslissingen te nemen die het hof passend en geboden acht; kosten rechtens, zo dat ieder de eigen kosten draagt. 4.4 De vrouw voert in incidenteel beroep het volgende verweer. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de overige daarin genomen beslissingen en (het hof leest: de verzoeken dienaangaande van de man in incidenteel appel) af te wijzen. 4.5 Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken. 5De motivering van de beslissing 5.1 Het hof stelt voorop dat tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken dat [nieuwe partner van de moeder] op [datum] de minderjarige heeft erkend met toestemming van de vrouw. Deze erkenning heeft plaatsgevonden nadat de man het inleidend verzoek tot het verkrijgen van vervangende toestemming erkenning heeft ingediend. Op grond van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0745HR) is deze toestemming van de vrouw aan [nieuwe partner van de moeder] daarmee een voorwaardelijke toestemming, die niet van invloed is op de beoordeling van het op dit moment in hoger beroep voorliggende verzoek om vervangende toestemming tot erkenning door de man. Vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige 5.2 De vrouw voert, samengevat, het volgende aan. De vrouw kan zich niet vinden in de toewijzing van het verzoek van de man om vervangende toestemming tot erkenning. Zij meent dat aan de (strenge) uitzonderingsgronden van artikel 1:204 lid 3 BW is voldaan, zodat het verzoek van de man had moeten worden afgewezen. Het verlenen van de vervangende toestemming voor erkenning schaadt de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige en brengt een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige in het gedrang. De man roept bij de vrouw enorme angst en weerstand op, wegens jarenlange mishandeling en vernedering. Deze gemoedstoestand van de vrouw zal zeer negatieve gevolgen hebben voor de minderjarige en haar half broer [halfbroer] . De vrouw heeft daarnaast de reële vrees dat de man zijn rechten zal willen doen gelden op een zeer intimiderende manier, zonder zich rekenschap te geven van de belangen van de vrouw en de minderjarige. Er is, zoals de raad terecht heeft geconcludeerd, sprake van een kwetsbaar gezinssysteem. Het is in deze fase belangrijk dat dit gezinssysteem goed blijft functioneren en dat de vrouw in staat wordt gesteld om de positieve ontwikkeling vast te houden en voort te zetten. De erkenning door de man zal dit echter onmogelijk maken. Door de erkenning krijgt de man een gegarandeerd recht op omgang, waardoor hij op ieder moment de rechtbank kan verzoeken om een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige vast te stellen. Zonder erkenning dient de man eerst een ontvankelijkheidsdrempel te halen, hetgeen de vrouw aanzienlijk meer rust geeft. Ook geeft de erkenning de man het recht op informatie en consultatie. Daardoor zal de vrouw vanaf het moment van de erkenning gehouden zijn om actief contact met de man op te nemen teneinde hem te informeren over de minderjarige en te consulteren bij het nemen van belangrijke beslissingen over haar leven. Dit is voor de vrouw volstrekt onmogelijk nu zij niet eens in staat is om samen met de man in dezelfde ruimte te zijn. Bovendien kan de man hierdoor op de hoogte geraken van de verblijfplaats van de vrouw en de kinderen. Dit terwijl de vrouw een geheim adres heeft en zij dit voor de man geheim wil blijven houden in verband met vroegere stalking. 5.3 De man betwist de stellingen van de vrouw gemotiveerd. Samengevat betoogt hij als volgt. De minderjarige heeft het recht om door haar vader erkend te worden, te weten van wie zij afstamt en om bijvoorbeeld te zijner tijd van haar vader te kunnen erven. Het is de vader niet te doen om de minderjarige van de moeder ‘af te pakken’, maar hij wil een rol spelen in haar leven. Partijen hebben zonder meer een turbulente relatie gehad, maar de oorzaak daarvan is anders dan zoals de vrouw dat beschrijft. Hij heeft niet de partner voor de moeder kunnen zijn die zij wenste of nodig had, maar hij heeft wel altijd voor ogen gehad een goede vader en stiefvader te zijn. Er is bij de vrouw sprake van diepgewortelde problematiek en trauma’s uit haar eigen verleden die zijn weerslag hebben gehad op hun relatie. Die trauma’s worden op de man geprojecteerd. De problemen van de vrouw waren er voor de relatie al en zijn er nu, jaren na de verbreking van de relatie, nog steeds. De man begrijpt dat er sprake is van een precaire gezinssituatie. Daardoor vindt de man het belangrijk dat hij meer betrokken wordt in het leven van in ieder geval de minderjarige. 5.4 De raad heeft op de mondelinge behandeling, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht. De raad adviseert conform het raadsrapport van 23 november 2023 om het verzoek van de man voor vervangende toestemming tot erkenning af te wijzen. Er is sprake van een kwetsbare vrouw, bij wie geen draagkracht is voor de rol van de man in het leven van de minderjarige. Bovendien zijn er bij de raad geen meldingen binnengekomen omtrent zorgen over de minderjarige en [halfbroer] . 5.5 De bijzondere curator heeft op de mondelinge behandeling het volgende verklaard. Nu de vrouw haar stellingen niet nader heeft onderbouwd, ziet de bijzondere curator onvoldoende reden om de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en het inleidende verzoek van de man alsnog af te wijzen. Gebleken is dat de vrouw haar EMDR-therapie heeft afgerond. De bijzondere curator ziet dat als iets positiefs, te meer omdat door de raad is overwogen dat het van belang was dat de vrouw aan haar verleden met de man ging werken zodat er daardoor bij de vrouw (emotioneel) ruimte zou ontstaan voor een rol van de man in het leven van de minderjarige. 5.6 Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank het verzoek van de man voor de vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige op goede gronden heeft toegewezen. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die tot een andersluidend oordeel leiden. Het hof overweegt in aanvulling daarop als volgt. Het uitgangspunt is dat zowel het kind als de verwekker aanspraak hebben op erkenning van hun familierechtelijke betrekking, tenzij sprake is van een van de in de wet genoemde contra-indicaties. Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld of onderbouwd dat sprake is van deze contra-indicaties. De vrouw heeft gesteld dat zij nog steeds zo bang is dat de man door de erkenning van de minderjarige zijn rechten op gezag, omgang met en informatie over de minderjarige zal blijven inroepen dat daarmee aan het wettelijk criterium voor het niet toekennen van de vervangende toestemming is voldaan. Het had op de weg van de vrouw gelegen deze stellingen nader te onderbouwen en van bewijsstukken te voorzien zoals een verslag van haar afgeronde EMDR-traject of een medische verklaring. Het hof volgt dan ook het oordeel van de rechtbank en komt tot de conclusie dat de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige niet in het gedrang zal komen door de erkenning en dat de verhouding tussen de vrouw en de minderjarige hierdoor niet zal worden verstoord. Het hof bekrachtigt daarom op dit punt de bestreden beschikking en wijst het verzoek van de moeder af. 5.7 Nu het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de vervangende toestemming zal bekrachtigen heeft dit direct invloed op de voorwaardelijke toestemming die de vrouw aan [nieuwe partner van de moeder] heeft verleend voor de erkenning van de minderjarige. Immers, de voorwaarde waaronder de vrouw aan [nieuwe partner van de moeder] toestemming tot erkenning heeft verleend gaat niet in vervulling. Dit betekent dat de door [nieuwe partner van de moeder] gedane erkenning op grond van artikel 1:204 lid 1, onder c, BW nietig is en dat de aan de geboorteakte van de minderjarige toegevoegde latere vermelding van die erkenning moet worden doorgehaald alvorens de erkenning van de man als latere vermelding aan de geboorteakte kan worden toegevoegd. Het hof zal dan ook dienovereenkomstig beslissen en de ambtenaar van de betreffende burgerlijke stand opdracht geven tot doorhaling van de erkenning van [nieuwe partner van de moeder] . Omgangsregeling en gezag 5.8 De man voert in incidenteel beroep aan dat de vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige in beginsel onvoldoende betekenis voor hem heeft, omdat hij na de erkenning van de minderjarige nog steeds buitenspel staat zolang hij geen gezag over en geen omgang met de minderjarige heeft. De man betwist de overweging van de rechtbank dat hij uit het leven van de vrouw is verdwenen en wijst op het feit dat de vrouw ook na haar verhuizing de man heeft opgezocht. Daarbij is dat ook geen enkele reden om de omgang met de minderjarige aan de man te ontzeggen. De minderjarige ontleent haar identiteit ook aan de man. Overigens hoeft er voor omgang tussen de man en de minderjarige in beginsel geen (uitgebreid) contact te zijn met de vrouw nu er ook sprake kan zijn van parallel solo-ouderschap. Wat betreft het gezag is de vrouw niet in staat om alleen gezagsbeslissingen te nemen over de minderjarige gegeven haar eigen problematiek. Het is in het belang van de minderjarige dat een stabiele vader in ieder geval mede beslissingen neemt. Nu de rechtbank vervangende toestemming tot erkenning heeft gegeven ligt het ook gelet op de feitelijke situatie voor de hand dat de man mede het gezag over de minderjarige zou krijgen. 5.9 De vrouw voert hiertegen samengevat het volgende verweer. De vrouw meent dat het verzoek van de man in eerste aanleg terecht en conform het advies van de raad is afgewezen. Tegen de omgang zijn meerdere contra-indicaties. Onder andere dat de vrouw bang is dat de man ook agressief gedrag zal vertonen naar de minderjarige, zodat de omgang mogelijk ernstig nadeel zal opleveren voor haar geestelijke en lichamelijke ontwikkeling. Daarnaast is de man kennelijk ongeschikt dan wel niet in staat tot omgang met de minderjarige, nu hij zijn agressief handelen in het verleden niet erkent. Ook zal de minderjarige mogelijk in een loyaliteitsconflict komen daar de vrouw geen emotionele toestemming kan geven voor de omgang. Wat betreft het gezag stelt de vrouw het volgende. Partijen kunnen niet met elkaar communiceren en de vrouw wil dat ook niet. Bovendien wil de vrouw niet dat de man beschikt over haar recente contactgegevens. Het feit dat zij beiden een andere visie hebben op wat er in het verleden is gebeurd, toont voornoemde aan. De vrouw betwist dat zij niet in staat zou zijn om gezagsbeslissingen te nemen. Bovendien hebben er na beëindiging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing geen nieuwe voorvallen plaatsgevonden als gevolg waarvan opnieuw een gedwongen kinderbeschermingsmaatregel nodig was. 5.10 Het hof overweegt als volgt. Op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat bij de vrouw in het gezin sprake is van een kwetsbare situatie. Uit het raadsrapport van 23 november 2023 volgt dat vier maanden na de geboorte van de minderjarige, de minderjarige en [halfbroer] uit huis zijn geplaatst bij oma (mz) en dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing in 2022 zijn afgesloten. Er is sprake van een kwetsbaar gezinssysteem en een alleenstaande moeder met eigen problematiek, waarvoor zij behandeling van de [hulpverleningsinstantie] heeft gehad. Voorts overweegt de raad dat de net opgestarte traumabehandeling is gericht op traumaklachten die zijn ontstaan door de relatie tussen de ouders, dat deze dient te worden afgerond en dat het belangrijk is dat moeder werkt aan haar eigen problematiek. De raad geeft voorts te kennen dat niet goed in te schatten is wat van de moeder verwacht kan worden in het vormgeven en ondersteunen van een rol van de vader in het leven van de minderjarige, en wat bereikt kan worden met hulpverlening. Het hof acht het voor de beoordeling van belang om inzage te krijgen in de recente belastbaarheid van de moeder in het licht van de (afgeronde) EMDR therapie en wat de gevolgen hiervan zijn voor de draagkracht van de moeder. Het hof heeft de moeder hierover niet kunnen bevragen, nu zij niet op de mondelinge behandeling is verschenen noch is in hoger beroep enige medische informatie hieromtrent in het geding gebracht. Hierbij overweegt het hof dat de verhalen van de ouders haaks op elkaar staan, zowel ten aanzien van het huiselijk geweld als ten aanzien van de stalking (beiden verklaren door de ander gestalkt te worden) en dat er een patroon bij de moeder lijkt te zijn om niet mee te werken aan het onderzoek van de bijzondere curator en niet op de mondelinge behandeling te verschijnen. Ook aan Veilig Thuis verleent de moeder moeilijk dan wel geen medewerking Het hof is van oordeel dat gezien deze situatie en nu geen recent onderzoek van de raad voorhanden is, het hof geen verantwoorde beslissing kan nemen omtrent de voorliggende verzoeken van de vader over de omgang en het gezag. 5.11 Onderzocht dient te worden of omgang tussen de minderjarige en de man mogelijk is en hoe een eventuele omgangsregeling eruit zou moeten zien. Ook wil het hof geïnformeerd worden over de vraag of de ouders in staat zijn tot de uitoefening van gezamenlijk gezag en of de raad dit in het belang acht van de minderjarige. Teneinde de raad in de gelegenheid te stellen om het onderzoek naar behoren uit te voeren zal het hof de behandeling van de zaak zes maanden pro forma aanhouden. Het hof zal zo nodig op een nadere mondelinge behandeling het rapport van de raad met partijen en de raad bespreken. 5.12 Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6De beslissing Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank 27 mei 2024, ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige door de man; verklaart voor recht dat de erkenning door [nieuwe partner van de moeder] van de minderjarige, gedaan op [datum] , nietig is; gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag door te halen: de akte van erkenning van de minderjarige door [nieuwe partner van de moeder] op [datum] , door middel van een latere vermelding op de geboorteakte; draagt de griffier van dit hof op grond van artikel 1:20e lid 1 BW op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en indien daartegen geen cassatieberoep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag; alvorens verder te beslissen over de omgang en het gezag: verzoekt de raad een onderzoek in te stellen zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.9 is uiteengezet en daaromtrent uiterlijk twee weken vóór de nader te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof; bepaalt dat de behandeling van de zaak – indien nodig – zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad nader te bepalen datum, waarvoor partijen en de raad zullen worden opgeroepen; houdt de behandeling van de zaak aan tot 26 juli 2025 pro forma; houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang met en het gezag over de minderjarige aan; ontslaat [de bijzondere curator] , kantoorhoudende te Den Haag, van haar taak als bijzondere curator over de minderjarige. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Sutorius-Van Hees, L. Koper en D.E. Valle Robles-Roomer, bijgestaan door mr. B. Klous als griffier en is op 5 februari 2025 uitgesproken door A.A.F. Donders in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.